Vermogens- en inkomensongelijkheid, 2011 - 2024
De vermogensongelijkheid tussen huishoudens varieert met name door bewegingen op de woningmarkt. In de periode 2011-2014 was sprake van een stijgende vermogensongelijkheid als gevolg van dalende huizenprijzen. Vanaf 2015 neemt de ongelijkheid in vermogen af door de stijgende huizenprijzen. De inkomensongelijkheid is aanzienlijk lager dan de vermogensongelijkheid en verandert nagenoeg niet in de periode 2011–2024.
Dalende vermogensongelijkheid bij stijgende huizenprijzen
Bijna 6 op de 10 huishoudens hebben een eigen woning. Hun vermogen is daardoor gevoelig voor de ontwikkeling van huizenprijzen. In de periode 2011–2014 daalden de huizenprijzen door de toenmalige economische crisis. Hierdoor nam de vermogensongelijkheid tussen huishoudens toe. Een deel van de huizenbezitters had een negatief vermogen in die tijd, doordat hun hypotheekschuld hoger was dan de woningwaarde. Daarmee bevonden deze huishoudens zich aan de onderkant van de vermogensladder. Aangezien het eigen huis voor de minder vermogende huizenbezitters het belangrijkste bezit is, trof de huizencrisis hun vermogen relatief harder dan de rijkeren. De rijkeren hebben hun vermogen vaak over meer zaken verspreid. Doordat de huizenprijzen vanaf 2015 opliepen, nam de vermogensongelijkheid vanaf dat jaar weer af.
Blijft de eigen woning buiten beschouwing in het vermogen, dan zijn de verschillen tussen huishoudens vrijwel stabiel gebleven in de periode 2011–2024.
Hoge vermogensongelijkheid in grote steden
In grote steden is de vermogensongelijkheid hoger dan landelijk. Zo is de Gini-coëfficiënt* in Amsterdam gelijk aan 0,87, in Rotterdam 0,83, en die in Den Haag 0,81. In grote steden wonen relatief veel jongeren en uitkeringsontvangers met een vermogen dat een stuk lager is dan dat van de andere inwoners.
In gemeenten die door een relatief hoog doorsnee vermogen worden gekenmerkt, is de vermogensongelijkheid betrekkelijk laag. In gemeenten waarin naar verhouding veel ouderen wonen die gedurende hun leven een vermogen hebben kunnen opbouwen, liggen de vermogens doorgaans dichter bij elkaar. Dit zijn meestal kleine gemeenten, zoals Reusel-De Mierden en Oirschot in Noord-Brabant. De waarde van de Gini-coëfficiënt is in deze gemeenten 0,57.
Inkomensongelijkheid steeg vooral bij fiscale maatregelen
De ongelijkheid in inkomen liet in de jaren 2014, 2017, 2019 en 2023 een lichte stijging zien. Die pieken waren het gevolg van fiscale maatregelen voor directeur-grootaandeelhouders in die jaren. Afgezien van die pieken is door het verstrekken van sociale uitkeringen en het innen van belastingen en premies de inkomensongelijkheid in de periode 2011-2021 vrijwel niet veranderd. De lagere Gini-coëfficiënt in 2022 had te maken met de energiemaatregelen in dat jaar. Bijstandsontvangers en andere huishoudens met weinig inkomen kregen een energietoeslag om de sterk gestegen energiekosten te kunnen betalen. Door de energiemaatregelen steeg de koopkracht van huishoudens onderaan de inkomensladder, met als gevolg dat de inkomensverschillen kleiner werden.
Meeste inkomensongelijkheid in rijke gemeenten
In gemeenten met een gemiddeld hoog gestandaardiseerd besteedbaar inkomen, zoals Bloemendaal, Laren, Blaricum en Wassenaar, ligt de inkomensongelijkheid met een Gini-coëfficiënt van meer dan 0,50 ver boven de landelijke. Niet alleen in rijke gemeenten, maar ook in studentensteden, inclusief de vier grote steden, lopen de inkomens vaak bovenmatig uiteen. Daar is relatief veel verschil tussen het doorgaans geringe inkomen van studentenhuishoudens en dat van andere inwoners.
In gemeenten met relatief veel ouderen met overwegend lage inkomens liggen de inkomens doorgaans juist dicht bij elkaar. Zo hebben vergrijsde gemeenten in de regio Parkstad Limburg, zoals Landgraaf, Brunssum en Kerkrade, een naar verhouding kleine ongelijkheid. Ook in gemeenten in het noorden van Nederland (zoals Pekela) is de ongelijkheid om die reden beperkt.
In Nederland minder inkomensverschillen dan gemiddelde in EU
Nederland neemt in 2024 de vijfde plaats in bij de rangorde van EU-lidstaten op inkomensongelijkheid van laag naar hoog. In Slowakije is de minste ongelijkheid, gevolgd door Tsjechië en Slovenië. In deze Oost-Europese lidstaten gaat een verhoudingsgewijs laag gemiddeld inkomen samen met weinig inkomensverschillen. In andere Oost-Europese landen is het inkomen eveneens gering, maar is de ongelijkheid juist groot. Bulgarije spant daarbij de kroon. Ook sommige Zuid-Europese lidstaten, zoals Portugal en Griekenland, zijn minder welvarend terwijl de inkomensverschillen groot zijn. De noordelijke lidstaten behoren traditioneel tot de top-10 van lidstaten met minste ongelijkheid. Daar wordt verhoudingsgewijs veel inkomen herverdeeld.
*De Gini-coëfficiënt is een maatstaf die de inkomens- en vermogensongelijkheid in een land weergeeft. De waarde varieert tussen 0 en 1, waarbij 0 staat voor volledige gelijkheid en 1 voor volledige ongelijkheid.
Bronnen
- CBS (2026). StatLine: Ongelijkheid in inkomen en vermogen; huishoudens.
- Eurostat (2026). Gini coefficient of equivalised disposable income.
Relevante informatie
- Meer informatie over inkomen en vermogen is te vinden in de databank StatLine van het CBS en de publicatie Materiële welvaart in Nederland.
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Vermogens- en inkomensongelijkheid, 2011-2024
- Omschrijving
Ontwikkeling van vermogensongelijkheid en inkomensongelijkheid in Nederland beschreven met de Gini coëfficiënt.
- Verantwoordelijk instituut
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
- Berekeningswijze
Het vermogen is het saldo van bezittingen en schulden. Bezittingen worden gevormd door bank- en spaartegoeden, effecten, de eigen woning, overig onroerend goed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang en de overige bezittingen. De schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van een eigen woning en consumptief krediet.
Het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Deze correctie vindt plaats met behulp van equivalentiefactoren. In de equivalentiefactor komen de schaalvoordelen tot uitdrukking die het gevolg zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Met behulp van de equivalentiefactoren worden alle inkomens herleid tot het inkomen van een eenpersoonshuishouden. Op deze wijze is het welvaartsniveau van verschillende typen huishoudens onderling vergelijkbaar gemaakt. Het gestandaardiseerd inkomen is een maat voor de welvaart van (de leden van) een huishouden.
De Ginicoëfficiënt is een maatstaf voor ongelijkheid. De Ginicoëfficiënt wordt berekend door de helft van het gemiddelde absolute verschil in inkomen/vermogen tussen huishoudens te normaliseren. In een verdeling zonder negatieve waarden wordt daarbij gedeeld door het gemiddelde. In een verdeling met negatieve waarden is dat het gemiddelde van alle absolute waarden. De waarde van de Ginicoëfficiënt ligt zodoende altijd tussen 0 (volkomen gelijke verdeling) en 1 (volkomen ongelijke verdeling).
- Basistabel
Statlinetabel met kencijfers inkomen en vermogen van particuliere huishoudens: Ongelijkheid in inkomen en vermogen; huishoudens.
- Geografische verdeling
Nederland, gemeenten
- Verschijningsfrequentie
2-jaarlijks
- Opmerking
2011-2023 definitieve cijfers.
2024; voorlopige cijfers.- Betrouwbaarheidscodering
B (schatting gebaseerd op een groot aantal zeer accurate metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is).
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2026). Vermogens- en inkomensongelijkheid, 2011 - 2024 (indicator 2191, versie 04, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.