Compendium voor de Leefomgeving
494 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Luchtkwaliteit

Onzekerheden emissies naar lucht, 1990 - 2013

Emissiegegevens kunnen niet exact worden gemeten of berekend. Onzekerheden zijn onvermijdelijk. Belangrijk is om wel aan te geven hoe groot die onzekerheden zijn.

Onzekerheid in de emissies van broeikasgassen

In de onderstaande tabel vindt u voor broeikasgassen de onzekerheden in de jaarlijkse emissies en in de emissietrend 1990-2013. De onzekerheid voor de genoemde emissies is uitgedrukt in het zogenaamde betrouwbaarheidsinterval van 95%. Dit betekent dat de exacte emissie niet bekend is, maar zeer waarschijnlijk in een interval ligt van de gerapporteerde waarde plus of min het genoemde percentage. Het woord "zeer waarschijnlijk" is een afspraak over communicatie van onzekerheden afkomstig uit de IPCC, en duidt op een statistische significantie van 95%.

Stof 95% betrouwbaarheidsinterval
  Onzekerheid in
jaarlijkse emissies1) 3)
Trend in emissies
1990-2013 3)
Onzekerheid in trend
1990-20132) 3)
       
CO2 ±3% +5% ±2%
CH4 ±25% -41% ±6%
N2O ±50% -54% ±7%
Fluorhoudende gassen ±50% -70% ±11%
Alle broeikasgassen (CO2 eq.) ±5% -9% ±2% 4)
Bron: Van der Maas et al., 2015. PBL/CLO/feb15
1)Gecorrigeerd voor mogelijke afhankelijkheden tussen emissiebronnen (Van der Maas et al., 2015).
2) Voor de fluorhoudende gassen heeft de trend betrekking op de periode 1995-2013.
3) Exclusief emissies door veranderd landgebruik en bos (LULUCF). Voor meer informatie over de onzekerheden in de jaarlijkse emissies en in de emissietrend, zie Van der Maas et al., 2015.
4) Een onzekerheid van 2% in de emissietrend van de broeikasgassen betekent een range van -14 tot
-10% in de emissietrend.

Onzekerheid in de emissies van verzurende stoffen

Voor de onzekerheden in de emissies van verzurende stoffen naar lucht is een studie uitgevoerd door TNO in samenwerking met Universiteit Utrecht (TNO, 2004). De inschatting van de onzekerheden van verzurende stoffen is gecorrigeerd voor mogelijke afhankelijkheden tussen emissiebronnen. Naast de getalsmatige onderbouwing van de onzekerheid is ook informatie beschikbaar over de kwaliteit van de onderliggende kennisbasis. Door deze informatie te combineren in een zogenaamd 'diagnostic diagram' kan zicht gekregen worden op welke emissiebronnen in de toekomst beter onderzocht kunnen worden (zie Figuur 1.3 in Jimmink et al. 2015). Voor de emissies naar lucht van andere stoffen, onder meer voor de thema's Vermesting en Verspreiding, zijn nog geen onzekerheidsanalyses uitgevoerd. Ook voor de emissies naar water en bodem zijn nog geen soortgelijke onzekerheidsanalyses uitgevoerd.

Stof 95% betrouwbaarheidsinterval
  Onzekerheid in jaarlijkse emissies
   
NH3 ±17%
NOx ±15%
SO2 ±6%
Verzurende stoffen (zuurequivalenten) ±10%
Bron: TNO, 2004. PBL/CLO/feb15


De onzekerheden zijn bepaald met de Tier 1-methodiek...
De onzekerheden in de jaarlijkse emissies naar lucht voor het milieuthema Klimaatverandering zijn bepaald volgens de zogenaamde Tier 1-methodiek (IPCC, 2000). Dit is een eenvoudige methode, die wordt geadviseerd door de IPCC.
Bij de Tier 1-methode wordt de onzekerheid van de belangrijkste bronnen (key sources) door experts aangeleverd. Voor kleinere bronnen worden standaard waarden (IPCC, 2000) voor onzekerheid gehanteerd. Het is dus een top-down benadering, die gebruikt wordt omdat het ondoenlijk is om voor alle emissiebronnen onzekerheidscijfers aan te leveren. Aannames hierbij zijn dat alle verdelingen als normaal worden gehanteerd, er geen afhankelijkheden tussen bronnen bestaan en dat de onzekerheden kleiner dan 60% zijn.
De resultaten van deze onzekerheidsanalyses worden gebruikt bij de prioritering van verbeterstudies in de Emissieregistratie (Van der Maas et al., 2015; Jimmink et al., 2015).

...en met de Tier 2-methodiek

Als de belangrijkste oorzaken van onzekerheid beter bekend zijn, kan een meer gedetailleerde methode worden toegepast: de Tier 2-methode van de IPCC. In deze berekeningen wordt wel rekening gehouden met afhankelijkheden tussen bronnen en worden zogenaamde waarschijnlijkheidsverdelingen (pdf's) toegepast. Dit is zowel voor de broeikasgassen als voor de verzurende stoffen uitgevoerd. De uitkomsten van de Tier 2-studie voor broeikasgassen waren in lijn met de uitkomsten van de Tier 1-analyse van de onzekerheden per broeikasgas (zie Olivier et al., 2009), maar de onzekerheid in de trend was wel iets hoger (4,5% in plaats van 3%). Ook de resultaten van de TNO-studie naar de onzekerheden voor verzurende stoffen (TNO, 2004) wijken niet veel af van de resultaten van de Tier 1-analyse die eerder was uitgevoerd door het RIVM (RIVM, 2002), Dit komt vooral omdat voor NH3 bij de Tier 1-analyse al rekening was gehouden met afhankelijkheden tussen bronnen.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Onzekerheden in emissiecijfers

Omschrijving

Resultaten van onderzoeken naar de onzekerheid in de uitstoot van broeikasgassen en verzurende stoffen in Nederland

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving obv RIVM rapporten

Berekeningswijze

Zie Maas et al., 2015 en Jimmink et al., 2015 voor details.

Basistabel

Idem.

Andere variabelen

Onzekerheden per stof en per sector

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks, volgend op de beschikbaarheid van de bovengenoemde RIVM rapporten

Achtergrondliteratuur

TNO (2004). Uncertainty assessment of NOx, SO2 and NH3 emissions in the Netherlands. TNO report R 2004/100, Apeldoorn.
J.G.J. Olivier, L.J. Brandes and R.A.B. te Molder (2009). Uncertainty in the Netherlands' greenhouse gas emissions inventory Estimation of the uncertainty about annual data and trend scenarios, using the IPCC Tier 1 approach
En Maas et al., 2015 en Jimmink et al., 2015. Zie referenties bij deze webpagina.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2016). Onzekerheden emissies naar lucht, 1990 - 2013 (indicator 0088, versie 13 , 24 februari 2016 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.