Compendium voor de Leefomgeving
460 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Verzuring en vermesting

Verzurende depositie, 1981-2001

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De depositie van verzurende stoffen is het afgelopen jaar verder afgenomen. Desondanks ligt de zure depositie nog boven de doelstelling voor 2010.

Verzurende depositie blijft dalen

De gemiddelde depositie van verzurende stoffen is in de periode 1981-2001 gehalveerd. In het begin van de jaren tachtig bedroeg de zure depositie nog 6.000 mol/ha, in 2001 was dit net iets minder dan 3.200 mol/ha. De doelstelling voor 2010 van 2.150 mol/ha is hiermee echter nog niet bereikt.

Grote regionale verschillen in verzurende depositie

Regionaal komen grote verschillen voor in de depositie van verzurende stoffen. Vooral in gebieden met intensieve veehouderij, zoals de Peel en de Gelderse Vallei, kunnen deposities voorkomen van meer dan 5.000 mol/ha. Deze hoge depositie wordt vooral veroorzaakt door de bijdrage van de hoge ammoniakuitstoot (NH3) ter plaatse. De hoge emissie van zwaveldioxide (SO2) en van stikstofoxiden (NOx) in het Rijnmondgebied is de oorzaak van de hogere depositie in dat gebied.

Oorzaken afname van de depositie

De depositie van verzurende stoffen is vooral afgenomen door de sterke reductie van de uitstoot van zwaveldioxide. De emissies van stikstofoxiden en ammoniak zijn minder sterk gedaald. Het relatieve belang van de stikstofverbindingen (NH3 en NOx) in de zuurdepositie, is door deze ontwikkelingen toegenomen van 53% in 1981 naar 76% in 2001.

  • De daling in de zure depositie is vooral het gevolg van de sterke reductie van de SO2-emissie in binnen- en buitenland sinds 1980. Voor 1990 namen de SO2-emissies sterk af door overschakeling van kolen op gas door raffinaderijen en energiecentrales. Maatregelen als rookgasontzwavelingsinstallaties hebben geleid tot een verdere daling van de SO2-emissies. De reductie van SO2-emissie in Nederland sinds 1980 bedraagt ruim 80%.
  • De emissie van NOx in Nederland daalde sinds 1980 met meer dan 30%. Deze daling is het resultaat van maatregelen bij verkeer, zoals de invoering van de katalysator aan het eind van de jaren tachtig, industrie en energie.
  • De emissie van NH3 door agrarische bronnen in Nederland is in dezelfde periode met 40% gedaald. Vooral de laatste acht jaar hebben emissiebeperkende maatregelen voor een daling gezorgd. Tot deze maatregelen behoren verbeterde voersamenstelling, het gebruik van emissiearme stallen, het afdekken van mestsilo's en het direct onderwerken van mest bij de aanwending.

Schade door zure depositie

Overmatige depositie van zuur kan leiden tot een verandering van de samenstelling van de vegetatie, verminderde bosvitaliteit en achteruitgang in biodiversiteit. De stikstofverbindingen dragen tevens bij aan vermesting van natuurlijke ecosystemen.

Beleid

De doelstelling voor de depositie van verzurende stoffen is 2.150 mol zuur/ha gemiddeld over de Nederlandse ecosystemen in 2010. 20% van het areaal Nederlandse natuur is dan volledig beschermd (VROM, 2001).

Referenties

  • RIVM/MNP, (2003). Berekeningen door het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM voor het Milieucompendium. RIVM/MNP, Bilthoven.
  • VROM (2001). Nationaal Milieubeleidsplan 4. Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid. Ministerie van VROM, Den Haag.

Technische toelichting

Technische toelichting

De depositieberekeningen zijn voor alle jaren herberekend met het atmosferisch transport- en depositiemodel OPS (Operationeel Prioritaire Stoffen-model). Hierbij is gebruik gemaakt van ruimtelijk gedetailleerde emissiegegevens. De rekenmethode wijkt af van vorige jaren. Voorheen werd de depositie berekend op basis van metingen en werd er bovendien een basische kationencorrectie toegepast. Nu worden de deposities berekent op basis van emissies, aangevuld met achtergronddeposities en wordt geen basische kationencorrectie toegepast. Bovendien is een correctie uitgevoerd voor het ammoniakgat en de natuurlijke achtergronddepositie. In vergelijking met eerdere publicaties zijn de nieuwe berekeningen van zure depositie 10 tot 15% lager in de jaren '80, vooral als gevolg van lager berekende SOx-deposities. De laatste jaren daarentegen zijn de berekende zure depositie ongeveer 10% hoger dan in vorige publicaties. Alle cijfers in deze indicator hebben betrekking op zogenaamd potentieel zuur. Potentieel zuur is gedefinieerd als de maximale verzuring die zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak in bodem en water teweeg kunnen brengen. De daadwerkelijke verzuring in bodem en water kan lager zijn. Deze hangt af van een aantal processen en van de opname van de stoffen door planten.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2003). Verzurende depositie, 1981-2001 (indicator 0184, versie 04 , 15 december 2003 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.