Compendium voor de Leefomgeving
461 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Klimaatverandering

Temperatuur in Nederland en mondiaal, 1907 - 2019

De jaargemiddelde temperatuur in Nederland is sinds 1907 met 2,1 °C toegenomen. De zomer is het sterkst opgewarmd, gevolgd door de lente en herfst. De wereldgemiddelde temperatuur is over de periode 1907-2019 met circa 1,0 °C gestegen. De belangrijkste reden voor de trendmatige toename van de gemiddelde temperatuur op aarde in de laatste 50 jaar is zeer waarschijnlijk het door de mens veroorzaakte versterkte broeikaseffect.

Temperatuurstijging in Nederland zet onverminderd door

De jaargemiddelde temperatuur in Nederland is trendmatig toegenomen en ligt in 2019
2,1 ± 0,6 °C hoger dan ruim een eeuw geleden, in 1907. Deze opwarming is statistisch sterk significant. De afgelopen 25 jaar is die stijging gemiddeld 0,04 °C per jaar geweest. Het jaar 2014 was veruit het warmste jaar sinds het begin van de meetreeks, direct gevolgd door de jaren 2018 en 2019.

Opwarming verschillend verdeeld over de seizoenen.

Het patroon van stijgende temperaturen zien we ook terug in de gemiddelde temperatuur per seizoen. Wel is de opwarming verschillend verdeeld over de seizoenen. De sterkste
opwarming vindt plaats in de zomer, namelijk 2,7 °C over de periode 1907-2019. Warmste zomers vonden plaats in de jaren 2003 en 2018, direct gevolgd door de zomer van 2019.
De opwarming per seizoen ziet er als volgt uit (opwarming met 95%-onzekerheid):

  • Opwarming in de lente 1907-2019: 2,0 ± 0,8 °C
  • Opwarming in de zomer 1907-2019: 2,7 ± 0,7 °C.
  • Opwarming in de herfst 1907-2019: 2.0 ± 0,5 °C
  • Opwarming in de winter 1907-2020: 1,8 ± 1,3 °C.

Verder blijkt de variabiliteit van wintertemperaturen rond de langjarige trend veruit het grootst. Koude winters kunnen daarom nog steeds voorkomen in het huidige Nederlandse klimaat. De warmste winters in de reeks sinds 1907 zijn de winters 2006/2007, 2019/2020, 2015/2016 en 2013/2014, allen met gemiddelde temperaturen boven de 6 graden. Meer details zijn gegeven in de tabel in de Technische toelichting en ook in de indicator over koude- en warmte-extreme temperaturen in Nederland:
 Temperatuurextremen in Nederland, 1907-2019

De temperatuur stijgt ook mondiaal

De afgelopen eeuw is de mondiale temperatuur sterk gestegen. De figuur geeft de wereldgemiddelde temperatuur volgens vijf datasets, over de periode 1880-2019. Het IPCC concludeert dat de drie decennia 1980-1989, 1990-1999 en 2000-2009 steeds warmer werden. Elk van deze decennia was warmer dan alle voorgaande decennia sinds 1880 (IPCC, 2013). Onderzoekers schatten de toename in het jaar 2016 rond de 1.0 ºC boven het niveau van de temperatuur in het pre-industriële tijdperk (Haustein et al., 2017; Visser et al., 2018).
Een maandelijkse update van deze toename wordt gegeven door Haustein et al. en bedraagt 1.1 °C. (waarde berekend tot en met september 2019). Voor de meest actuele waarde zie http://www.globalwarmingindex.org/ .
De opwarming van de aarde verloopt niet in een constant tempo, maar is aan schommelingen onderhevig. Zo'n variatie in het waargenomen temperatuurverloop is niet uniek en kan worden verklaard door natuurlijke fluctuaties (PBL/KNMI, 2015 - hoofdstuk 1). Na een versnelling aan het eind van de vorige eeuw verliep de opwarming langzamer over de periode 1998-2012. Vanaf het jaar 2013 is de mondiale temperatuur weer sterk gaan stijgen.
Voor de datasets uit de figuur geeft het jaar 2016 de hoogste jaargemiddelde temperatuur sinds 1880, direct gevolgd door respectievelijk de jaren 2019, 2015 en 2017. Voor het verloop van de temperatuur op aarde vanaf 1880 op de wereldkaart, zie deze NASA-animaties .

De wereldgemiddelde temperatuur is als indicator onderdeel van het 'Parijs-akkoord' dat in december 2015 ondertekend werd door 195 landen. In het akkoord staat het doel om de toename van de wereldgemiddelde temperatuur te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius boven het niveau van de temperatuur in het pre-industriële tijdperk, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Hierbij moet worden opgemerkt dat er geen eenduidigheid bestaat over het jaartal waarop het pre-industriële tijdperk is geëindigd. Een praktische definitie is het temperatuurgemiddelde over het tijdvak 1850-1900 zoals gekozen in IPCC (2018).

Nederland warmt sneller op dan mondiaal

De opwarming sinds 1950 in Nederland is bij benadering twee keer zo groot als de mondiale opwarming (Oldenborgh et al. 2003, 2009). Dat klopt ook als de meest recente cijfers gebruikt worden over de gehele periode 1907-2019: de jaargemiddelde opwarming in Nederland bedraagt trendmatig 2,1 °C, tegenover de 1,0 °C voor het wereldgemiddelde (berekening volgens methode Haustein et al.).
Men zou kunnen denken dat de opwarming in Nederland (en omstreken) ongeveer even snel zou moeten verlopen als de stijging van de wereldgemiddelde temperatuur. Nederland ligt immers op middelbare breedte en staat onder invloed van zowel land als van zee.
De veel snellere opwarming in Nederland wordt hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt doordat landmassa's meer opwarmen dan de oceanen. Verder heeft Nederland - net als andere delen van West-Europa - sinds 1950 te maken met meer (zuid)westenwind in de late winter en het vroege voorjaar, minder bewolking, stijgende temperaturen van het Noordzeewater en een toename in de hoeveelheid zonnestraling (door schonere lucht) in het voorjaar en de zomer (PBL, 2012).

Oorzaken van de temperatuurstijging

De belangrijkste reden voor de trendmatige toename van de gemiddelde temperatuur op aarde in de laatste 50 jaar is zeer waarschijnlijk het door de mens veroorzaakte versterkte broeikaseffect. Dit versterkte broeikaseffect is een gevolg van de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer.
Daarnaast zijn er ook natuurlijke processen die vooral de jaarlijkse fluctuaties in de gemiddelde jaarlijkse temperatuur op aarde verklaren. Dit zijn bijvoorbeeld variaties in de sterkte van de zonnestraling, het optreden van vulkaanuitbarstingen, El Nino's en chaotische fluctuaties in het klimaat (IPCC, 2013 en 2018).

Veel natuurlijke factoren die van invloed zijn op de mondiale temperatuur, zoals El Nino en La Nina, hebben geen of zeer beperkte invloed op de temperatuur in Nederland. Die wordt veel meer bepaald door veranderingen in de luchtstromen in onze omgeving en door de temperatuur van de Noordzee.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Temperatuur in Nederland en wereldwijd

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), auteur: Hans Visser

Berekeningswijze

Temperatuur in Nederland

De temperatuurreeksen voor Nederland zijn gebaseerd op dagelijkse temperatuurmetingen van het KNMI voor vijf gehomogeniseerde temperatuurstations vanaf 1906.

Deze stations zijn De Bilt, De Kooy (reeks begonnen in Den Helder tot 1972), Eelde (reeks begonnen in Groningen tot 1951), Vlissingen en Beek (reeks begonnen in Maastricht tot 1951). Het homogenisatie-proces is beschreven in Brandsma (2016a,b). De jaar- en seizoensreeksen zijn berekend en gedownload vanaf de KNMI-website 'Climate Explorer'.

We merken op dat de homogenisatie van de vijf hoofdstations - uitgevoerd door het KNMI in 2016 - aangevochten is wat betreft de correcties voor station De Bilt rond 1950, toen een zogenaamde pagode-hut werd vervangen door een Stephenson-hut met iets andere ventilatie-karakteristieken, naast een kleine verplaatsing van de hut op het meetveld van het KNMI (Dijkstra et al, 2019).

Hierop is overtuigend gereageerd door het KNMI (Brandsma, 2019). Statistische trendgegevens voor de jaar- en seizoenstemperatuurreeksen zijn samengevat in onderstaande tabel. De trends zijn weergegeven in de figuren. Daarbij zijn ook onzekerheden weergegeven.

In bijgevoegde tabel is nog meer onzekerheidsinformatie vermeld. Een trendwaarde in een jaar wordt in de tabel aangeduid met de griekse letter μ. Dus het verschil [μ2019 - μ1970] staat voor het trendverschil tussen de jaren 2019 en 1970. De aangegeven onzekerheden zijn steeds 95%-onzekerheidsmarges (de zogenaamde 2-sigma--grenzen).

Trend-kengetallen Nederland Lente
(± 2*sigma)
oC
Zomer
(± 2*sigma)
oC
Herfst
(± 2*sigma)
oC
Winter
(± 2*sigma)
oC
Jaar
(± 2*sigma)
oC
           
Trendverschil
2019 - μ1970]
2,0 ± 0,6 1,8 ± 0,6 0,9 ± 0,2 1,9 ± 1,2 1,7 ± 0,5
Trendverschil
2097 - μ1907]
2,0 ± 0,8 2,7 ± 0,7 2,o ± 0,5 1,8 ± 1,3 2,1 ± 0,6
standaard-deviatie van residuen 0,9 0,8 0,9 1,8 0,6
Minimum waarde 1907-2019 6,4 (in 1955) 14,1 (in 1907) 7,8 (in 1919) -3,0 (in 1963) 7,7 (in 1963)
Maximum waarde 1907-2019 11,4 (in 2007) 18,8 (in 2003) 13,9 (in 2006) 6,6 (in 2007) 11,7 (in 2014)
Patroon trend
1907-2019
Stabiel tot 1970, daarna snel stijgend Stijgend tot 1950, dan stabiel tot 1970, en daarna snel stijgend Lineair stijgend over hele periode Stabiel tot 1970, daarna licht stijgend Licht stijgend tot 1970 en snel stijgend daarna

Wereldgemiddelde temperaturen

Voor de wereldgemiddelde temperaturen zijn vijf reeksen gebruikt, afkomstig van verschillende onderzoeksgroepen. De reeksen zijn zo geschaald dat ze een gemiddelde van 0.0 hebben over de periode 1961-1990. Het werkelijke wereldgemiddelde over deze periode ligt rond de 15 °C.

De reeksen worden aangeduid (met versienummer) als HadCRUT4 (CRU, versie 4.6), HadCRUT4 aangepast door Cowtan and Way (versie 2), LOTI-reeks van NASA-GISSTEMP-v4 (Lenssen et al., 2019), NOAA-v4 volgens Karl et al., en de reeks van het Berkeley Earth Project. Voor informatie en literatuurverwijzingen zie Visser et al. (2018, tabel 1 en literatuurlijst).

IPCC (2013 - SPM) geeft de opwarming van de aarde over de periode 1880-2012 op basis van drie datasets (HadCRUT4, LOTI en NOAA). Op basis van lineaire trends vinden zijn een opwarming over deze periode van 0.85 [0.65 tot 1.06] °C. De onzekerheidsband geeft hier een 90%-betrouwbaarheids-interval. Deze schatting is geüpdate door Visser et al. (2018, tabel 2) voor de periode 1880-2016. Hier worden schattingen gegeven voor de vijf temperatuurreeksen en vier methoden om trends te schatten.

In het kader van de Parijs-doelstellingen schatten Visser et al. de toename in de wereldtemperatuur sinds pre-industrieel op 1.00 [0.87, 1.13] ºC in het jaar 2016. Haustein et al. (2017) komen volgens een andere benadering op een vergelijkbare toename, namelijk 1.01 [0.87, 1.22] ºC. Zie ook Hawkins et al. (2017), Rahmstorf et al. (2017) en Schurer et al. (2017). Haustein geeft op zijn website maandelijkse updates met daarbij een uitleg van zijn methode, zie http://www.globalwarmingindex.org/ .

De vijf jaargemiddelde temperatuurreeksen voor de wereldtemperatuur zijn te downloaden van de KNMI Climate Exporer website, of van de websites van de onderzoeksinstituten. Voor meer informatie zie Visser et al. (2018).

Trendmethode

De trends in de jaar- en seizoenstemperatuurreeksen zijn geschat met het zogenaamde IRW-trendmodel. Dit trendmodel heeft als groot voordeel dat naast een trendschatting over de hele meetperiode ook onzekerheids-informatie voor handen is. Het model geeft niet alleen onzekerheidsbanden voor trendwaarden μt, met 't' het jaartal, maar ook voor trendverschillen (zoals gegeven in de tabel). De flexibiliteit van de IRW-trend wordt bepaald door de zogenaamde een-staps-vooruit-voorspelfouten. Voor elk punt in de tijd wordt een trendvoorspelling gedaan voor het volgende jaar. Die voorspelling wordt vergeleken met de meetwaarde voor dat zelfde jaar. Zo ontstaat voor elk jaar in de meetreeks een voorspelfout. De som van gekwadrateerde voorspelfouten wordt nu zo klein mogelijk gehouden door het toegepaste Kalmanfilter.

Voor details zie Visser (2004), en Visser en Petersen (2012).

Het zij opgemerkt dat er verschillende methodes bestaan om trends in data te schatten. Naast de hier toegepaste IRW-trend geeft de klimaatliteratuur ook andere methodes zoals glijdend middelen over bijvoorbeeld 10 jaar, LOESS trends en polynoom-fits (Visser en Petersen, 2012). In veel gevallen zullen trendschattingen via verschillende methodes hetzelfde patroon geven. Soms kunnen resultaten afwijken, vooral aan het eind van de reeks (Visser et al., 2015). Bij het IRW-model wordt deze onzekerheid expliciet gemodelleerd.

Geografisch verdeling

Nederland, wereld

Verschijningsfrequentie

tweejaarlijks

Achtergrondliteratuur

Brandsma, T., 2019. Pagodemetingen in De Bilt. Meteorologica 1, 12-16. Dijkstra, F., J. Ruis, R. de Vos en M. Crok, 2019. Het raadsel van de verdwenen hittegolven. Rapport Stichting Clintel. Hawkins, E., P. Ortega, E. Suckling, A. Schurer, G. Hegerl, P.D. Jones, M. Joshi, T. Osborn, V. Masson-Delmotte, J. Mignon, P. Thorne and G.J. van Oldenborgh (2017). Estimating changes in global temperature since the pre-industrial period. Bull. Amer. Meteor. Soc., doi:10.1175/BAMS-D-16-0007, 1841-1856. Rahmstorf, S., G. Forster and N. Cahill (2017). Global temperature evolution: recent trends and some pitfalls. Environ. Res. Lett., 12, 054001. Schurer, A.P., M.E. Mann, E. Hawkins, S.F.B. Tett and G.C. Hegerl (2017). Importance of the pre-industrial baseline for likelihood of exceeding Paris goals. Nature Climate Change, doi:10.1038/NCLIME3345.

Betrouwbaarheidscodering

Hoofdstations Nederland: B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is. Wereldtemperaturen: C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2020). Temperatuur in Nederland en mondiaal, 1907 - 2019 (indicator 0226, versie 14 , 21 april 2020 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.