Temperatuur in Nederland en mondiaal, 1907-2024

De jaargemiddelde temperatuur in Nederland is sinds 1906 met ongeveer 2,5 °C gestegen. De opwarming is het sterkst in de zomer, gevolgd door de herfst. Mondiaal ligt de gemiddelde temperatuur over de laatste tien naar circa 1,4 °C boven het pre-industriële niveau (1850-1900), waarbij 2024 het warmste jaar was. De belangrijkste oorzaak van de trendmatige stijging van de mondiale temperatuur in de afgelopen vijftig jaar is het door de mens versterkte broeikaseffect. Toch kan de recordwarmte van 2024 (en 2023) niet alleen daardoor verklaard worden.

Temperatuurstijging in Nederland zet onverminderd door

De jaargemiddelde temperatuur in Nederland vertoont een duidelijke stijgende trend en ligt in 2025 ongeveer 2,5 ± 0,6 °C hoger dan rond 1906. Over de periode 1906-2025 bedraagt de stijging gemiddeld circa 0,02 °C per jaar. In Nederland was 2024 het warmste jaar sinds het begin van de meetreeks (gemiddeld 11,8 °C). Daarna volgen de jaren 2014, 2020, 2022 en 2023, met elk een jaargemiddelde van circa 11,7 °C. De tien warmste jaren sinds 1906 liggen in de laatste twee decennia.  

Opwarming verschilt per seizoen

De stijgende trend is zichtbaar in alle seizoenen, maar de mate van opwarming verschilt. De grootste temperatuurstijging treedt op in de zomer, met circa +3,0 °C over de periode 1906–2025. De warmste zomers waren die van 2003 en 2018, gevolgd door 2022 en 2025. Hierbij de opmerking dat de warmste dag sinds de metingen was op 25 juli 2019 (zie ook  Extreme temperatuur in Nederland). 

Gemiddelde opwarming per seizoen (met 95%-onzekerheidsmarge):

  • lente: 2,3 ± 0,8 °C
  • zomer: 3,0 ± 0,7 °C
  • herfst: 2,5 ± 0,8 °C
  • winter: 2,2 ± 1,4 °C

De relatief grote onzekerheid in de winter hangt samen met de grotere natuurlijke variabiliteit in dat seizoen. De warmste winters zijn, in aflopende volgorde, de winters van 2007, 2020, 2016, 2024 en 2014, allen met gemiddelde temperaturen boven de 6 graden. Koude winters komen steeds minder vaak voor. Recente koude winters waren 2010 (1,2 °C) en 1996 (net onder het vriespunt). Tot de jaren zeventig was ongeveer de helft van de winters kouder dan 2,5 °C; tegenwoordig komt dat nog maar ongeveer eens per tien jaar voor.

Meer details staan in de technische toelichting. 

Aanvullende informatie

Aanvullende informatie is te vinden op de KNMI-website ‘Staat van het Klimaat’ (KNMI,2026) en het KNMI-dashboard (KNMI - Klimaat van Nederland) waar temperatuurinformatie gegeven wordt. Op deze websites worden ook trends in neerslag, droogte, zonnestraling, windsnelheden en relatieve vochtigheid gegeven. 

Ook ruimtelijk gezien zijn er verschillen in temperatuurverloop binnen Nederland. De grootste temperatuurstijging is waargenomen in Zeeland, de kleinste in Drenthe en Groningen. Voor meer informatie over deze verschillen verwijzen we naar de Bosatlas van Weer en Klimaat (2021 – pagina’s 49 en 53). 

Mondiale temperatuurstijging

In het Klimaatakkoord van Parijs (2015) is afgesproken de stijging van de mondiale gemiddelde temperatuur te beperken tot ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau, met het streven de opwarming te beperken tot 1,5 °C. (zie de stippellijnen in de zesde figuur). (IPCC, 2018)

Op basis van een gemiddelde van een drietal temperatuurreeksen (WMO, 2025) zien we dat de mondiale gemiddelde trendmatige temperatuur in 2024 met 1,4 oC is gestegen, ten opzichte van pre-industriële tijdperk (1850-1900) (zie zesde figuur, waarbij nullijn het gemiddelde is over de periode 1850-1900). En de opwarming gaat steeds sneller, in de laatste 30 jaar 0,3 graad per 10 jaar; gemiddeld over periode 1971 tot 2000 bedroeg nog 0,2 graad per 10 jaar (KNMI, 2025). Daarbij is de opwarming boven land groter dan boven de oceanen. Voor het ruimtelijk patroon van de temperatuurstijging op aarde verwijzen we naar de wereldkaart op deze NASA-website

De jaren 2024 en 2023 waren mondiaal de warmste jaren sinds 1850, namelijk een toename van rond 1,5 °C.

Oorzaken van de opwarming 

De trendmatige mondiale opwarming, en ook die in Nederland, wordt vooral veroorzaakt door de mens, met name de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer (IPCC, 2021; KNMI, 2026). Toch kan de recordwarmte van de afgelopen twee jaar niet alleen daardoor verklaard worden. Andere oorzaken zijn (i) een afname van de hoeveelheid lage bewolking (deels door mens, deels natuurlijke oorzaak) waardoor meer zonlicht het aardoppervlak bereikte en (ii) een schonere lucht door een sterke afname van de mondiale zwaveluitstoot waardoor er minder zwaveldeeltjes in de lucht zijn die een afkoelende werking hebben. 

Verder kunnen kleine jaar-op-jaar variaties rond de mondiale temperatuurtrend, ter grootte van 0,1 tot 0,2 °C, worden verklaard periodieke schommelingen in oceaanstromingen die aangeduid worden met de termen El Niño en La Niña. 2023 en 2024 waren jaren met een sterke El Niño. De opwarming door andere natuurlijke oorzaken, zoals vulkanen en variaties in zonkracht, is zeer gering. Zie KNMI (2026b) voor meer informatie over de sterke temperatuurstijging in de periode 2023-2025.

Nederland warmt sneller op dan het mondiale gemiddelde 

De opwarming in Nederland is ongeveer twee keer zo groot als het mondiale gemiddelde, circa 2,5 °C tegenover 1,4 °C. Dit komt onder meer doordat Nederland, net als andere delen van West-Europa, sinds 1950 te maken met meer (zuid)westenwind in de late winter en het vroege voorjaar, minder bewolking, stijgende temperaturen van het Noordzeewater en een toename in de hoeveelheid zonnestraling (door schonere lucht en door minder bewolking) in het voorjaar en de zomer. Deze factoren versterken de regionale opwarming ten opzichte van het wereldgemiddelde. Zie voor meer informatie: Oldenborgh en Van Uden (2003), Oldenborgh et al. (2009) en KNMI (2025).

Bronnen

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Temperatuur in Nederland en wereldwijd

Omschrijving

-

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)

  • Auteurs: Jelle van Minnen en Hans Visser
  • Review en goedkeuring: Koen Overmars
  • Coördinatie: Jan van Dam
  • Technische ondersteuning: Marian Abels en Raymond de Niet
Berekeningswijze

Temperatuur in Nederland
De temperatuurreeksen voor Nederland zijn gebaseerd op dagelijkse temperatuurmetingen van het KNMI voor vijf gehomogeniseerde temperatuurstations vanaf 1906. Deze stations zijn De Bilt, De Kooy (reeks begonnen in Den Helder tot 1972), Eelde (reeks begonnen in Groningen tot 1951), Vlissingen en Beek (reeks begonnen in Maastricht tot 1951). Het homogenisatie-proces is beschreven in Brandsma (2016). De jaar- en seizoensreeksen zijn gedownload vanaf de KNMI-klimaatdashboard (https://www.knmi.nl/klimaat ). 

We merken op dat de homogenisatie van de vijf hoofdstations, uitgevoerd door het KNMI in 2016, tot discussie geleid heeft wat betreft de correcties voor station De Bilt rond 1950, toen een zogenaamde pagode-hut werd vervangen door een Stephenson-hut met iets andere ventilatie-karakteristieken, naast een kleine verplaatsing van de hut op het meetveld van het KNMI (Dijkstra et al, 2019). Hierop is overtuigend gereageerd door het KNMI (Brandsma, 2019).

Statistische trendgegevens voor de jaar- en seizoens-temperatuurreeksen zijn samengevat in onderstaande tabel. De trends zijn weergegeven in de figuren. Daarbij zijn ook onzekerheden weergegeven. 

In bijgevoegde tabel is nog meer onzekerheidsinformatie vermeld. Een trendwaarde in een jaar wordt in de tabel aangeduid met de griekse letter μ. Dus het verschil [μ2022 - μ1970] staat voor het trendverschil tussen de jaren 2022 en 1970. De aangegeven onzekerheden zijn steeds 95%-onzekerheidsmarges (de zogenaamde 2-sigma-grenzen). 

 

Wegens technische problemen is de tabel nog niet toegevoegd, volgt zo spoedig mogelijk.

 
Wereldgemiddelde temperaturen
Voor de wereldgemiddelde temperaturen worden meetreeksen gebruikt, afkomstig van verschillende onderzoeksgroepen, en bij elkaar gezet door Wereld Meterologische Organisatie (WMO, https://wmo.int/resources/dashboards/global-mean-temperature-1850-2024 ). Deze reeksen blijken zeer dicht bij elkaar te liggen (Visser et al., 2018; IPCC (2021, figuur 3.4).

 

Trendmethode
De trends in de jaar- en seizoenstemperatuurreeksen zijn geschat met het zogenaamde IRW-trendmodel. Dit trendmodel heeft als groot voordeel dat naast een trendschatting over de hele meetperiode ook onzekerheids-informatie voor handen is. Het model geeft niet alleen onzekerheidsbanden voor trendwaarden μt, waar ‘t’ staat voor het jaartal , maar ook voor trendverschillen (zoals gegeven in de tabel). 

De flexibiliteit van de IRW-trend wordt bepaald door de zogenaamde een-staps-vooruit-voorspelfouten. Voor elk punt in de tijd wordt een trendvoorspelling gedaan voor het volgende jaar. Die voorspelling wordt vergeleken met de meetwaarde voor dat zelfde jaar. Zo ontstaat voor elk jaar in de meetreeks een voorspelfout. De som van gekwadrateerde voorspelfouten wordt nu zo klein mogelijk gehouden door het toegepaste Kalmanfilter. 

Voor details zie Visser (2004) én Visser en Petersen (2012). 

Er bestaan verschillende methodes om trends in data te schatten. Naast de hier toegepaste IRW-trend geeft de klimaatliteratuur ook andere methodes zoals glijdend middelen over bijvoorbeeld 10 jaar, LOESS trends en polynoom-fits (Visser en Petersen, 2012). In veel gevallen zullen trendschattingen via verschillende methodes hetzelfde patroon geven. Soms kunnen resultaten afwijken, vooral aan het eind van de reeks (Visser et al., 2015, figuren 1 en 2). Bij het IRW-model wordt deze onzekerheid expliciet gemodelleerd.

Het KNMI past op zijn klimaat-dashboard een LOESS-trend toe (De Valk, 2020). Zie: KNMI - Klimaatdashboard. Deze LOESS-trend voor jaargemiddelde en seizoensgemiddelde data is vergeleken met de IRW-trend, dus geschat op dezelfde data. De trendverschillen zijn minimaal. Dat geldt zowel voor de jaargemiddelde temperatuur als de vier seizoensreeksen. Naast deze informatie geeft het KNMI-dashboard ook projecties voor waarden in de toekomst, de jaren 2050 en 2100.

 

Basistabel

-

Geografische verdeling

Nederland, wereld

Verschijningsfrequentie

tweejaarlijks

Achtergrondliteratuur
Betrouwbaarheidscodering
  • Hoofdstations Nederland: B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.
  • Wereldtemperaturen: C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Referentie van deze webpagina

CLO (2026). Temperatuur in Nederland en mondiaal, 1907-2024 (indicator 0226, versie 16, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.