Compendium voor de Leefomgeving
460 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Emissie naar lucht, water en bodem

Mondiale CO2-emissies door gebruik van fossiele brandstoffen per regio, 1990-2004

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De mondiale uitstoot van kooldioxide door gebruik van fossiele brandstoffen is vanaf 1990 met circa 28% toegenomen, vooral door meer emissies in de Verenigde Staten, China en andere ontwikkelingslanden. Van de groep landen met een emissieverplichting onder het Kyoto Protocol is de fossiele CO2-emissie met 6% gedaald; de totale CO2-emissie van alle industrielanden (inclusief de VS en Australië) is sinds 1990 met 2% gestegen.


Voor uitleg van de legenda in de figuur, zie paragraaf 'Regiodefinities'.

Mondiale fossiele CO2-emissies sinds 1990 met 28% toegenomen

De mondiale uitstoot van kooldioxide (CO2) door gebruik van fossiele brandstoffen is vanaf 1990 met circa 28% toegenomen, vooral door meer emissies in de Verenigde Staten, China en andere ontwikkelingslanden. In 2003 en 2004 was de toename respectievelijk circa 4 en 5% (IEA, 2006). Het aandeel van de CO2-emissies van fossiel energiegebruik in alle door de mens veroorzaakte broeikasgasemissies is nu circa 55%. In deze indicator wordt alleen ingegaan op de trend in mondiale CO2-emissies als gevolg van verbranding van fossiele energie (steenkool, olie en aardgas). Voor de trend in alle CO2-emissies, inclusief bronnen als cementproductie, bosbranden en ontbossing, veenbranden en biologische afbraak van biomassaresten, zie:


De emissies van alle bronnen van broeikasgassen, inclusief methaan, lachgas en fluorhoudende gassen, wordt toegelicht in:

CO2-emissie van landen met emissieverplichting onder het Kyoto Protocol 6% gedaald

Van de groep landen met een emissieverplichting onder het Kyoto Protocol is de totale uitstoot van kooldioxide (CO2) door verbranding van fossiele energie met 6% gedaald sinds 1990. In de overige landen, zonder emissieverplichting, namen de fossiele CO2-emissies gemiddeld met ruim 50% toe.

De industrielanden met een emissieverplichting onder het Kyoto Protocol hadden in 2004 een aandeel in de mondiale CO2-emissies van energiegebruik van 29%. Van deze landen heeft de Europese Unie (15) een aandeel van 12%, de Russische Federatie 6% en Japan 5% in de mondiale CO2-emissies.

Geringe toename totale CO2-emissie van industrielanden

De totale fossiele CO2-emissie van alle industrielanden - dat wil zeggen inclusief de VS en Australië - is sinds 1990 met 2% gestegen. Van de OESO-landen zijn de CO2-emissies van energiegebruik van de Europese Unie met 6,5% het minst gestegen. De CO2-emissies van de Verenigde Staten en Canada zijn in dezelfde periode met respectievelijk zo'n 20% en 29% toegenomen, terwijl die van Japan met circa 15% gestegen zijn. De emissies van Rusland en andere zogenaamde Economieën in Transitie (EIT) zijn echter met respectievelijk 25% en gemiddeld 33% gedaald (tussen 1989 en 1998 daalden de emissies van de Russische Federatie met een derde).

Alle industrielanden bij het Klimaatverdrag (de zogenaamde Annex I landen) hadden een aandeel van 54% in de mondiale fossiele CO2-emissies, waarbij de Verenigde Staten met 22% het grootste aandeel heeft. Ter vergelijking: het aandeel van de emissies van China is 18% en van de EU 12%.

Sterke toename CO2-emissie van ontwikkelingslanden

De emissies van de ontwikkelingslanden zijn sinds 1990 met bijna 90% toegenomen. Hierbij valt vooral de 125% toename op van de CO2-emissies van de zogenaamde 'Aziatische tijgers', hoewel de groei van de Chinese emissies met 110% sinds 1990 in absolute zin meer bijdraagt aan de mondiale groei. De fossiele CO2-emissies van India zijn met ruim 85% toegenomen. De emissies van de vijf andere grootste ontwikkelingslanden (Brazilië, Mexico, Zuid Afrika, Saudi-Arabië en Iran) zijn gezamenlijk met bijna 60% toegenomen.

Van de ontwikkelingslanden heeft China met 18% in 2004 verreweg het grootste aandeel. De 'Aziatische tijgers' en de vijf andere grootste ontwikkelingslanden hadden in 2004 beiden een aandeel in de fossiele CO2-emissies van circa 6%; het aandeel van India was 4%.

In 2004 verdere toename mondiale CO2-emissies

In 2004 zijn de CO2-emissies met 5% toegenomen terwijl de emissies in 2003 met ruim 4% toegenomen zijn. De toename van de mondiale CO2-emissies in 2004 wordt vooral veroorzaakt door toename van het fossiele energiegebruik in:

  • China (+18% CO2),
  • VS (+1,5% CO2),
  • internationaal transport (+10% CO2),
  • India (+6% CO2),
  • EU-15 (+ 0,6% CO2).


In Canada en Rusland daalden de CO2-emissies licht (-1% en -0,6%) terwijl de emissies in Japan gelijk bleven. In de overige ontwikkelingslanden namen de emissies gemiddeld met ruim 5% toe.
De stijging in 2004 komt voor meer dan de helft door de 7,5% stijging van CO2-emissies van kolengebruik en ook meer dan de helft voor rekening van China, waarvan de CO2-emissies in 2004 een sterke toename van circa 18% liet zien (in 2003 was dit circa 16%). De toename in China werd voornamelijk veroorzaakt door een stijging van het energiegebruik - vooral kolen - voor elektriciteitsproductie en in de industrie.

Raming CO2-emissies voor 2005

In 2005 zijn de fossiele CO2-emissies met circa 2,7% toegenomen volgens een voorlopige raming gebaseerd op BP-cijfers. De stijging in 2005 komt vooral door een sterke toename van het jaarlijkse mondiale kolengebruik met bijna 5% (in 2004 was de groei van het steenkoolgebruik volgens BP-cijfers 6,5%). Dit werd vooral veroorzaakt door een stijging met ruim 10% in China (BP, 2006). Exclusief China nam het kolengebruik slechts met 1,5% toe. Het mondiale verbruik van gas in 2005 steeg met 2%, terwijl het olieverbruik vrijwel constant bleef (1% toename) (BP, 2006).
De BP-raming lijkt redelijk betrouwbaar: op basis van eerdere BP-cijfers werd vorig jaar de toename in 2004 op 4,9% geschat . Op basis van de huidige IEA-cijfers voor 2004 is dit nu 5,0%).

Historische emissietrend sinds 1970


Voor uitleg van de legenda in de figuur, zie paragraaf 'Regiodefinities'.

De mondiale uitstoot van kooldioxide (CO2) door verbranding van fossiele energie is in de afgelopen 35 jaar bijna verdubbeld (+98%) en vanaf 1990 met circa 28% (IEA, 2006). De jaarlijkse groei bedroeg in de afgelopen 35 jaar gemiddeld 2,0%. Zoals blijkt uit de figuur is de groei tijdelijk gestopt na de oliecrises van 1973 en 1979. Ook in de eerste helft van de jaren '90 bleven de mondiale vrijwel constant als gevolg van het uiteenvallen van de voormalige Sovjet-Unie, waardoor bijvoorbeeld de CO2-emissies in de Russische Federatie in de periode 1989-1998 met eenderde afnamen. Dit werd echter vrijwel gecompenseerd door een sterke groei van de emissies van China vanaf begin jaren '90.

Er zijn grote groeiverschillen tussen landen en regio's. Van de industrielanden was de groei in de EU-15 met 13% één van de laagste; in de VS groeide de fossiele CO2-emisssies met ruim 40%, in Japan en Canada zelfs met ruim 70%, terwijl die van Rusland per saldo met bijna 35% toenamen. In de ontwikkelingslanden groeide de CO2-uitstoot van fossiele energie sinds 1970 met circa 450%. Ook daarbinnen zijn er grote verschillen: van China en India groeiden de emissies met circa 500%, van de zogenaamde 'Aziatische tijgers' zelfs met circa 1000%. Van de andere ontwikkelingslanden nam de CO2-uitstoot van de vijf grootsten (exclusief India) toe met gemiddeld circa 350%, terwijl CO2-emissies in de overige ontwikkelingslanden met gemiddeld 270% toenamen. De emissies van internationaal transport (scheepvaart en luchtvaart), zoals door de landen gerapporteerd in hun energiestatistieken, groeide sinds 1970 met 90%.

Klimaatbeleid

De CO2-emissies zijn onderdeel van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties. CO2-emissies van verbranding van kolen, olie en gas maken circa 75% uit van de totale broeikasgasemissies die onderdeel uitmaken van het Kyoto Protocol. Volgens dit protocol zullen de meeste industrielanden, inclusief die in Oost-Europa en de belangrijkste landen van de voormalige Sovjet-Unie, de groei van hun emissies van broeikasgassen rond 2010 gemiddeld met 5% beperken ten opzichte van hun uitstoot in 1990. De Verenigde Staten en Australië doen niet aan mee aan het Kyoto Protocol.

Regiodefinities

Annex I-landen in het VN-Klimaatverdrag: landen met een jaarlijkse rapportageverplichting van hun emissies, ook wel de geïndustrialiseerde landen of meer ontwikkelde landen genoemd, bestaande uit:

  • landen in 1990 horend tot de OESO, deze worden ook wel "Annex-II-landen" genoemd (blauwtinten in de figuur);
  • Economieën In Transitie: Oost-Europese landen en landen van de voormalige Sovjet-Unie (groentinten in de figuur).


Annex B-landen in het Kyoto Protocol: landen met een bindende limiet van hun emissies in de periode 2008-2012. Dit zijn dezelfde landen als de Annex I-groep, behalve Turkije en Wit-Rusland, die geen emissielimiet hebben. Daarnaast hebben de VS en Australië besloten het Protocol niet te ratificeren.
De 'niet-Annex I-landen' zijn dus de overige landen, ook wel ontwikkelingslanden genoemd (roodtinten in de figuur). Deze hebben alleen een meer algemene periodieke rapportageverplichting over hun gevoerde klimaatbeleid (ongeveer eens per 4 jaar).

Internationaal transport (bruin in de figuur) is de totale uitstoot van internationale luchtvaart en scheepvaart, die niet tot een landtotaal wordt gerekend.

Als 'Aziatische tijgers' worden hier beschouwd: Indonesië, Singapore, Maleisië, Thailand, Zuid Korea en Taiwan. Andere grote ontwikkelingslanden zijn: Brazilië, Mexico, Zuid Afrika, Saudi-Arabië en Iran.

Onzekerheden

De onzekerheid in de emissies van de meeste bronnen van verbranding van fossiele energie is circa 5%. Een uitzondering is internationale scheepvaart en luchtvaart, waarvan de emissies een veel grotere onzekerheid hebben, omdat in nationale energiestatistieken soms verschillende definities voor zogenaamde 'marine bunkers' en internationale luchtvaart worden gebruikt.

Methodiek

De CO2-emissies van verbranding van fossiele energie is de werkelijke jaarlijkse uitstoot, dus niet temperatuurgecorrigeerd. Voor een uitgebreide toelichting op de verschillende methoden voor het vaststellen van de CO2-emissie, zie:


De cijfers voor fossiele energie zijn gebaseerd op data van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) met uitzondering van de voorlopige schatting voor 2005, die gebaseerd is op energiedata van British Petroleum (BP).

Referenties

Relevante informatie

  • Een uitgebreide referentiedatabase EDGAR 3 met wereldwijde emissies van broeikasgassen per land voor de periode 1970-2000 is te vinden op de website van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP).
  • Uitgebreide internationale statistieken met mondiale energieproductie en sectoraal energiegebruik per land en CO2-emissies van verbranding van fossiele brandstoffen voor de periode 1960/1971-2004 zijn te vinden op de website van het Internationaal Energie Agentschap in Parijs.
  • Beknopte maar actuele internationale statistieken met mondiaal energieproductie en gebruik per land en per energiedrager voor de periode 1965/70/80 tot en met 2005 is te vinden op in de BP Statistical Review of World Energy, die ook op internet beschikbaar is (als PDF- en Excel-files)
  • Informatie over de officieel door landen gerapporteerde broeikasgasemissies is te vinden op de website van het VN-Klimaatsecretariaat.
  • Informatie over de toekomstige mondiale ontwikkelingen zijn te vinden in de Global Environmental Outlook 3, waaraan het MNP ook heeft meegewerkt.
  • Informatie over de actuele en toekomstige ontwikkelingen voor het Kyoto Protocol zijn te vinden in de publicatie Realisatie Milieudoelen - Voortgangsrapport 2007 en Milieuverkenning 2006-2040, beide van het MNP.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2007). Mondiale CO2-emissies door gebruik van fossiele brandstoffen per regio, 1990-2004 (indicator 0533, versie 01 , 8 juni 2007 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.