Compendium voor de Leefomgeving
522 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend van reptielen, 1990-2017

Reptielen zijn sinds 1990 vooruitgegaan in verspreiding. Ook in populatieomvang zijn reptielen sinds het begin van de aantalsmonitoring in 1994 vooruitgegaan.

Reptielen gaan vooruit

De reptielen in Nederland zijn als groep gemiddeld vooruit gegaan, zowel in populatie-aantallen (sinds 1994, eerste tabblad) als in verspreiding (sinds 1990, tweede tabblad). Drie soorten (zandhagedis, muurhagedis en hazelworm) zijn in aantal toegenomen, één soort (levendbarende hagedis) is in deze periode afgenomen. Laatstgenoemde soort is de laatste tien jaar stabiel in aantallen. De overige drie soorten (adder, ringslang en gladde slang) zijn stabiel in aantallen sinds 1994. Het verspreidingsgebied van de meeste soorten is toegenomen. Voor drie soorten geldt dit niet: het verspreidingsgebied van de adder en de levendbarende hagedis is afgenomen, het verspreidingsgebied van de muurhagedis is gelijk gebleven.

Rode Lijst Indicator

Al gaan reptielen sinds 1994 vooruit, zes van de zeven soorten staan nog steeds op de Rode Lijst van bedreigde reptielen in Nederland. Alleen de hazelworm heeft geen bedreigde status. In 2007 heeft de levendbarende hagedis vanwege zijn achteruitgang een bedreigde status gekregen. De ernst van de bedreiging van reptielen als groep nam daarmee toe sinds 1995 (derde tabblad). In 2013 nam de ernst van de bedreiging echter weer af vanwege de verbetering van de toestand van de gladde slang (zie RLI-kleur).

Oorzaken verandering

Een aantal soorten profiteerde van beschermingsmaatregelen en op reptielen gerichte beheersmaatregelen in de natuurgebieden. Voor ringslangen worden bijvoorbeeld broeihopen aangelegd en voor de muurhagedis zijn nieuwe muurtjes gemaakt ter compensatie van verlies aan leefgebied. Ook klimaatverandering lijkt een positieve invloed te hebben op sommige soorten. De achteruitgang van de levendbarende hagedis komt mogelijk mede door de versnippering van het leefgebied.

Habitatrichtlijn

Drie soorten reptielen staan op de Habitatrichtlijn.

Referenties

  • Janssen, I. en M. de Zeeuw (2017). Resultaten Meetnet Reptielen 2016. Schubben & Slijm nr. 32. RAVON, Nijmegen.
  • Strien, A. van, R. Verweij, M. de Zeeuw, L. van Duuren en L. Soldaat (2014). Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De Levende Natuur (115) 5: 208-211.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Trend van reptielen

Omschrijving

Ontwikkeling populatie-aantal en verspreiding reptielen als groep

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Alle zeven inheemse soorten reptielen zijn in de indicator opgenomen: adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis, muurhagedis, ringslang en zandhagedis.

De aantalsgegevens zijn ontleend aan het meetprogramma voor reptielen van het Netwerk Ecologische Monitoring. Daarmee zijn jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM)). Verspreidingsgegevens zijn eveneens ontleend aan het meetprogramma voor reptielen; daarnaast zijn gegevens uit de Nationale Database Flora & Fauna gebruikt. Hiermee zijn voor alle soorten jaarlijkse indexcijfers in verspreiding (het aantal bezette kilometerhokken) bepaald met occupancy-modellen.

Indicator

Om de aantalsindicator en de verspreidingsindicator te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen en over verspreiding meetkundig gemiddeld over alle soorten (Van Strien et al., 2016). Van een aantal soorten zijn in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar (zie tabel met indexcijfers per soort, klik op 'download data'). Deze ontbrekende indexcijfers zijn eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Vervolgens zijn de indexen per jaar meetkundig gemiddeld. Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.

Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen. In zo'n geval liggen de meeste of zelfs alle jaarcijfers van de indicator binnen het betrouwbaarheidsinterval. Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn. In dat geval kan een heel betrouwbare trend berekend worden en liggen veel jaarcijfers buiten het betrouwbaarheidsinterval.

Uit de betrouwbaarheidsintervallen zijn trendklassen afgeleid. De Rode Lijst Indicator, 1995-2017 is gebaseerd op het aantal soorten op de Rode Lijst per jaar (RLI-Lengte). De variant RLI-kleur telt ook de verschuivingen tussen de categorieën op de Rode Lijst mee (Van Strien et al., 2014).

Basistabel

De indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staan op het tabblad afzonderlijke soorten onder download data.

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

CBS (2018). Meetprogramma's voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458.

Soldaat, L., J. Pannekoek, R. Verweij, C. van Turnhout en A. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.

Strien, A.J. van, et al. (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50.

Strien, A. van, R. Verweij, M. de Zeeuw, L. van Duuren en L. Soldaat (2014). Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De Levende Natuur (115) 5: 208-211.

Wereld Natuur Fonds (2015). Living Planet Report. Natuur in Nederland. WNF, Zeist.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schattingen van trends in populatie-aantallen zijn gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is. C. Schattingen van trends in verspreiding zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen die met een geavanceerde statistische methode zijn geanalyseerd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2018). Trend van reptielen, 1990-2017 (indicator 1384, versie 16 , 28 mei 2018 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.