Compendium voor de Leefomgeving
547 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend van dagvlinders, 1990-2017

De achteruitgang van de vlinderpopulaties is nog niet gestuit, al gaan de laatste tien jaar weer iets meer vlindersoorten in aantallen vooruit. De achteruitgang in verspreiding lijkt de afgelopen tien jaar ook afgeremd.

Historisch perspectief; alleen maar verlies

De meeste dagvlinders zijn gedurende de afgelopen decennia in aantal en verspreiding achteruit gegaan, ook de meer algemene soorten. Deze achteruitgang was nog volop aan de gang toen het Landelijk Meetnet Vlinders begin jaren negentig startte.

Afname in populatie-aantallen

Sinds 1992 zijn de populatie-aantallen van vlinders gemeten op vaste meetpunten in Nederland verder afgenomen, vooral in de jaren 1992-1997 (eerste tabblad). De laagste waarden werden later bereikt in 2007, 2008, 2012 en 2016. Van de 50 gevolgde soorten nemen er over de hele periode gerekend 23 soorten af en 12 soorten toe in populatie-aantal. De laatste tien jaar nemen enkele zeldzame soorten nu juist weer licht toe.

Afname in verspreiding

Gemiddeld genomen daalt het aantal bezette kilometerhokken gestaag over de gehele meetperiode, ook na 1997 (tweede tabblad). Gemeten vanaf 1990 nemen van de 46 beschouwde soorten 21 soorten af en 13 soorten toe in verspreiding. Stabiel zijn 12 soorten. In de laatste tien jaar gaan er, net als bij de populatie-aantallen, weer meer soorten in verspreiding vooruit.

Rode Lijst Indicator

Een aantal vlindersoorten komt alleen nog maar in enkele kleine natuurgebieden voor. Deze gebieden liggen vaak ver van elkaar af, wat de populaties extra kwetsbaar maakt voor invloeden van buitenaf. De belangrijkste oorzaak van hun achteruitgang is het verdwijnen van geschikt leefgebied. Veel dagvlindersoorten staan daardoor op de Rode Lijst van bedreigde dagvlinders. Het aantal soorten op de Rode Lijst en de ernst van de bedreiging is sinds 2005 gestabiliseerd (derde tabblad).

Oorzaken achteruitgang

De dagvlinderstand in Nederland is achteruitgegaan door ontwikkelingen in de landbouw en het effect daarvan op natuurgebieden. Zo verdwenen na de ruilverkavelingen in de jaren zestig en de daarop volgende intensivering van de landbouw de bloemrijke akkerranden. Daardoor vonden vlinders er nog nauwelijks voedsel. Alleen in wegbermen, natuurgebieden en het stedelijk groen weten vlinders nog relatief goed te overleven. Ook natuurgebieden ondervonden gevolgen van de intensivering van de landbouw, zoals verdroging en neerslag van stikstof, die voor vlinders en hun rupsen essentiële vegetaties aantast.

Oorzaken vooruitgang

Dat er recentelijk weer meer soorten toenemen is te danken aan twee factoren. Ten eerste werpt natuurbescherming zijn vruchten af. Door beheerders en vrijwilligers is er de laatste jaren hard gewerkt aan herstel van de leefgebieden van vlinders. Een voorbeeld is het herstel van de leefomgeving van het pimpernelblauwtje. Daarnaast speelt de klimaatverandering een belangrijke rol. Vlinders zijn namelijk koudbloedige dieren die in veel gevallen profiteren van warmere zomers. Door hun korte levenscyclus kunnen vlinders snel reageren op de verbeterde leefomstandigheden.

Habitatrichtlijn

Een vijftal dagvlinders staat op de Habitatrichtlijn.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Trend van dagvlinders

Omschrijving

Ontwikkeling van populatie en verspreiding dagvlinders als groep

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

 

Soortenselectie en data

Vrijwel alle inheemse soorten dagvlinders zijn in de indicator opgenomen.

Aantalsgegevens zijn ontleend aan het Landelijk Meetnet Dagvlinders van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (methode indexcijfers, TRIM).

Verspreidingsgegevens komen uit de Nationale Databank Flora en Fauna en uit de NEM-aantalsmonitoring. Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over verspreiding (het aantal bezette kilometerhokken) bepaald met behulp van occupancy modellen (Van Strien et al., 2013).

Indicator

Om de aantalsindicator en de verspreidingsindicator te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen en over verspreiding meetkundig gemiddeld over alle soorten (Van Strien et al., 2016).

Van een aantal soorten zijn in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar (zie tabel met indexcijfers per soort, klik op 'download data'). Deze ontbrekende indexcijfers zijn eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Vervolgens zijn de indexen per jaar meetkundig gemiddeld. Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.

Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen. In zo'n geval liggen de meeste of zelfs alle jaarcijfers van de indicator binnen het betrouwbaarheidsinterval.

Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn. In dat geval kan een heel betrouwbare trend berekend worden en liggen veel jaarcijfers buiten het betrouwbaarheidsinterval.

Uit de betrouwbaarheidsintervallen zijn trendklassen afgeleid.

Rode Lijst Indicator

De Rode Lijst Indicator (RLI) is gebaseerd op het aantal soorten op de Rode Lijst per jaar (RLI-lengte). De variant RLI-kleur telt ook de verschuivingen tussen de categorieën op de Rode Lijst mee (Van Strien et al., 2014).

Basistabel

De basistabel met indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staat op een apart tabblad ('Individuele soorten') onder 'Download data'.

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

CBS (2018). Meetprogramma's voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458.

Soldaat, L., J. Pannekoek, R. Verweij, C. van Turnhout en A. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.

Strien, A.J. van, et al. (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50.

Strien, A. van, R. Verweij, M. de Zeeuw, L. van Duuren en L. Soldaat (2014). Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De Levende Natuur (115) 5: 208-211.

Wereld Natuur Fonds (2015). Living Planet Report. Natuur in Nederland. WNF, Zeist.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schattingen van de trend in populatie-aantal zijn gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

C. Schattingen van de trends in verspreiding zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen die met een geavanceerde statistische methode zijn geanalyseerd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2018). Trend van dagvlinders, 1990-2017 (indicator 1386, versie 15 , 30 maart 2018 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.