Compendium voor de Leefomgeving
470 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend fauna open natuurgebieden, 1990-2014

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Sinds 1990 laten de diersoorten in de open natuurgebieden (hei en duin en extensief beheerde graslanden) een afname zien. De laatste tien jaar is de trend gemiddeld stabiel gebleven.

Trend fauna open natuurgebieden

De indicator Trend fauna open natuurgebieden geeft de gemiddelde trend weer van 47 soorten zoogdieren, broedvogels, reptielen en vlinders. Sinds 1990 laat deze indicator een matige afname zien. De laatste tien jaar is deze trend omgebogen naar een stabiele trend. Als er naar individuele soorten wordt gekeken, blijkt dat er over de gehele tijdsspanne 25 soorten achteruitgaan en 12 vooruit. De populaties van soorten die aan open natuurgebieden zijn gebonden laten dus recentelijk een stabilisatie zien. Nederland heeft veel verloren, maar het verlies lijkt nu te zijn gestopt, onder andere in de natuurgebieden.

Oorzaken

De afname in open natuurgebieden komt met name doordat soorten van open natuurgebieden last hebben van het dichtgroeien van natuurgebieden met grassen en struiken. Soorten gebonden aan jonge successiestadia of heel open gebied, zoals tapuit, verliezen daardoor leefgebied. Dit proces wordt versneld door een te hoge stikstofdepositie, zie daarvoor ook de indicator 'Overschrijding kritische stikstofdepositie op natuur'. Daarnaast speelt ook verdroging, verminderde dynamiek, en een te klein oppervlak leefgebied een rol waardoor sommige karakteristieke soorten zijn afgenomen. Klimaatsverandering, natuurherstel en natuurontwikkeling zijn waarschijnlijk de reden waarom sommige soorten een toename laten zien.

Onderverdeling

Een nadere onderverdeling van open natuurgebieden is:

Referenties

  • WWF Nederland 2015. Living Planet Report Nederland, staat van biodiversiteit/natuur. WWF, Zeist.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Aantalsontwikkeling van alle soorten dieren alle natuurgebieden

Omschrijving

Ontwikkeling populatie-aantallen en verspreiding van alle dierensoorten alle natuurgebieden

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Soortenselectie en data
In de deze indicator zijn 47 inheemse soorten voorkomend op het land opgenomen; zoogdieren (3 soorten), broedvogels (22 soorten), reptielen (4 soorten) en vlinders (18 soorten), zowel gebaseerd op ontwikkelingen in populatie-aantallen als op basis van veranderingen in verspreiding (occupancy) op basis van trefkansmodellen (Van Strien et al. 2010). Gegevens over populatie-aantallen zijn ontleend aan de landelijke meetnetten in het Netwerk Ecologische Monitoring voor zoogdieren (Zoogdiervereniging), broedvogels (Sovon), reptielen (RAVON) en vlinders (Vlinderstichting). Met die data zijn voor elke soort jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met GLM-Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM). Cijfers van een aantal muizen zijn gebaseerd op andere bronnen (zie de indicatoren in het CLO over deze soorten of soortgroepen) en betreffen deels trends in verspreiding als benadering van de trend in populatie-aantal (bij muizen bijvoorbeeld via braakballenmonitoring van predatoren).

Trendberekening
De indicator is berekend door de jaarlijkse indexcijfers over de populatie-aantallen meetkundig te middelen over alle 47 betrokken soorten (met indexwaarde 1990 = 100 voor vogels en vleermuizen, indexwaarde 1992 = 100 voor vlinders, indexwaarde 1994 = 100 voor reptielen en indexwaarde 1995 = 100 voor overige zoogdieren). Over de jaren heen is een smoothing algoritme toegepast om flexibele trends te bepalen en daaruit zijn trendklassen afgeleid. De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator zijn gebaseerd op de betrouwbaarheidsintervallen van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al. in voorb.).

Vergelijking methode trendberekening met LPI internationaal
De gebruikte methode is grotendeels ontleend aan die van de internationale Living Planet Index van WWF (WWF, 2014). Dat houdt in dat de jaarlijkse indexcijfers van de afzonderlijke soorten meetkundig worden gemiddeld en dat dezelfde regel wordt gehanteerd om de invloed van sterk fluctuerende soorten te reduceren. Dat laatste houdt in dat indexcijfers die meer dan een factor 10 verschillen van die in het voorgaande jaar niet meedoen in de LPI (pers. comm. Loh & McRae, 2014). Er zijn echter ook enkele statistische verschillen tussen de Nederlandse en de internationale LPI: (1) De statistische methode om indexcijfers per soort te bepalen is anders. Bij de Nederlandse LPI wordt een GLM toegepast, bij de WWF-LPI een GAM. (2) Om de LPI minder te laten fluctueren van jaar op jaar wordt een smoothing algoritme toegepast. Bij de internationale LPI gebeurt dat met een GAM per afzonderlijke soort. Bij de Nederlandse LPI gebeurt dat pas bij het meetkundig middelen van alle soorten. (3) De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator verschillen. Bij de Nederlandse LPI wordt ook de onzekerheid van de indexen per soort opgenomen; bij de WWF-LPI is dat niet het geval.

Basistabel

In de hoofdtekst is een doorlink naar de basistabel te vinden met de indexen van de afzonderlijke soorten.

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Strien, A.J. van, T. Termaat, D. Groenendijk, V. Mensing & M. Kéry 2010. Site-occupancy models may offer new opportunities for dragonfly monitoring based in dialy species lists. Basic and Applied Ecology. WWF (2014). Living Planet Report (2014), Species and spaces, people and places. WWF, Gland, Zwitserland. WWF Nederland (2015). Living Planet Report Nederland, staat van biodiversiteit/natuur. WWF, Zeist.

Opmerking

Deze indicator is één van de subindicatoren van de Living Planet Index fauna Nederland. De soortenlijst is afgestemd in relatie tot de deelindicator landfauna en de verdere onderverdeling. Deze indicator valt onder natuurgebieden, die verder onderverdeeld is in de subindicatoren heide en duin.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2015). Trend fauna open natuurgebieden, 1990-2014 (indicator 1586, versie 01 , 29 oktober 2015 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.