Compendium voor de Leefomgeving
472 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Invloed voorgenomen beleid op geschiktheid ruimtelijke- en milieucondities voor landnatuur 2027

Bij uitvoering van voorgenomen beleidsmaatregelen van provincies en Rijk zal naar verwachting het areaal met gunstige ruimtelijke- en milieucondities voor landnatuur toenemen. Dit onder de aanname dat het provinciale natuurbeleid, het KRW-beleid en het stikstofbronbeleid volledig worden gerealiseerd.

Ruimtelijke- en milieucondities in natuurgebieden verbeteren als voorgenomen wordt beleid gerealiseerd

Momenteel is de toestand van ruimtelijke- en milieucondities in natuurgebieden vaak een belemmering voor het duurzaam voortbestaan van soorten en ecosystemen (zie ook CLO1607). Provincies en Rijk zetten beleidsstrategieën met maatregelen om de condities te verbeteren en geschikt te maken voor de randvoorwaarden die natuur stelt.

De gepresenteerde figuren geven voor 2015 en 2027 per provincie en landelijk weer in welk procentueel deel van het in 2027 geambieerde areaal landnatuur de stikstofdepositie, zuurgraad, (voorjaars)grondwaterstand en ruimtelijke samenhang goed, matig of slecht is. Deze typering van geschiktheid sluit aan bij de provinciale werkwijze van beoordeling van natuur (WMBN; Van Beek et al., 2014).

De condities in natuurgebieden verbeteren als de voorgenomen maatregelen worden uitgevoerd. Het gaat daarbij om maatregelen die voortkomen uit het provinciale beleid, het KRW-beleid en het (inter)nationale stikstof(bron)beleid. Zo wordt bijvoorbeeld met landbouwemissiemaatregelen uit de PAS (programmatische aanpak stikstof) de stikstofdepositie in natuurgebieden verlaagd en/of de hydrologie herstel en wordt met natuurherstelmaatregelen de gevoeligheid voor stikstofdepositie (tijdelijk) verlaagd. Daarnaast wordt met natuurontwikkeling en omvorming van bestaande natuur het leefgebied van soorten verbonden en vergroot en wordt met antiverdrogingsmaatregelen ingezet op verbetering van grondwatercondities en zuurgraad van de bodem. Met het totaal aan maatregelen stijgt het natuurareaal met goede grondwaterstand met circa 10 procentpunten en het leefgebied met goede condities voor stikstofdepositie met ruim 20 procentpunten. Het areaal met goede condities ten aanzien ruimte stijgt een aantal procentpunten. Het areaal met een goede zuurgraad blijft nagenoeg gelijk.
Dit landelijk beeld is zichtbaar in elke afzonderlijke provincie; in elke provincie verbetert de condities qua stikstofdepositie, grondwaterstand, zuurgraad en ruimte. Veranderingen in condities qua stikstofdepositie zijn het grootst in provincies waar de depositie relatief laag is en/of de natuur minder gevoelig is. Dit zijn met name de westelijke en noordelijke provincies. In de zand-provincies waar de depositie hoog is en de natuur gevoelig, verbetert de conditie ook, maar is de toename van gunstig areaal relatief beperkt.

Informatie over abiotische condities in natuurgebieden belangrijk maar vaak onzeker

Bij interpretatie van zowel het huidige beeld als het toekomstige beeld moet gerealiseerd worden dat het bij deze indicator gaat om inschattingen. Directe metingen aan condities zijn veelal (ruimtelijk) beperkt. Met modellen is het mogelijk om bestaande metingen te vertalen naar meer dekkende kaartbeelden met informatie over alle natuurgebieden. Modellen zijn daarnaast bruikbaar om doorwerking van maatregelen op condities te in beeld te brengen. Daarbij is het belangrijk te realiseren dat modellen een versimpeling van de werkelijkheid vormen en de hier gepresenteerde gegevens daarmee slechts een indicatie vormen. Zie Van Hoek et al. (2017) voor informatie over onzekerheden in de gebruikte modellen en data.

Verdroging, vermesting, verzuring en versnippering van natuurgebieden belemmeren duurzaam behoud van biodiversiteit

Anno 2015 hebben grote delen van natuurgebieden te kampen met ongunstige condities. Ongunstige condities zijn vaak een reden waarom de huidige kwaliteit van natuur beperkt is. Dit is bijvoorbeeld zichtbaar in de staat van instandhouding van habitattypen uit de Habitatrichtlijn en de relatief lage kwaliteit van grote delen van landecosystemen (zie Trends in kwaliteit van natuur, 1990 - 2017). Ongunstige milieucondities kunnen ook een reden zijn van dalende trends in soorten. Zo hangen afnames van diersoorten in open natuurgebieden (zie Trend fauna in natuurgebieden op land provincies, 1990-2018) waarschijnlijk onder andere samen met een jarenlange te hoge stikstofdepositie.

Provincies en Rijk zetten in op verbetering van condities om biodiversiteit te behouden (zie Biodiversiteitsindicatoren in relatie tot natuurbeleid van provincies en Rijk). Met uitvoering van het voorgenomen provinciale natuurbeleid, het KRW-beleid en het stikstofbronbeleid zullen condities verbeteren en kan ook biodiversiteit profiteren, waaronder de soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn (PBL & WUR 2017; Van der Hoek et al 2017). Bij realisatie van het voorgenomen beleid zal het aantal VHR soorten dat duurzaam kan voortbestaan naar verwachting toenemen van circa 55 procent in 2015 tot circa 65 procent in 2027 (Van der Hoek et al 2017; zie Modelberekening doelbereik Vogel- en Habitatrichtlijn in 2027 en bijdragen provincies).
Zie ook:

 

Referenties

  • Beek, J.G van, R.F. van Rosmalen, B.F. van Tooren & P.C. van der Molen (2014), Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS, Utrecht: BIJ12.
  • PBL (2017), Lerende evaluatie van het Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Van der Hoek, D-J., M. Smit, S. van Broekhoven, A. van Hinsberg, P. Giesen, H. Bredenoord, R. Pouwels, B. de Knegt, F. van Gaalen, A. de Blaeij, S. Mylius & R. Folkert (2017), Potentiële bijdrage van provinciaal natuurbeleid aan Europese biodiversiteitdoelen. Achtergrondrapport bij lerende evaluatie Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Van der Hoek, D.-J., Paul Giesen, Rogier Pouwels, Henk Meeuwsen, Wieger Wamelink, Arjen van Hinsberg (2017), Toepassing MNP voor Evaluatie Natuurpact. Beschrijving realisatie van invoerbestanden voor huidige en toekomstige situatie, Den Haag: PBL

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Toestand milieucondities natuur

Omschrijving

Toestand van het areaal landnatuur waarvoor de milieucondities stikstof, zuur, vocht en ruimtelijke condities goed, matig of slecht zijn.

Verantwoordelijk instituut

WUR (Bart de Knegt, Wieger Wamelink, Rogier Pouwels), PBL (Pim Vugteveen, Dirk-Jan van der Hoek)

Berekeningswijze

Vooruitlopend op een eerste meting van milieucondities door de provincies, is de geschiktheid van de huidige milieucondities voor landnatuur beoordeeld volgens de uitgangspunten van de 'Werkwijze monitoring en beoordeling' (WMBN). Hiervoor zijn landelijke gegevens gebruikt van atmosferische stikstofdepositie, zuurgraad en grondwaterstanden, de vegetatiesamenstelling en de grootte van natuurgebieden. Voor uitspraken over de geschiktheid van de milieucondities (goed, matig, of slecht) is een vergelijking van de condities gemaakt van de huidige situatie met de eisen die de vegetaties van beheertypen aan deze condities stellen. Gebieden die ongevoelig zijn voor de genoemde drukfactoren zijn ingedeeld in de categorie 'goed'. Voor zowel de huidige situatie als voor de situatie in 2027 is gebruik gemaakt van de ambitiekaart van de beheertypen.

Om tot een inschatting te komen van het planpotentieel is geanalyseerd wat het effect is van het beleid op de fysieke condities die belangrijk zijn voor het voorkomen van soorten. Met het planpotentieel bedoelen we 'de potentiele bijdrage aan de landelijke VHR doelen wanneer alle door de provincie voorgenomen plannen in omvang aan maatregelen in hectares volledig worden uitgevoerd'. Hiervoor zijn maatregelen geanalyseerd die voortkomen uit de provinciale beleid en overig beleid. Het gaat hier om realisatie van het natuurnetwerk Nederland, verbeteren van water- en milieucondities en uitvoer van agrarisch en regulier natuurbeheer.

Om het effect van de provinciale beleidsstrategieën en het overig beleid op de fysieke condities te bepalen volgen we de volgende stappen:

1) bepalen van de huidige fysieke condities; 2) bepalen welke concrete, fysieke maatregelen voortkomen uit de beschreven provinciale beleidsstrategieën en het overig beleid en 3) bepalen van het verwachte effect van deze maatregelen op de toekomstige fysieke condities.

Ad 1) Voor de fysieke conditie stikstof is de hoogte van de stikstofdepositie gebruikt. Deze wordt gezien als een indicatie voor de stikstofbeschikbaarheid in de bodem. Van de stikstofdepositie is een landsdekkende kaart beschikbaar (RIVM (2015). Voor de fysieke conditie zuurgraad is de bodem-pH geschat op basis van vegetatieopnamen uit de periode 1990 tot 2015 (Pouwels et al. in voorbereiding a). Als maat voor de vochttoestand in de bodem is de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand gebruikt. De fysieke conditie ruimte is bepaald op basis van de beheertypenkaarten.

Ad 2) Binnen de drie belangrijkste beleidsstrategieën die provincies inzetten om de beleidsopgave te realiseren - 1) realiseren van het Natuurnetwerk Nederland en overige natuur; 2) verbeteren van milieu- en watercondities; 3) uitvoeren van agrarisch en regulier natuurbeheer -, worden verschillende maatregelen genomen gericht op het realiseren van de VHR-doelen voor landnatuur.

Ad 3) Om het effect van elke maatregel op de toekomstige fysieke condities te bepalen, hebben we op basis van empirische relaties en expert judgement rekenregels opgesteld voor iedere combinatie van maatregel en fysieke conditie (Pouwels et al. in voorbereiding a).

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata

Geografisch verdeling

Nederland en provincies

Verschijningsfrequentie

nvt

Achtergrondliteratuur

Hoek, D.-J. van der, Paul Giesen, Rogier Pouwels, Henk Meeuwsen, Wieger Wamelink, Arjen van Hinsberg (2017), Toepassing MNP voor Evaluatie Natuurpact. Beschrijving realisatie van invoerbestanden voor huidige en toekomstige situatie, Den Haag: PBL
RIVM (2015), Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2015, RIVM Rapport 2015-0119, Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2017). Invloed voorgenomen beleid op geschiktheid ruimtelijke- en milieucondities voor landnatuur 2027 (indicator 1608, versie 01 , 7 december 2017 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.