Compendium voor de Leefomgeving
460 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend fauna in natuurgebieden op land provincies, 1990-2018

Diersoorten die kenmerkend zijn voor natuurgebieden op land zijn sinds 1990 in de meeste provincies afgenomen. Zo namen diersoorten van heide en open duin gemiddeld af, terwijl diersoorten van bos gemiddeld zijn toegenomen. Sinds 2007 is er in de meeste provincies sprake van stabilisering en in enkele zelfs weer een toename.

Kenmerkende diersoorten van terrestrische natuurgebieden

Deze indicator laat zien of de gemiddelde trend in populatieomvang van kenmerkende diersoorten van terrestrische natuurgebieden daalt, stabiel is of stijgt. Daarbij beschrijft de indicator trends van fauna in de gezamenlijke natuurgebieden en afzonderlijk voor de ecosysteemtypen heide, bos en open duin. De resultaten worden zowel voor heel Nederland als per provincie gepresenteerd. Omdat het aantal diersoorten waarvoor betrouwbare trends bepaald kon worden per provincie verschilt, is ook bekeken wat de trend is van diersoorten in een bepaalde provincie en wat de trend is van diezelfde set soorten in geheel Nederland.
De populatieomvang van kenmerkende soorten zoogdieren, broedvogels, reptielen en dagvlinders van terrestrische natuurgebieden is sinds 1990 landelijk gemiddeld afgenomen. Van de beschouwde 87 soorten gaan er sinds 1990 33 vooruit en 41 achteruit. Tussen 2007 en 2018 is de gemiddelde trend in statistische termen stabiel, maar in deze periode zijn er meer soorten vooruit dan achteruit gegaan. In deze periode 2007-2018 zijn er 35 kenmerkende diersoorten vooruitgegaan en 20 achteruit gegaan (zie ook Fauna van natuurgebieden op land, 1990-2018). In de meeste provincies geeft de gemiddelde populatieomvang over de afgelopen drie decennia een iets positiever beeld dan het landelijke.

Ontwikkelingen per ecosysteemtype

Trends van kenmerkende soorten zijn ook afzonderlijk berekend voor bos (tweede tabblad), heide (derde tabblad) en open duin (vierde tabblad).
Kenmerkende soorten van bossen in Nederland vertonen over de gehele meetperiode sinds 1990 een stabiele trend, maar namen in de recente periode gemiddeld toe (zie ook Fauna van het bos, 1990-2018). Dit beeld zien we ook terug in de provincies. Verschillen tussen het landelijk beeld en het provinciale beeld zijn beperkt. Voor de Gelderse soorten is de landelijke trend stijgend, terwijl de trend in Gelderland zelf afneemt. In de recente periode (2007-2018) zien we toenames en stabiele trends in kenmerkende soorten van bos. Ook voor deze periode geldt dat de trends in de provincies grotendeels overeenkomen met de nationale trends.
Anders dan in bos, is in heide landelijk sprake van een afname in de trend van de kenmerkende heidesoorten (zie ook Fauna van de heide, 1990-2018). De afname in de afgelopen 3 decennia zien we in de meeste provincies met heide terug. Opmerkelijk is dat in Friesland de trend toeneemt, terwijl landelijk dezelfde soorten gemiddeld afnemen.
In Nederlandse open duin is landelijk sprake van een matige afname in het voorkomen van kenmerkende diersoorten, ook in de recente periode (zie ook Fauna van de duinen, 1990-2018). De trends van de provincies Groningen en Friesland vertonen een positiever trend dan landelijk.

Oorzaken

Bovenstaande beeld over 1990-2018, van een afname in open natuurgebieden (open duin en heide) versus (recente) toename in bossen kan worden verklaard doordat soorten van open natuurgebieden last hebben van het dichtgroeien met grassen en struiken. Soorten gebonden aan jonge successiestadia of heel open gebied, zoals tapuit, verliezen daardoor leefgebied. Dit proces wordt versneld door een te hoge stikstofdepositie, verdroging en verminderde dynamiek. Klimaatverandering, actief natuurherstel en natuurontwikkeling zijn waarschijnlijk oorzaken waarom sommige kenmerkende soorten een toename laten zien.

Relevantie

Bij het interpreteren van resultaten van de toegepaste indicator is het van belang een aantal zaken te realiseren. Deze indicator heeft als startjaar het jaar 1990; vanaf dit jaar zijn veel ecologische meetnetten zijn gestart. Andere indicatoren geven aan dat er halverwege vorige eeuw door grootschalige ontwatering en ruilverkaveling al veel soorten sterk zijn achteruitgegaan (zie Rode Lijst Indicator, 1995-2019; Natuurwaarde landelijk). Voorts bevat de hier gepresenteerde indicator momenteel alleen gegevens van diersoorten. Planten ontbreken. Veranderingen die primair op planten inwerken zoals verandering in milieucondities zouden hierdoor minder snel opgepikt kunnen worden. Ten slotte is bij de interpretatie van de resultaten nodig te beseffen dat de indicator uitspraken doet over een deel van ecosysteemtypen van de Nederlandse landnatuur. Hier betreft het open duin, heide en bos. Met voldoende betrouwbare gegevens (op provinciaal niveau) kunnen ook uitsneden voor andere ecosysteemtypen worden toegevoegd (open grasland, moeras, zoet water, zout water, agrarisch gebied, stad enz.).

Informatie over de trendontwikkeling van fauna in natuurgebieden kan helpen om inzicht te geven of het landelijke doel van behoud en verbeteren van de biodiversiteit dichterbij komt. Natuurgebieden vormen voor veel soorten het belangrijkste leefgebied. Behoud van natuurwaarden in deze gebieden is daarom essentieel voor behoud en verbeteren van de biodiversiteit. Andere indicatoren zijn nodig om een compleet beeld te geven of provincies gezamenlijk de gestelde biodiversiteitsdoelen dichterbij brengen (zie Set van beleidsrelevante natuurindicatoren). 

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Ontwikkeling van diersoorten van terrestrische natuurgebieden

Omschrijving

Ontwikkeling populatie-aantallen en verspreiding van fauna in terrestrische natuurgebieden

Verantwoordelijk instituut

CBS

Berekeningswijze

Om de indicatoren per soortgroep en voor alle soorten samen te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen meetkundig gemiddeld. Als een soort toe- of juist afneemt, neemt doorgaans zowel de verspreiding als het aantal ervan toe dan wel af. Daarom zijn indexen van populatie-aantallen en van verspreidingsindexen gecombineerd in één graadmeter.

Van een aantal soorten zijn in de eerste of laatste jaren geen indexcijfers beschikbaar. Deze ontbrekende indexcijfers zijn eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Daarna is het laatste jaar op 100 gezet en zijn de overige jaren geïndexeerd ten opzichte van dat basisjaar. Vervolgens zijn de indexen per jaar meetkundig gemiddeld. Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. De trendwaarde voor het eerste jaar is vervolgens op 100 gezet. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen.

Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn.

Uit de trendschattingen en de betrouwbaarheidsintervallen daarvan zijn trendklassen afgeleid. Alleen deze trendklassen zijn in deze indicator gepresenteerd.

Geografisch verdeling

Provincies

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Soldaat, L.L., J. Pannekoek, R.J.T. Verweij, C.A.M. van Turnhout en A.J. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347. Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458. Strien, A.J. van, et al. (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50. Wereld Natuur Fonds (2015). Living Planet Report. Natuur in Nederland. WNF, Zeist. Wereld Natuur Fonds (2020). Living Planet Report Nederland. Natuur en landbouw verbonden. WNF, Zeist.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2020). Trend fauna in natuurgebieden op land provincies, 1990-2018 (indicator 1612, versie 02 , 24 juni 2020 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.