Compendium voor de Leefomgeving
468 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend fauna in natuurgebieden op land provincies, 1990-2015

Diersoorten die kenmerkend zijn voor terrestrische natuurgebieden zijn sinds 1990 in de meeste provincies afgenomen. Zo namen diersoorten van heide en open duin gemiddeld af, terwijl diersoorten van bos gemiddeld zijn toegenomen. Sinds 2003 is er in de meeste provincies sprake van stabilisering en in enkele zelfs weer een toename.

Voorkomen van kenmerkende diersoorten vertoont sinds 2003 een licht herstel

Deze indicator laat zien of de gemiddelde trend in populatieomvang van kenmerkende diersoorten van terrestrische natuurgebieden daalt, stabiel is of stijgt (detailinformatie beschikbaar via tabblad 'download' onder de figuur). Daarbij beschrijft de indicator trends in de gezamenlijke natuurgebieden en de trends van fauna in heide, bos en open duin afzonderlijk. De resultaten worden zowel voor heel Nederland als per provincie gepresenteerd. Omdat het aantal diersoorten waarvoor betrouwbare trends bepaald kon worden verschilt per provincie, is bekeken wat de trend is van diersoorten in een bepaalde provincie en wat de trend is van diezelfde set soorten in geheel Nederland. Deze indicator is een van de belangrijke indicatoren die gebruikt kan worden om te onderzoeken of de algemene biodiversiteitsdoelstelling van behoud van soorten in Nederland dichterbij komt.
De populatieomvang van kenmerkende soorten zoogdieren, broedvogels, reptielen en dagvlinders van terrestrische natuurgebieden is sinds 1990 landelijk gemiddeld afgenomen. Tussen 2003 en 2015 stijgt de gemiddelde populatieomvang in Nederland weer. Van de beschouwde 84 soorten gaan er sinds 1990 32 vooruit en 37 achteruit. In de periode 2003-2015 zijn er 35 kenmerkende diersoorten vooruitgegaan en 18 achteruit gegaan (zie ook Fauna van natuurgebieden op land, 1990-2018). In de meeste provincies is de gemiddelde populatieomvang over de afgelopen 25 jaar gedaald. Alleen in Drenthe en Utrecht is een stijging te zien, en in Drenthe is de lange termijn trend positiever dan landelijk. De recente trend (2003-2015) is positiever dan over de gehele periode (1990-2015). Dit geldt landelijk en in de meeste provincies.

Grote verschillen in ontwikkelingen per type natuur

Trends van kenmerkende soorten zijn ook afzonderlijk berekend van bos (tweede tabblad), heide (derde tabblad) en open duin (vierde tabblad).
Kenmerkende soorten van bossen in Nederland als totaal namen de afgelopen 25 jaar toe (zie ook Fauna van het bos, 1990-2018), een beeld dat we ook terugzien in de provincies. Verschillen tussen het landelijk beeld en het provinciale beeld zijn beperkt. In Gelderland is landelijk de trend stabiel, terwijl de trend in Gelderland afneemt. In de recente periode (2003-2015) zien we toenames en stabiele trends in kenmerkende soorten van bos. Ook voor deze periode geldt dat de trends in de provincies overeen komen met de nationale trends.
Anders dan in bos, is in heide landelijk sprake van een afname, die in de recente periode ombuigt tot een toename (zie ook Fauna van de heide, 1990-2018). De afname in de afgelopen 25 jaar zien we in de meeste provincies met heide terug. Alleen in Utrecht en Fryslân zijn de trends stabiel, waarbij Fryslân de trend stabiel is, terwijl dezelfde soorten landelijk afnemen.
In Nederlandse open duin is landelijk sprake van een matige afname in het voorkomen van kenmerkende diersoorten, die in de recente periode ombuigt tot een stabiele trend (zie ook Fauna van de duinen, 1990-2017). In de meeste provincies met open duin zijn afnames over de periode 1990-2015 te zien die recent zijn gestabiliseerd. Alleen soorten van open duin in Zuid-Holland laten recent een afname in populatieomvang zien, terwijl dezelfde soorten landelijk een stabiele trend vertonen.

Factoren die ontwikkelingen bepalen

Bovenstaande beeld over 1990-2015, van een afname in open natuurgebieden (open duin en heide) versus toename in bossen kan worden verklaard doordat soorten van open natuurgebieden last hebben van het dichtgroeien met grassen en struiken. Soorten gebonden aan jonge successiestadia of heel open gebied, zoals tapuit, verliezen daardoor leefgebied. Dit proces wordt versneld door een te hoge stikstofdepositie, verdroging (zie xx en verminderde dynamiek. Klimaatverandering, actief natuurherstel en natuurontwikkeling zijn waarschijnlijk oorzaken waarom sommige kenmerkende soorten een toename laten zien.

Meetgegevens van voorkomen van diersoorten bieden hoge frequente informatie over ontwikkelingen op provinciaal niveau

Bij het interpreteren van resultaten van de toegepaste indicator is het van belang een aantal zaken te realiseren. Deze indicator heeft als startjaar het jaar 1990, het jaar waarin veel ecologische meetnetten zijn gestart. Andere indicatoren geven aan dat er halverwege vorige eeuw door grootschalige ontwatering en ruilverkaveling al veel soorten sterk zijn achteruitgegaan (zie Rode Lijst Indicator, 1995-2018; Natuurwaarde landelijk). Voorts bevat de hier gepresenteerde indicator momenteel alleen gegevens van diersoorten. Planten ontbreken. Veranderingen die primair op planten inwerken zoals verandering in milieucondities zouden hierdoor minder snel opgepikt kunnen worden. Ten slotte is bij de interpretatie van de resultaten nodig te beseffen dat de indicator uitspraken doet over een deel van ecosysteemtypen van de Nederlandse landnatuur. Hier betreft het open duin, heide en bos. Met voldoende betrouwbare gegevens (op provinciaal niveau) zouden ook uitsneden voor andere ecosysteemtypen kunnen worden toegevoegd (open grasland, moeras, zoet water, zout water, agrarisch gebied, stad enz.).

Informatie over de trendontwikkeling van natuurgebieden kan helpen om inzicht te geven of het landelijke doel van behoud van biodiversiteit dichterbij komt. Natuurgebieden vormen voor veel soorten het belangrijkste leefgebied. Behoud van natuurwaarden in deze gebieden is daarom essentieel voor behoud van biodiversiteit. Andere indicatoren zijn nodig om een compleet beeld te geven of provincies gezamenlijk gestelde doelen qua ecosysteemkwaliteit dichterbij brengen (zie Set van provinciale natuurindicatoren). 

Referenties

Relevante informatie

  • Netwerk Ecologische Monitoring
  • Methode indexcijfers (TRIM)

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Ontwikkeling van diersoorten van terrestrische natuurgebieden

Omschrijving

Ontwikkeling populatie-aantallen en verspreiding van fauna in terrestrische natuurgebieden

Verantwoordelijk instituut

CBS, WUR (Bart de Knegt), PBL (Pim Vugteveen)

Berekeningswijze

Om de indicatoren per soortgroep en voor alle soorten samen te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen meetkundig gemiddeld. Als een soort toe- of juist afneemt, neemt doorgaans zowel de verspreiding als het aantal ervan toe dan wel af. Daarom zijn indexen van populatie-aantallen en van verspreidingsindexen gecombineerd in één graadmeter.

Van een aantal soorten zijn in de eerste of laatste jaren geen indexcijfers beschikbaar (zie tabel met indexcijfers per soort). Deze ontbrekende indexcijfers zijn eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Daarna is het laatste jaar op 100 gezet en zijn de overige jaren geïndexeerd ten opzichte van dat basisjaar. Vervolgens zijn de indexen per jaar meetkundig gemiddeld. Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. De trendwaarde voor het eerste jaar is vervolgens op 100 gezet. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen. In zo'n geval liggen de meeste of zelfs alle jaarcijfers van de indicator binnen het betrouwbaarheidsinterval.

Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn. In dat geval kan een heel betrouwbare trend berekend worden en liggen veel jaarcijfers buiten het betrouwbaarheidsinterval.

Uit de betrouwbaarheidsintervallen zijn trendklassen afgeleid. Alleen deze trendklassen zijn in deze indicator gepresenteerd.

Geografisch verdeling

Provincies

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Soldaat, L.L., J. Pannekoek, R.J.T. Verweij, C.A.M. van Turnhout en A.J. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347. Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458.

Strien, A.J. van, et al. (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50. WWF Nederland (2015). Living Planet Report Nederland, staat van biodiversiteit/natuur. WWF, Zeist.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2017). Trend fauna in natuurgebieden op land provincies, 1990-2015 (indicator 1612, versie 01 , 7 december 2017 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.