Basiskwaliteit Natuur in bebouwd en agrarisch gebied, 1990-2023

Basiskwaliteit Natuur geeft weer hoe de natuur er voor staat in bebouwd en agrarisch gebied, dus buiten natuurgebieden. Dit is bepaald aan de hand van de aanwezigheid van algemene soorten broedvogels, dagvlinders en vaatplanten. Deze soorten ontbreken echter vaak of nemen in aantal af. Dit geeft aan dat zowel in bebouwd als agrarisch gebied de inrichting van het landschap, de milieucondities en het beheer onvoldoende zijn voor algemene soorten. Basiskwaliteit Natuur is dus nog niet overal op orde en gaat zelfs verder achteruit.

De betekenis van Basiskwaliteit Natuur 

Het gaat niet alleen slecht met beschermde planten- en diersoorten, maar ook de populaties van algemene soorten in agrarisch en bebouwd gebied nemen gestaag af (Biesmeijer et al. 2021; Meesters et al. 2024). Om juist die algemene soorten beter in beeld te krijgen is het begrip ‘Basiskwaliteit Natuur’ (BKN) geïntroduceerd. Hiermee wordt aangegeven of de minimale ecologische condities aanwezig zijn die nodig zijn om algemene soorten in stand te houden en om natuurlijke processen te ondersteunen. De aanwezigheid van bepaalde algemene soorten broedvogels, dagvlinders en vaatplanten (de zogenaamde BKN-soorten) geeft in deze indicator aan in hoeverre de inrichting van het landschap, de milieucondities en het beheer op orde zijn. Deze condities zijn niet alleen cruciaal voor de biodiversiteit zelf, maar ook voor het bereiken van een gezonde leefomgeving en voor het kunnen leveren van ecosysteemdiensten. Voorbeelden van ecosysteemdiensten zijn bestuiving, natuurlijke plaagonderdrukking en het bieden van een voor recreanten aantrekkelijk gebied. Basiskwaliteit Natuur richt zich op bebouwd en agrarisch gebied, waar natuur niet de primaire functie is. 

Basiskwaliteit Natuur nog buiten bereik in bebouwd en agrarisch gebied

In de periode 2018-2023 was het aantal BKN-soorten hoog in slechts 9 procent van het agrarisch gebied en 10 procent van het bebouwd gebied. ‘Hoog’ betekent dat op deze plekken 80% of meer van het maximale aantal BKN-soorten in een landschap voorkomt. Hierbij wordt aangenomen dat Basiskwaliteit Natuur daarmee behaald is. In de resterende 90% van het agrarisch en bebouwd gebied is de natuurkwaliteit lager tot veel lager. Dit komt doordat de inrichting van het landschap, de milieucondities en/of het beheer niet voldoende zijn voor de eisen die de BKN-soorten stellen. 

Basiskwaliteit Natuur in kustdorpen en in het agrarisch lösslandschap het hoogst

Het aandeel agrarisch of bebouwd gebied waar het aantal BKN-soorten als ‘hoog’ beoordeeld wordt, varieert per landschap. In agrarisch gebied scoort het lösslandschap met 12% het hoogst. De condities in dit landschap zijn beter op orde dan in andere agrarische landschapstypen. Het agrarische veenlandschap scoort met 6% het laagst. Om hier de condities voor Basiskwaliteit Natuur te verbeteren is een grotere openheid van het landschap, meer ecologisch beheer en een hogere waterstand nodig.

In bebouwd gebied hebben dorpen in het duin- en kustlandschap relatief gezien het grootste oppervlakte-aandeel met een hoog aantal BKN-soorten (15%). Steden scoren over het algemeen lager dan dorpen, wat vermoedelijk samenhangt met een lager aandeel en een geringere kwaliteit van groenvoorzieningen. Binnen steden bestaan bovendien duidelijke verschillen in het aandeel groen tussen wijken: zo was dat aandeel in villawijken in 2022 tweemaal zo groot als in vernieuwde volksbuurten.

Trend in bebouwd en agrarisch gebied

In bebouwd gebied wordt sinds 2007 de trend van BKN-soorten broedvogels weergegeven. In agrarisch gebied kunnen sinds 1990 trends berekend worden van BKN-soorten broedvogels en dagvlinders. Trends voor BKN-soorten vaatplanten of andere soortgroepen kunnen nu nog niet berekend worden. Zowel de BKN-soorten van bebouwd als van agrarisch gebied gaan in populatieomvang achteruit. In bebouwd gebied is het aantal afnemende BKN-soorten (25) hoger dan het aantal toenemende soorten (15), 10 soorten blijven stabiel. In agrarisch gebied zijn er 40 BKN-soorten die afnemen, 33 soorten die toenemen en 11 soorten die stabiel blijven. Het feit dat meer BKN-soorten broedvogels en/of dagvlinders in de afgelopen decennia zijn afgenomen dan zijn toegenomen, wijst erop dat de opgave om Basiskwaliteit Natuur te bereiken groter is geworden.

Verschillende biotopen in bebouwd gebied

In bebouwd gebied zijn verschillende biotopen (leefplekken) aanwezig waar algemene soorten gebruik van maken, zoals zoetwater en moeras, struik en struweel, park en bos, maar ook bebouwing. In steden en dorpen worden alleen broedvogels gebruikt als BKN-soorten, andere soortgroepen kunnen nu nog niet berekend worden. De trends laten zien dat de uitkomst per biotoop sterk verschilt. De vogelsoorten die leven rond zoetwater en moeras nemen toe. Deze toename hangt mogelijk samen met de aanleg van nieuwe waterpartijen en natte groengebieden in en om de stad. Watervogels profiteren daar in het algemeen van. De soorten die afhankelijk zijn van struik en struweel laten de sterkste afname zien. Deze achteruitgang houdt verband met het verlies van kwaliteit en hoeveelheid tuinen, parken en ander groen (Schoppers et al. 2022). Soorten van park en bos laten na 2019 in het algemeen een licht herstel zien. Ook soorten die broeden in of aan gebouwen tonen een lichte verbetering. Dat herstel kan samenhangen met maatregelen om nestgelegenheid te behouden of te compenseren bij renovatie en sloop. 

Verschillende biotopen in agrarisch gebied

Graslanden waaronder randen van weilanden, dijken en bermen vormen biotopen voor allerlei soorten vogels, vlinders en planten. Akkers en braakliggend terrein vormen biotopen voor soorten van akkers en pioniervegetaties en sloten, poelen en andere kleine wateren voor soorten die leven rond zoetwater. Opgaande elementen zoals bosjes en houtwallen vormen biotopen voor algemene bossoorten, maar voor deze soorten kunnen we nog geen trends berekenen in het agrarisch gebied.

In het agrarisch gebied zijn zowel broedvogels als dagvlinders meegenomen als BKN-soort. Een aantal BKN-soorten neemt sterk toe. Dat zijn vooral soorten van zoet water, zoals ganzen, die voedsel vinden op graslanden met intensieve landbouw. De BKN-soorten van grasland en akkers zijn echter afgenomen. Van de 27 graslandsoorten zijn 16 soorten afgenomen. Vooral dagvlinders zijn sinds 2012 sterk verminderd. Van 9 BKN-soorten van akkers en pioniervegetaties zijn er 6 afgenomen. Deze afname is waarschijnlijk het gevolg van de intensivering en schaalvergroting in de landbouw van de afgelopen jaren, waarbij een tekort aan nest- en schuilgelegenheid en een tekort aan voedselaanbod voor deze soorten een belangrijke rol speelt. Er zijn ook een aantal soorten die een (licht) herstel laten zien, waarschijnlijk door een toename van ecologisch maai- en/of begrazingsbeheer op bepaalde plekken. Deze trendlijnen laten zien dat van veel biotopen in agrarisch gebied de condities niet op orde zijn, wat de realisatie van Basiskwaliteit Natuur belemmert.

Basiskwaliteit Natuur agrarisch gebied in historisch perspectief

Bovenstaande trendfiguren zijn weergegeven vanaf 1990, omdat dit het startjaar van de landelijke meetnetten is. Voor bebouwd gebied is dit 2007: het startjaar van het meetnet urbane stadsvogels. De achteruitgang in bebouwd en in agrarisch gebied is echter al ver voor de start van deze trendlijnen ingezet. Dat blijkt bijvoorbeeld uit schattingen van trends van boerenlandvogels sinds 1960, waarbij het niveau van populaties in 1960 bijna twee keer zo hoog was als in 1990. Ook vogels van struweel namen tussen 1900 en 1960 al af, maar wat minder sterk dan soorten van open boerenland. Tussen 1890 en 2017 zijn dagvlinders in Nederland met 80% afgenomen (Van Strien et al. 2019).

Wanneer verder dan 1990 wordt teruggekeken in de tijd en voor een historisch referentiepunt (index op 100) voor Basiskwaliteit Natuur wordt gekozen, zou de trend verder zijn afgenomen dan in de huidige indicator wordt weergegeven.

Beleid voor Basiskwaliteit Natuur

Het Rijk wil met Basiskwaliteit Natuur (BKN) er voor zorgen dat juist buiten natuurgebieden de (voorheen) wijdverspreide en algemene soorten algemeen blijven of dat weer worden. Daarmee wil het ook zorgen voor een gezonde leefomgeving en een vitale landbouw (LVVN 2025). BKN vormt daarmee een aanvulling op bestaande beleidsdoelen voor natuur, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn, die zich vooral richten op de bescherming van bedreigde soorten en zeldzame habitats en soorten. Daarnaast dragen maatregelen om de condities voor Basiskwaliteit Natuur op orde te krijgen ook bij aan de doelen van de Europese Natuurherstelverordening voor het agrarisch en stedelijk gebied. De Natuurherstelverordening stelt voor deze gebieden namelijk ook eisen aan algemene dagvlinders van graslanden, aan boerenlandvogels en/of aan de hoeveelheid en diversiteit aan landschapselementen.

Bronnen

  • Biesmeijer, K., S. Klumpers, I. Visseren-Hanakers, D. Kleijn, R. Kwak (2021). Op weg naar Basiskwaliteit Natuur. Naturalis Biodiversity Center.
  • Grashof-Bokdam, C.J., Vellekoop, S., de Knegt, B (in prep). Naar een instrumentarium Basiskwaliteit Natuur, Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOT-technical report.
  • Kooijmans, J.L., Snep, R., van Stiphout, M. (2021). Leren van natuurrijke woonbuurten uit het verleden. https://www.kanbouwen.nl/wp-content/uploads/2021/02/Leren-van-natuurrijke-woonbuurten-uit-het-verleden.pdf
  • Kwak, R. & Louwe Kooijmans, J. (2021). Nederlandse vogels in hun domein. Vogelbescherming Nederland. KNNV Uitgeverij, Zeist.
  • LVVN (2025), Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025-2030. Den Haag: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
  • Meesters H., Biesmeijer K., Edixhoven F., Grashof-Bokdam C., Hofhuis H., Wallis de Vries M., Wortel M., Zollinger, M. (2024). Kennisdocument Basiskwaliteit Natuur.
  • Schoppers J., van Kleunen A. & Wortel M. (2022). Stadsvogelbalans 2023. Sovon-rapport 2022/88. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Stadsvogelbalans-2022 (1).pdf
  • Van Els, Kampichler, Sierdsema (2024). Randvoorwaarden basiskwaliteit vogels van stedelijk en agrarisch gebied. Sovon-rapport 2024/11. Sovon Vogelonderzoek Nederland.
  • Van Strien, A.J., van Swaay, C.A.M., van Strien-van Liempt, W.T.F.H., Poot, M.J.M., WallisdeVries M.F. (2019). Over a century of data reveal more than 80% decline in butterflies in the Netherlands. Biological Conservaiont (234): 116-122.
  • Wallis de Vries, M.F., Sierdsema, H., Gmelig Meyling, A.W., van Deijk, J., van Grunsven, R.H.A., van der Kolk, H.-J., van Norren, E., Odé, B., Reemer, M., Vaessen, A. & Zollinger, R. (2022). Meetsoorten voor Basiskwaliteit Natuur. Rapport SoortenNL, Nijmegen.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Basiskwaliteit Natuur in bebouwd en agrarisch gebied, 1990-2023

Omschrijving
  • Toestand Basiskwaliteit Natuur: oppervlakte-aandeel van maximum aantal aangetroffen BKN-soorten broedvogels, dagvlinders en vaatplanten in bebouwd en agrarisch gebied.
  • Trend van Basiskwaliteit Natuur: ontwikkeling populaties van BKN-soorten broedvogels Basiskwaliteit Natuur in stedelijk gebied en BKN-soorten broedvogels en vlinders in agrarisch gebied.
Verantwoordelijk instituut

WENR met medewerking van CBS, SOVON, Vlinderstichting en FLORON

Auteurs: Carla Grashof-Bokdam (WENR), Bart de Knegt (WENR), Richard Verweij (CBS)

Berekeningswijze

Berekeningswijze toestand Basiskwaliteit Natuur

 

Bepalen Basiskwaliteit Natuur

Het areaal waarin het minimumniveau voor Basiskwaliteit Natuur aanwezig is, kan worden afgelezen aan zowel de condities als aan de algemene soorten zelf. Voor Basiskwaliteit Natuur is een indicator ontwikkeld waarin broedvogels, dagvlinders en vaatplanten gebruikt zijn uit de meetsoortenlijst van soortorganisaties (Wallis de Vries et al. 2025). Deze soorten worden in deze indicator BKN-soorten genoemd.

 

Berekeningswijze areaal Basiskwaliteit Natuur

Voor BKN-soorten (broedvogels, dagvlinders en vaatplanten van 2018–2023) is een landsdekkende kaart gemaakt met kans op voorkomen per gridcel van 250x250 meter. Per soort is een correctie uitgevoerd voor waarnemingsinspanning. Voor broedvogels zijn de kansenkaarten gebruikt die zijn gepubliceerd in Van Els et al. (2024). Voor dagvlinders en vaatplanten zijn NDFF-waarnemingen aangevuld met occupancy-modellen. Dit houdt in dat km-hokken zonder NDFF-waarneming (maar waar de soort wel eerder is waargenomen) zijn aangevuld met gemiddelde occupancy/lijst lengte-waardes per soort over (bron: CBS). De resulterende kans van voorkomen per km-hok is vervolgens neergeschaald naar voorkomen op 250x250 meter met informatie over condities m.b.v. Random Forest-modellen van SOVON (Van Els et al. 2024). De resulterende kansenkaarten zijn vervolgens gevalideerd met de oorspronkelijke NDFF-data. Deze methodiek is vergelijkbaar met die van de CLO-indicator ‘Ecosysteemkwaliteit’.

De kansen uit deze kaarten van de geselecteerde soorten voor elk 250x250 meter-hok zijn vervolgens opgeteld tot één waarde voor alle soorten broedvogels, dagvlinders en vaatplanten samen. Elke soort weegt hierin even zwaar mee. Per landschapstype is een eigen selectie van BKN-soorten gebruikt; vervolgens is er een benchmark bepaald: de hoogste en laagste 2% van opgetelde kansen worden beschouwd als outliers en uitgesloten. Daarna zijn de opgetelde kansen van elk 250x250 meter-hok geschaald ten opzichte van een maximale score binnen dat landschapstype: maximale score = (opgetelde kans – percentiel 2) / (percentiel 98 – percentiel 2). In de figuur is aangegeven welk aandeel van het totale oppervlak van een landschapstype binnen een bepaalde kwaliteitsklasse valt: 0-20% (laag), 20-40% (vrij laag), 40-60% (midden), 60-80% (vrij hoog) en 80-100% (hoog) van het totale aantal BKN-soorten.

 

De berekening van het oppervlakte-aandeel dat een bepaald percentage haalt ten opzichte van het maximaal aantal BKN-soorten is gedaan per type landschap, voor bebouwd en agrarisch gebied apart. Bebouwd gebied en agrarisch gebied zijn toegedeeld aan landschappen: delen van Nederland die een overeenkomstig landschapsbeeld vertonen en leefgebied vormen voor soorten. Deze indeling is gebaseerd op Kwak & Louwe Kooijmans (2021) en Hofhuis et al. (2025). Vervolgens is dit oppervlakte-aandeel voor alle landschappen geaggregeerd tot ‘bebouwd gebied’ en alle agrarische landschappen tot ‘agrarisch gebied’ naar rato van hun areaal. 

 

Er is nog geen wetenschappelijke of politieke consensus over hoe vastgesteld moet worden bij welke grenswaarden van voorkomen van soorten en condities Basiskwaliteit Natuur is bereikt. Volgens de meest recente inzichten van betrokken kennis- en soortorganisaties is Basiskwaliteit Natuur bereikt als 80% van het maximaal aantal aangetroffen meetsoorten per landschap aanwezig is. In een studie van SOVON over broedvogels in het agrarisch gebied is als grens 85% aangehouden, maar hierbij is een deel van het hele verspreidingsareaal van een soort meegenomen (Van Els et al. 2024). In een studie over natuurinclusieve wijken van Kooijmans et al. (2021) blijkt een grens van 80% overeen te komen met middel-natuurinclusieve wijken. Uit langjarige studies van akkerflora en boerenlandvogels blijkt dat in de huidige situatie al veel soorten en populaties zijn verdwenen. De momenteel gehanteerde grens van ‘hoog’ bij 80% van het maximale aantal soorten kan daarom als een conservatieve eerste inschatting worden beschouwd. Momenteel wordt er zowel gewerkt aan het beter onderbouwen van deze grenswaarden, het toevoegen van de overige BKN-meetsoorten (bijen, amfibieën, paddenstoelen enz.), als aan het vaststellen van grenswaarden van de condities.

 

Berekeningswijze trends Basiskwaliteit Natuur

Voor bebouwd gebied is gebruik gemaakt van het Meetnet Urbane Soorten (MUS) (zie Trend van vogels in het stedelijk gebied. Binnen dit meetnet zijn 50 van de 83 soorten ook meetsoort voor Basiskwaliteit Natuur (Wallis de Vries et al. 2022). Deze soorten zijn opgenomen in deze indicator. Van deze soorten zijn voldoende gegevens beschikbaar om een trend in het bebouwd gebied te berekenen. Op dit moment is er nog geen stedelijk meetnet voor dagvlinders of vaatplanten. Voor agrarisch gebied is gebruik gemaakt van het meetnet Broedvogels (BMP) en het landelijk meetnet dagvlinders (zie Trend van graslandvlinders. Binnen deze meetnetten zijn 85 soorten ook BKN-soort. Deze soorten zijn opgenomen in deze indicator. Van deze soorten zijn voldoende gegevens beschikbaar om een trend in het agrarisch gebied te berekenen. Op dit moment is er nog geen agrarisch meetnet voor vaatplanten of andere soortgroepen.

 

In deze indicator zijn voor alle meetsoorten Basiskwaliteit Natuur de trend in het stedelijk en agrarisch gebied weergegeven. Alle BKN-soorten zijn toegewezen aan biotopen (Wallis de Vries et al. 2022). Soorten kunnen in meerdere biotopen voorkomen. Per biotoop is vervolgens een trendlijn berekend. In bebouwd gebied zijn er 7 meetsoorten broedvogels BKN-indicatief voor bebouwing, 25 voor hoog opgaand groen, 6 voor laag en middelhoog groen en 11 voor water en moeras. In het agrarisch gebied zijn er 27 BKN-soorten voor grasland, 9 soorten voor akkers of pioniervegetaties en 8 soorten voor zoetwater.

 

Voor details over de berekening van trends per soort en de gemiddelde trends, zie (bijv.) de Living Planet Index Nederland.

Basistabel

Zie het te downloaden bestand bij elke figuur

Geografische verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Onregelmatig

Betrouwbaarheidscodering

Toestand

C. Schattingen van trends in verspreiding zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen die met een geavanceerde statistische methode zijn geanalyseerd.

Trend

B. Schattingen van trends in populatie-aantallen zijn gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is. 

Archief van deze indicator

Actuele versie
versie‎
01

Referentie van deze webpagina

CLO (2025). Basiskwaliteit Natuur in bebouwd en agrarisch gebied, 1990-2023 (indicator 3021, versie 01, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.