Biologische bestrijding van plagen in de glastuinbouw, 2012-2024

In 2024 werden op 94,4 procent van het areaal van negen glastuinbouwgewassen biologische bestrijders ingezet om plagen te bestrijden. In 2012 was dat nog 78 procent. Voor elk van de onderzochte gewassen was het areaal met biologische bestrijding in 2024 meer dan 95 procent. Uitzonderingen waren potplanten voor de bloei en bladplanten.

Totaal tuinbouw onder glas, totaal bestrijders

In 2024 werden op 94,4 procent van het areaal van negen glastuinbouwgewassen biologische bestrijders ingezet om plagen te bestrijden. In 2012 was dat nog 78 procent. Bij de teelt van komkommers en tomaten worden deze al sinds 2020 ingezet op bijna het hele teeltoppervlak. Bij potplanten voor de bloei en bij bladplanten ligt dit percentage lager, maar nog ruim boven de 75 procent. 
In de sierteelt worden in het algemeen iets minder vaak biologische plaagbestrijders ingezet dan in de groententeelt. Dat komt doordat er bij de sierteelt geen bestrijders op het eindproduct mogen zitten en omdat het product geen zichtbare schade mag hebben. Voor potplanten en bladplanten geldt bovendien dat deze een korte groeicyclus hebben, waardoor het moeilijk is om een stabiele populatie plaagbestrijders op te bouwen.

Soorten biologische bestrijders per groep

Er is een grote verscheidenheid aan biologische bestrijders op de markt die tegen één of meerdere plagen ingezet worden. Er zijn vier groepen biologische bestrijders: (i) roofmijten en rooftripsen, (ii) sluipwespen en galmuggen, (iii) roofwantsen, gaas- en zweefvliegen en roofkevers en (iv) aaltjes. In de grafieken bij deze indicator worden drie biologische bestrijders als voorbeeld uitgewerkt: de roofmijt Phytoseiulus persimilis, de sluipwesp Encarsia formosa en de roofwants Macrolophus pygmaeus. Deze bestrijders worden in de glastuinbouw in diverse gewassen toegepast. Ook zijn deze soorten stabiele factoren in de verscheidenheid aan bestrijders waaraan regelmatig nieuwe soorten worden toegevoegd en oude soorten verdwijnen. 

Phytoseiulus persimilis (roofmijt tegen spint)

In 2024 is de roofmijt Phytoseiulus persimilis met een inzet op 67 procent van het areaal een belangrijke biologische bestrijder van spint in de tuinbouw onder glas. Dit percentage was in 2012 nog slechts 37 procent. De toepassing is met ruim 90 procent het grootst in de teelt van paprika’s, chrysanten en rozen. Ook in komkommers en gerbera’s wordt deze bestrijder op meer dan 80 procent van het areaal toegepast. In de tomatenteelt is een grote toename van deze bestrijder ten opzichte van 2020, van 18 procent naar 65 procent. Bij potplanten (bloei) en bladplanten wordt de bestrijder het minst ingezet, maar ook hier is een toename ten opzichte van 2020 te zien. De toegenomen toepassing van roofmijten (en plaagbestrijders in zijn algemeenheid) komt onder andere doordat telers biologische plaagbestrijding steeds beter weten te beheersen.

Encarsia formosa (sluipwesp tegen witte vlieg)

In 2020 is de sluipwesp Encarsia formosa met een inzet van 34 procent een belangrijke bestrijder van witte vlieg. Vergeleken met eerdere jaren is het gebruik van de soort stabiel. Bij tomaat en gerbera’s is het percentage toepassing met meer dan 80 procent het hoogst. Het aandeel van het areaal waarop deze bestrijder werd toegepast is sterk toegenomen bij aardbeien van 48 procent in 2020 naar 63 procent in 2024. Bij komkommers daalde dit percentage van 41 procent in 2020 naar 24 procent in 2024.

Macrolophus pygmaeus (roofwants tegen witte vlieg)

In 2024 is de roofwants Macrolophus pygmaeus met een inzet van 35 procent een belangrijke bestrijder van witte vlieg. Dit is vergelijkbaar met 2020. Bij tomaten is de bestrijder bijna overal toegepast in 2024. In paprika’s is het percentage vergelijkbaar met 2020, namelijk 45 procent. In de andere gewassen wordt de soort beperkt of geheel niet toegepast.

Toelichting bij de cijfers

Aan telers van komkommers, paprika’s, tomaten, aardbeien, gerbera’s, chrysanten, rozen, potplanten voor de bloei, en bladplanten is in 2012, 2016, 2020 en 2024 gevraagd naar het gebruik van biologische bestrijders tegen plagen. Ongeveer de helft van de telers in de glastuinbouw teelt een van deze gewassen in 2024, die samen 70 procent uitmaken van het totale glastuinbouwareaal in 2024. Het totale glastuinbouwareaal bedraagt 10 duizend hectare in 2024.

Relevantie

Biologische bestrijding is het bestrijden van plagen met nuttige organismen, veelal natuurlijke vijanden. Doordat veel biologische bestrijders zich kunnen verspreiden vinden de meeste toepassingen plaats in afgesloten ruimten (kassen) in de glastuinbouw. Bij de teelt van groenten, bloemen en sierplanten onder glas maken tuinders voor de bestrijding van de plagen zoals spint, trips, witte vlieg en luizen vaak gebruik van biologische bestrijders. 
De toepassing van biologische bestrijding heeft diverse voordelen. Door de inzet van biologische bestrijders kan het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen verminderen, en daarmee de milieubelasting. In bijvoorbeeld komkommers, tomaten en paprika’s heeft de toepassing van biologische bestrijding bovendien het voordeel dat deze bestrijdingsmethode geen chemische residuen op deze voedingsartikelen achterlaat. Bij het combineren van biologische bestrijding met chemische bestrijding hebben middelen die aangrijpen op een specifiek plaagorganisme en/of een lage toxiciteit de voorkeur.

Andere CLO-indicatoren over gewasbescherming

Op het Compendium worden verschillende indicatoren bijgehouden over gewasbescherming:

Relevante informatie

Meer gegevens over bestrijdingsmethoden van ziekten en plagen (chemisch, mechanisch, biologisch) is te vinden in de database StatLine van het CBS. 

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Biologische bestrijding van plagen in de glastuinbouw

Omschrijving

Ontwikkeling van de biologische bestrijding van plaaginsecten en –mijten in de teelt van groenten, bloemen en sierplanten onder glas. De indicator geeft per gewas het percentage oppervlakte waarop biologische bestrijders worden ingezet om plagen te bestrijden.
In de indicator wordt niet ingegaan op de bestrijding van ziekten en plagen met behulp van micro-organismen als schimmels, bacteriën en virussen. Deze vormen van bestrijding vallen volgens de wet onder de gewasbeschermingsmiddelen, waarbij het micro-organisme als actieve stof moet worden gezien. Micro-organismen zijn hierdoor voor de wet vergelijkbaar met chemische bestrijdingsmiddelen en zijn verboden voor gewasbescherming tenzij toegelaten. Voor biologische bestrijders volstaat een ontheffing. In de indicator wordt ook niet ingegaan op de aantallen bestrijders die zijn ingezet. Deze aantallen staan wel in de onderliggende StatLine tabel. 

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

De basisgegevens worden verzameld als onderdeel van een enquête naar het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in de land- en tuinbouw. Er wordt een steekproef getrokken onder de bedrijven in de Landbouwtelling. De uitkomsten zijn op basis van een bruikbare respons van ongeveer zevenhonderd glastuinbouw bedrijven. Meer informatie over de onderzoeksmethode geeft de publicatie Bestrijdingsmiddelengebruik in de landbouw (CBS, 2022a).

Geografische verdeling

Nederland

Andere variabelen

Aantal bedrijven (per gewas) met toepassing biologische bestrijding, percentage bedrijven (per gewas) met toepassing biologische bestrijding, areaal (per gewas) in hectare met toepassing biologische bestrijding, aantal ingezette biologische bestrijders per bestrijder (groep) en per gewas, aantallen totaal en per hectare. 

Verschijningsfrequentie

Eens per 4 jaar, onregelmatig.

Achtergrondliteratuur

Bestrijdingsmiddelengebruik in de landbouw (CBS, 2022a)

Betrouwbaarheidscodering
Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Referentie van deze webpagina

CLO (2026). Biologische bestrijding van plagen in de glastuinbouw, 2012-2024 (indicator 0567, versie 05, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.