Trend van libellen, 1991-2025

Libellen zijn sinds 1999 eerst toegenomen, maar vanaf 2010 nemen de aantallen juist weer af. Dit geldt ook voor algemene en wijdverspreide soorten. In 2025 lag de populatietrend van libellen 34% lager dan in 2010.

Libellen namen toe tot circa 2010...

Tussen 1999 en 2010 nam de omvang van populaties toe evenals de geografische verspreiding (zie tabblad “verspreiding”). De groei tot ca. 2010 is te zien bij vrijwel alle groepen libellen: zowel bij kenmerkende soorten van verschillende leefgebieden (zie tabblad “per leefgebied”) als bij algemene soorten (zie tabblad “algemene soorten). De groep koudeminnende soorten nam in deze periode niet toe, maar bleef wel stabiel (zie tabblad “warmte- en koudeminnende soorten”). 

…maar gaan sindsdien in aantal achteruit

In de periode 2010 - 2012 kantelt de situatie: de verspreiding van libellen stabiliseert, terwijl de aantallen libellen gestaag afnemen. Deze omslag rond 2010 is te zien bij zowel algemene soorten als bij meer specialistische libellen, zoals van vennen en hoogvenen. Bij sommige groepen libellen vindt de omslag echter iets later plaats: de libellen van stromend water en de libellen van laagveen en moerassen gaan vanaf ca. 2016 achteruit. De trendbreuk rond 2010 lijkt niet op zichzelf te staan: ook bij zoetwatervissen en watergebonden insecten (macrofauna) in stromende wateren slaat rond dit jaar een toename van populaties om in een afname. Sinds 1998 worden libellen tweewekelijks geteld op vaste routes binnen het Landelijk Meetnet Libellen, onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Daarmee kan voor ieder jaar een gemiddelde populatie-index worden berekend op basis van 47 soorten. Voor een grotere groep van 63 soorten kunnen ook verspreidingstrends worden berekend. Verspreidingstrends reageren vaak minder sterk op afnames dan populatietrends: pas als een soort lokaal helemaal verdwenen is, gaat dat ook in de betreffende verspreidingstrend meetellen.

Schoner water zorgde voor toename

Veel soorten libellen hebben vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw geprofiteerd van de grootschalige verbeteringen in de waterkwaliteit, met name dankzij verbeterde rioolwaterzuiveringen en afname van meststoffen in het oppervlaktewater.  In dezelfde periode zijn de vennen, een belangrijk habitat voor bijzondere libellen, iets minder zuur geworden door afname van verzurende depositie. Ten slotte spelen natuurvriendelijker inrichting van oevers en beekherstelprojecten een positieve rol. 

De verbetering van de waterkwaliteit is in deze periode ook te zien aan bijvoorbeeld een toename van watergebonden insecten (macrofauna) in beken en kanalen en een toegenomen verspreiding van zoetwatervissen.

Klimaatverandering en verdroging pakken nadelig uit 

Veel libellen van vennen en hoogvenen, zoals maanwaterjuffer en venglazenmaker, hebben het moeilijk. Klimaatverandering, en daarmee samenhangend een verminderde beschikbaarheid van zuurstof in het water, lijkt voor deze groep slecht uit te pakken. Uit recent onderzoek blijkt dat de venlibellen alleen op de meest zuurstofrijke plekjes in de vennen nog overleven. 

Daarnaast speelt sinds 2018 ook verdroging een belangrijke rol. Zo zijn soorten als speerwaterjuffer en maanwaterjuffer populaties kwijtgeraakt doordat hun voortplantingswater is opgedroogd, bijvoorbeeld tijdens de droge zomers van 2018 en 2019. De laatste jaren zien we dat de achteruitgang bij veel van deze soorten snel gaat. Enkele soorten die eind vorige eeuw nog vrij algemeen waren, hebben nog maar een paar populaties over.

Bij de libellen van stromend water vormt klimaatverandering in combinatie met verdroging ook een toenemende drukfactor, aangezien dit vaker leidt tot droogval van beken, meer extreme piekafvoeren en hogere temperaturen. De afname van deze groep libellen vanaf de zeer droge jaren 2018/2019 ondersteunt dit beeld. 

De achteruitgang van algemene soorten is een raadsel

Vanaf ca. 2010 gaan ook algemene soorten, zoals het lantaarntje en de vuurjuffer, langzaam maar zeker achteruit. De gemiddelde populatiegrootte van de vijftien meest wijdverspreide soorten van Nederland is in 2025 ten opzichte van 2010 verminderd met 34%. Deze achteruitgang is procentueel gelijk aan de achteruitgang van alle 47 soorten. Ten opzichte van 1999 nemen de algemene libellen zelfs nog harder af dan de overige libellen.

Ook in de verspreidingstrend is de achteruitgang van algemene libellen significant, wat betekent dat algemene soorten lokaal verdwijnen. 

Deze achteruitgang is vooralsnog een raadsel. Klimaatverandering vormt geen plausibele verklaring, want de groep bestaat uit meer warmteminnende (5) dan koudeminnende (0) soorten (zie ook volgende paragraaf). 

Mogelijk speelt een opstapeling van toxische stoffen wel een rol. Uit Nederlands onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat lantaarntjes zeer gevoelig zijn voor geringe concentraties thiacloprid, een insecticide uit de groep neonicotinoïden. Het middel werd wijdverbreid toegepast in meerdere landbouwsectoren, maar is sinds 2020 verboden (al wordt het nog steeds her en der aangetroffen). 

Een andere mogelijkheid is dat waterplanten, waar veel libellen van afhankelijk zijn, bepalend zijn. Uit recent onderzoek van het CBS en FLORON blijkt dat de verspreiding van het merendeel van de waterplanten in Nederland sterk is gedaald. Hieronder vallen ook algemene, weinig kritische soorten waterplanten. Een eenduidige verklaring voor deze afnames is er echter niet.

De rol van klimaatverandering

Libellen zijn koudbloedige dieren die in veel gevallen profiteren van warmere zomers. Door hun mobiliteit kunnen libellen relatief snel (in vergelijking tot andere insectensoorten) nieuwe gebieden koloniseren die door klimaatverandering geschikt zijn geworden. Warmteminnende soorten, met een meer zuidelijke verspreiding, zijn sinds 1999 met gemiddeld 5% per jaar in aantal toegenomen. Deze sterke opmars is een fenomeen dat ook op een veel grotere, Europese schaal optreedt. De laatste 12 jaar is de groei echter behoorlijk afgezwakt en nemen er zelfs meer soorten af dan toe. Koudeminnende soorten, met een meer noordelijke verspreiding, raken de laatste jaren snel leefgebied kwijt. In Nederland is deze groep sinds 2012 met gemiddeld 70% achteruit gegaan, een afname van maar liefst 9% per jaar. 

Ontwikkeling in langjarig perspectief

Tussen de periode 1850-1950 en 1976-1990 zijn libellen gemiddeld afgenomen in verspreidingsgebied. Na de periode 1976-1990 zijn libellen gemiddeld weer sterk in verspreiding toegenomen, en dat geldt vooral voor de libellen van stromend water. Deze trendontwikkeling is afgeleid uit historische waarnemingen waarmee de grootte van het verspreidingsgebied per libellensoort grofweg kon worden geschat per periode. Het gaat dan om het aantal bezette 5x5 kilometerhokken per soort.

Habitatrichtlijn

Negen soorten libellen staan op de Habitatrichtlijn.

Bronnen

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Trend van libellen

Omschrijving

Ontwikkelingen in verspreiding en aantallen van libellen als groep.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Soortenselectie en data

Sinds 1998 worden libellen tweewekelijks geteld op vaste routes, als onderdeel van het NEM Meetnet Libellen. Per soort zijn jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (methode indexcijfers, TRIM). Daarmee kan voor ieder jaar een populatie-index worden berekend op basis van 47 soorten libellen. Samen maken zij ca. 95% uit van de totale libellenbiomassa in Nederland.

 

Verspreiding

Verspreidingsgegevens komen uit de Nationale Databank Flora en Fauna en uit het NEM Meetnet Libellen. Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over verspreiding (het aantal bezette kilometerhokken) bepaald met behulp van occupancy modellen (Van Strien et al., 2013). De indicator bevat 63 soorten, ofwel, vrijwel alle soorten van Nederland. 

 

Berekening groepsindicator (multi-species indicator, MSI)

De volgende stappen worden doorlopen om tot groepsindexen te komen. De indexen per soort worden daarbij aangepast, maar alleen gedurende het berekenen van de groepsindexen.

1. Van de indexen per soort wordt het maximum van de tijdreeks op 100 gezet. Bij soorten die gedurende de tijdreeks zowel in hele lage als hele hoge absolute aantallen voorkomen wordt op deze manier – in combinatie met het instellen van een minimum indexwaarde van 1 - vermeden dat een toename van 1 naar 2 individuen eenzelfde effect op de indicator heeft als een toename van 1000 naar 2000 individuen. 

2. Als er van een soort in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar zijn dan worden deze eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Voor aantal nieuwkomers soorten zijn ontbrekende indexcijfers in de eerste jaren het gevolg van het niet voorkomen van de soort. Deze jaren zijn als harde nul ingevuld. Het gaat om de volgende soorten met aangegeven het jaar van het eerst verschijnen in Nederland: gaffelwaterjuffer (2003), kleine tanglibel (1996), gaffellibel (1995), zuidelijke glazenmaker (1994), zuidelijke keizerlibel (1997), zuidelijke oeverlibel (1995), vuurlibel (1995), zwervende heidelibel (1995), zuidelijke heidelibel (2004) en bandheidelibel (1994).

3. Vanwege de onmogelijkheid meetkundig te middelen wanneer de waarde 0 deel uitmaakt van de verzameling, worden indexcijfers van 0 opgehoogd naar 1. Indexcijfers die vallen tussen 0 en 1 worden eveneens opgehoogd naar 1.

4. Grote populatietoenamen of -afnamen van het ene jaar t.o.v. het jaar ervoor komen van nature wel eens voor. Om de invloed van al te extreme toe- of afnamen van een soort op de indicator van een hele groep enigszins te temperen wordt, conform de methode van de mondiale Living Planet Index, een maximum gesteld aan de relatieve jaar-op-jaar toe- of afname van een factor 10.

5. Om de groepsindicator te berekenen worden de (bewerkte) jaarlijkse indexcijfers meetkundig gemiddeld over alle soorten in de groep (Van Strien et al., 2016). Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.

6. Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen. 

Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn. 

Uit de trendschattingen en betrouwbaarheidsintervallen daarvan zijn trendklassen afgeleid.

7. De trendlijn wordt herschaald zodat de trend in het beginjaar (of een ander gekozen jaar) op 100 staat.

 

Basistabel

De indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staan onder het tabblad afzonderlijke soorten onder download data.

Geografische verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

CBS (2025). Meetprogramma’s voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2024. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Soldaat, L., J. Pannekoek, R. Verweij, C. van Turnhout en A. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.

Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458.

Strien, A.J. van, et al. (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50.

Strien, A.J. van & R.H.A. van Grunsven (2023). In the past 100 years dragonflies declined and recovered by habitat restoration and climate. Biological Conservation 277, 109865.

Szabo, J.K., Vesk, P.A., Baxter, P.W.J. en Possingham, H.P. (2010). Regional avian species declines estimated from volunteer-collected long-term data using List Length Analysis. Ecological Applications 20: 2157-2169.

Opmerking

In 2026 (v21) zijn verschillende verbeteringen aangebracht in de verwerking van de ruwe data. Verder is de rivierrombout verwijderd uit de verspreidingstrend, aangezien verdiepend onderzoek naar deze trends nog niet is afgerond. 

In 2025 (v20) is een populatietrend voor 47 soorten toegevoegd aan de CLO-indicator, en is één soort toegevoegd aan de verspreidingstrend. Ook is een populatietrend ontwikkeld voor de 15 meest algemene soorten

In 2024 (v19) zijn zes soorten toegevoegd aan de berekening van de verspreidingstrend. Daarnaast heeft er een actualisatie plaatsgevonden van de typische soorten per habitat.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schattingen van de trends in verspreiding zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen die met een geavanceerde statistische methode zijn geanalyseerd.

Archief van deze indicator

Actuele versie
versie‎
21
Bekijk meer Bekijk minder
versie‎
20
versie‎
19
versie‎
18
versie‎
17
versie‎
16
versie‎
15
versie‎
14
versie‎
13
versie‎
12
versie‎
11
versie‎
10
versie‎
09
versie‎
08
versie‎
07
versie‎
04
versie‎
03
versie‎
02
versie‎
01

Referentie van deze webpagina

CLO (2026). Trend van libellen, 1991-2025 (indicator 1387, versie 21, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.