Trend van fauna van zoetwater en moeras, 1990-2024
De diersoorten die voorkomen in zoet water en moeras zijn toegenomen sinds 1990. Maar vooral in vennen en hoogvenen gaan populaties van kenmerkende diersoorten de laatste jaren achteruit.
Trend fauna in zoet water en moeras
Populaties van fauna kenmerkend voor zoetwater en moeras laten sinds 1990 een toename zien (eerste tabblad). Er zijn 86 soorten vooruitgegaan, 20 soorten zijn stabiel gebleven en 72 gingen achteruit. Het betreft 176 soorten vissen, broedvogels, amfibieën, libellen, zoogdieren en vlinders. De laatste twaalf jaar is de trend verder toegenomen, al dragen wel minder soorten bij aan die toename: in de laatste 12 jaar vertonen 67 soorten een toename, 40 soorten zijn stabiel gebleven en 51 soorten gingen achteruit. De trend van 17 soorten was onzeker. In vergelijking met de trend op het land is de trend in het zoete water de afgelopen decennia duidelijk positiever. Vooral populaties van broedvogels, waaronder moerasvogels als rietzanger en blauwborst, zijn toegenomen. Ook soorten die niet gebonden zijn aan één type leefgebied, zoals kleine watersalamander, grote keizerlibel en Europese meerval, gaan gemiddeld vooruit. Verder zijn er meer bevers en otters, en soorten die hier door klimaatverandering meer voorkomen zoals de vuurlibel.
Stagnerend herstel en bedreigingen voor zoetwaterfauna
Het herstel van populaties dat is opgetreden na een lange periode van afname komt vooral door een verbeterde waterkwaliteit van de zoete wateren dankzij nationaal en internationaal milieubeleid. Diverse milieumaatregelen hebben vanaf begin jaren negentig gezorgd voor schoner water, waardoor de zoetwaternatuur herstelde en populaties van zoetwaterdieren toenamen. Ook de aanleg van natuurvriendelijke oevers en vispassages, natuurontwikkeling langs grote rivieren, met onder meer nieuwe moerassen en herstel van het natuurlijke verloop van beken, droegen hieraan bij.
De afgelopen jaren is de stijging bij veel soorten echter gestopt, of veranderd in een achteruitgang. Hierbij speelt onder meer de opkomst van exotische soorten een rol, zoals de Amerikaanse rivierkreeft. Die richt veel schade aan bij planten en dieren in zoet water. Ook temperatuurstijging, droogte en hoge stikstofuitstoot hebben een grote impact op de zoetwaternatuur, vooral op die van vennen en hoogvenen.
Trends per leefgebied
Beken en rivieren
De populatieomvang van 21 diersoorten die kenmerkend zijn voor beken en rivieren, steeg tussen 1990 en 2015 gemiddeld met 60 procent, maar daalde daarna met 20 procent (tweede tabblad). Soorten die het sterkst vooruitgaan zijn otter en bever. Vooral vissen in grote rivieren (zoals rivierdonderpad en kopvoorn) en libellen (zoals weidebeekjuffer en beekoeverlibel) gaan vanaf 2015 achteruit.
Plassen en moerassen
Plassen, meren, sloten en laagveenmoerassen zijn stilstaande wateren die vaak door de mens zijn ontstaan en meestal heel voedselrijk zijn. De populatieomvang van diersoorten die aan dit type wateren gebonden zijn, is sinds 1990 gemiddeld met 30 procent toegenomen (derde tabblad). Vooral rietvogels als rietzanger, snor en roerdomp zijn vooruitgegaan, terwijl libellen (vanaf 2018) en zoetwatervissen (vanaf 2008) weer afnemen.
Vennen en hoogvenen
De populaties van diersoorten die gebonden zijn aan vennen en hoogvenen (inclusief natte heide) namen tussen 1999 en 2010 toe met gemiddeld 40 procent (vierde tabblad). Daarna zette een daling in, en in 2024 lagen deze populaties gemiddeld 30 procent onder het niveau van 1999. Onder de afnemende soorten zijn enkele vlindersoorten (veenhooibeestje, gentiaanblauwtje), enkele vogelsoorten (wintertaling, geoorde fuut) en een aantal libellensoorten. Toenemende soorten zijn onder andere poelkikker, kraanvogel en bruine winterjuffer.
Relevante informatie
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Aantalsontwikkeling van kenmerkende fauna van zoet water en moeras
- Omschrijving
Ontwikkeling populatie-aantallen en verspreiding van kenmerkende diersoorten van zoet water en moeras
- Verantwoordelijk instituut
Centraal Bureau voor de Statistiek
- Berekeningswijze
Soortselectie en data
In de deze indicator zijn 176 inheemse soorten kenmerkend voor zoetwater en moeras opgenomen van zoogdieren (4 soorten), broedvogels (57 soorten), vissen (29 soorten), amfibieën (16 soorten), reptielen (2 soorten), libellen (63 soorten) en vlinders (5 soorten). Deze diersoorten zijn geselecteerd omdat zij meer voorkomen in zoetwater en moeras-habitats dan in andere habitats. Voor broedvogels is de indeling in de Vogelbalans 2023 gevolgd. Zie verder Van Strien et al. (2016) voor de gebruikte methode om kenmerkende diersoorten te identificeren.
Gegevens over populatie-aantallen zijn ontleend aan de landelijke meetnetten in het Netwerk Ecologische Monitoring voor zoogdieren (Zoogdiervereniging), broedvogels (Sovon), vissen, reptielen en amfibieën (RAVON) en libellen en vlinders (Vlinderstichting). Cijfers van otter, bever, Noordse woelmuis en waterspitsmuis zijn gebaseerd op opportunistische data, waarbij trends in verspreiding als benadering geldt voor de trend in populatie-aantal (bij muizen bijvoorbeeld via braakballenmonitoring van predatoren).
Berekening groepsindicator (multi-species indicator, MSI)
De volgende stappen worden doorlopen om tot groepsindexen te komen. De indexen per soort worden daarbij aangepast, maar alleen gedurende het berekenen van de groepsindexen.1. Van de indexen per soort wordt het maximum van de tijdreeks op 100 gezet. Bij soorten die gedurende de tijdreeks zowel in hele lage als hele hoge absolute aantallen voorkomen wordt op deze manier – in combinatie met het instellen van een minimum indexwaarde van 1 - vermeden dat een toename van 1 naar 2 individuen eenzelfde effect op de indicator heeft als een toename van 1000 naar 2000 individuen.
2. Als er van een soort in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar zijn dan worden deze eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten.
3. Vanwege de onmogelijkheid meetkundig te middelen wanneer de waarde 0 deel uitmaakt van de verzameling, worden indexcijfers van 0 opgehoogd naar 1. Indexcijfers die vallen tussen 0 en 1 worden eveneens opgehoogd naar 1.
4. Grote populatietoenamen of -afnamen van het ene jaar t.o.v. het jaar ervoor komen van nature wel eens voor. Om de invloed van al te extreme toe- of afnamen van een soort op de indicator van een hele groep enigszins te temperen wordt, conform de methode van de mondiale Living Planet Index, een maximum gesteld aan de relatieve jaar-op-jaar toe- of afname van een factor 10.
5. Om de groepsindicator te berekenen worden de (bewerkte) jaarlijkse indexcijfers meetkundig gemiddeld over alle soorten in de groep (Van Strien et al., 2016). Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.
6. Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.
Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen.
Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn.
Uit de trendschattingen en betrouwbaarheidsintervallen daarvan zijn trendklassen afgeleid.
7. De trendlijn wordt herschaald zodat de trend in het beginjaar (of een ander gekozen jaar) op 100 staat.
- Basistabel
De basistabel met indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staat op een apart tabblad (‘Individuele soorten’) onder ‘Download data’.
- Geografische verdeling
Nederland
- Verschijningsfrequentie
Jaarlijks
- Achtergrondliteratuur
Soldaat, L., J. Pannekoek, R. Verweij, C. van Turnhout en A. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.
Van Strien, A.J., C.A.M. van Swaay & T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50, 1450–1458.
Van Strien, A.J., Van Grunsven, R.H.A. 2023. In the past 100 years dragonflies declined and recovered by habitat restoration and climate change. Biological Conservation 277 (2023) 109865.
Van Strien, A.J., A.W. Gmelig Meyling, J.E. Herder, H. Hollander, V.J. Kalkman, M.J.M. Poot, S. Turnhout, B. van der Hoorn, W.T.F.H. van Strien-van Liempt, C.A.M. van Swaay, C.A.M. van Turnhout, R.J.T. Verweij en N.J. Oerlemans (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50.
WWF Nederland (2015). Living Planet Report Nederland, staat van biodiversiteit/natuur. WWF, Zeist.
WWF (2022). Living Planet Report, Building a nature-positive society. Almond, R.E.A., Grooten, M., Juffe Bignoli, D. & Petersen, T. (Eds). WWF, Gland, Switzerland.
WWF-NL (2023). Living Planet Report Nederland, Kiezen voor Natuurherstel. WWF-NL, Zeist.
- Opmerking
Een herziening van de soortselectie in 2026 (versie 10) heeft tot gevolg gehad dat er 176 soorten beschouwd worden als aan zoetwater en moeras gebonden diersoorten, waar dit voorheen 173 soorten betrof. Aantalstrends van 47 libellen, waar van is bepaald dat deze gebaseerd zijn op een representatieve steekproef, zijn toegevoegd ten koste van de verspreidingstrends van diezelfde soorten. Daarnaast is een aantal soorten van de indicator Fauna van het land naar deze indicator verplaatst (en vice versa), omdat die hier bij nader inzien beter passen.
De tijdreeks van vennen en hoogvenen begint in 1999 omdat van een groot deel van de soorten die opgenomen zijn in deze indicator geen gegevens beschikbaar zijn tussen 1990 en 1999.
- Betrouwbaarheidscodering
B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2026). Trend van fauna van zoetwater en moeras, 1990-2024 (indicator 1577, versie 11, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.