Compendium voor de Leefomgeving
463 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Klimaatverandering

Temperatuurtrends in Nederland en mondiaal, 1906 - 2011

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De jaargemiddelde temperatuur in Nederland is in de afgelopen honderd jaar met 1,7 oC toegenomen. Wat betreft de seizoenen zijn de lente en de zomer met 2,0 oC het sterkst opgewarmd. De andere seizoenen zijn minder opgewarmd; de gemiddelde temperatuur in de herfst ligt 1,3 oC hoger en in de winter 1,1 oC hoger. Ook de wereldgemiddelde temperatuur is gestegen in de afgelopen eeuw, namelijk met circa 0,9 oC

Temperatuurstijging in Nederland zet onverminderd door

De jaargemiddelde temperatuur in Nederland is trendmatig toegenomen en ligt nu 1,7± 0,5 oC hoger dan een eeuw geleden. Deze opwarming is statistisch sterk significant. De afgelopen 20 jaar is die stijging steeds ongeveer 0,04 oC per jaar geweest.

Temperatuur in Nederland stijgt in alle seizoenen

Deze opwarming blijkt wel verschillend verdeeld te zijn over de seizoenen. De sterkste opwarming over de afgelopen 100 jaar vond plaats in de lente en de zomer. De minste opwarming vond plaats in de winter (zie tabel 1 voor meer details):

  • Opwarming in de lente: 2,0 ± 0,8 oC
  • Opwarming in de zomer: 2,0 ± 0,8 oC.
  • Opwarming in de herfst: 1,3 ± 0,6 oC
  • Opwarming in de winter: 1,1 ± 1,2 oC.


Opmerkelijk is dat de winters de minste stijging laten zien waarbij de opwarming op de rand van statistisch significant is. Daarbij is de variabiliteit van wintertemperaturen rond de langjarige trend veruit het grootst. Deze twee fenomenen verklaren waarom koude winters nog steeds kunnen voorkomen in het Nederlandse klimaat.

De jaargemiddelde temperatuur en seizoenstemperaturen zijn berekend op basis van de zogenaamde CNT-reeks van het KNMI. Deze dataset bestaat uit vijf gehomogeniseerde meetreeksen voor het midden van het land en bevat maandgemiddelde temperaturen over de periode 1906-2011 (zie technische toelichting onderaan deze pagina). Om de data en trends daarin vergelijkbaar te maken is voor alle reeksen het gemiddelde over de periode 1961-1990 berekend en afgetrokken van alle data over de hele meetperiode 1906-2011.

Warmterecords

Als we de jaargemiddelde opwarming voor centraal Nederland in 2011 vergelijken met ander jaren in de periode 1906-2010, dan blijkt 2011 met 10,8 oC het op-twee-na warmste jaar te zijn sinds het begin van de meetreeks. De warmste jaren in Nederland waren 2006 en 2007, met een gemiddelde temperatuur van 11,1 oC. De seizoenswaarden zijn niet allemaal records. Zo was de winter van 2011/2012 kouder dan gemiddeld (bijna een Elfstedentocht), terwijl de zomertemperatuur van 2011 gemiddeld was. De lentetemperaturen waren wel de op-een-na hoogste sinds 1906. De herfsttemperatuur was de op-vijf-na hoogste in de hele reeks. Overigens is het noemen van records op zich geen bewijs voor klimaatverandering. Eén of meerdere records aan het eind van een meetreeks kunnen ook door toeval daar optreden. Daarom is het belangrijk om een goede inschatting te maken van langjarige trends (Visser en Petersen, 2012).

De temperatuur stijgt ook mondiaal

De wereldgemiddelde temperatuur is de afgelopen honderd jaar trendmatig gestegen met 0,9 ± 0,1 oC. Daarmee is deze temperatuurstijging statistisch sterk significant.

De trend in de getoonde wereldtemperatuur laat zien dat de gemiddelde temperatuur nog steeds stijgt, ook na het jaar 2000. Wel is het zo dat de jaarlijkse toename minder is dan bijvoorbeeld rond 1995.
Een onzekerheidsanalyse van de trend laat zien dat het trendverschil tussen 2011 en 2010 0,006 ± 0,020 oC bedraagt. Deze toename is wel positief, maar niet statistisch significant. Het trendverschil tussen de jaren 1995 en 1994 is veel groter en wel statistisch significant, namelijk 0,020 ± 0,010 oC.
Als oorzaken van de verminderde stijging in de laatste jaren worden een verminderde zonneactiviteit en oceaanstromingen gegeven (Foster en Rahmstorf, 2011). In 1998 had de wereld te maken met een sterke El Nino, die tot versterkte mondiale opwarming leidde, nu is er een La Nina. Vergelijkbare schommelingen hebben zich ook vroeger in de tijdreeks voorgedaan.

Warmterecords

Wereldwijd was de afwijking van de jaargemiddelde temperatuur in 2011 relatief hoog: 0,34 oC ten opzichte van de periode 1961-1990. Het jaar 2011 staat daarmee op een twaalfde positie in de rij van warmste jaren sinds 1850. Het jaar 1998 is recordhouder. De 12 warmste jaren vallen allen na het jaar 1996.

Nederland warmt veel sneller op dan mondiaal

Tot nu toe werd verwacht dat de opwarming in Nederland (en omstreken) ongeveer even snel zou verlopen als de stijging van de wereldgemiddelde de temperatuur. Nederland ligt immers op middelbare breedte en staan onder invloed van zowel land als van zee. De opwarming sinds 1950 in Nederland is echter ruim twee keer zo groot als de mondiale opwarming (Oldenborgh et al. 2003, 2009). Die snellere opwarming wordt hoogstwaarschijnlijk niet veroorzaakt door natuurlijke schommelingen. Maar komt doordat landmassa's meer opwarmen dan de oceanen. Verder heeft Nederland -net als andere delen van West-Europa- sinds 1950 te maken met meer (zuid)westenwind in de late winter en het vroege voorjaar, minder bewolking, stijgende temperaturen van het Noordzeewater en een toename in de hoeveelheid zonnestraling (door schonere lucht) in het voorjaar en de zomer (KNMI, 2008).

Relatie met klimaatverandering

De belangrijkste reden voor de trendmatige toename van de gemiddelde temperatuur op aarde in de laatste 50 jaar is waarschijnlijk het door de mens veroorzaakte versterkte broeikaseffect. Dit versterkte broeikaseffect is een gevolg van de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer. Daarnaast zijn er ook natuurlijke processen die de gemiddelde jaarlijkse temperatuur op aarde beïnvloeden. Dit zijn bijvoorbeeld variaties in de sterkte van de zonnestraling, het optreden van vulkaanuitbarstingen, El-Nino's en chaotische fluctuaties in het klimaat (IPCC, 2007).
Veel natuurlijke factoren die van invloed zijn op de mondiale temperatuur, zoals El Nino en La Nina, hebben geen of zeer beperkte invloed op de temperatuur in Nederland. Die wordt veel meer bepaald door circulatie-veranderingen in onze omgeving en door de temperatuur van de Noordzee (zie ook Dorland, 2011).

Koeling?

Er is aandacht ontstaan in de pers voor het feit dat de wereldgemiddelde temperaturen na 1998 lijken te stabiliseren. Gesuggereerd wordt dat het mondiale klimaat aan een 'koeling' begonnen zou zijn. Zo'n afvlakking van de temperatuur volgt inderdaad ook uit de hier boven vermelde trendverschillen. Een koeling blijkt echter niet uit de data. Voor een discussie over de interpretatie van deze data verwijzen we naar Strengers en Labohm (2010). Het is bij dit soort discussies belangrijk om te vermelden dat conclusies over het wel of niet stagneren van de wereldgemiddelde temperatuur sterk beïnvloed worden door de meetperiode waarover gekeken wordt. Kijken naar de laatste tien jaar leidt tot een andere conclusie dan kijken naar de laatste honderd jaar.
Tabel 1 statistische analyse temperatuur in Nederland per seizoen

Trend-kengetallen
Nederland
Lente
(± 2*s)
oC
Zomer
(± 2*s)
oC
Herfst
(± 2*s)
oC
Winter
(± 2*s)
oC
Jaar
(± 2*s)
oC
           
Trendverschil
2011 - μ2010]
0,06 ± 0,06 0,04 ± 0,05 0,013 ± 0,006 0,04 ± 0,04 0,04 ± 0,03
Trendverschil
2011 - μ1951]
1,8 ± 0,7 1,2 ± 0,7 0,8 ± 0,4 1,1 ± 1,0 1,3 ± 0,5
Trendverschil
2011 - μ1911]
2,0 ± 0,8 2,0 ± 0,7 1,3 ± 0,6 1,1 ± 1,2 1,7 ± 0,5
standaard-deviatie van residuen 0,84 0,84 0,91 1,81 0,62
Patroon trend
1906-2011
Stabiel tot 1970, daarna snel stijgend Stijgend tot 1950, dan stabiel tot 1970, en daarna snel stijgend Lineair stijgend over hele periode Stabiel tot 1970, daarna licht stijgend Licht stijgend tot 1970 en snel stijgend daarna

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Temperatuur in Nederland en wereldwijd

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), auteur: Hans Visser

Berekeningswijze

Temperatuur in NederlandDe temperatuurreeks voor centraal Nederland is beschikbaar vanaf 1906, en wordt afgekort als CNT-reeks. De data zijn te downloaden vanaf de volgende KNMI-site: http://www.knmi.nl/klimatologie/onderzoeksgegevens/CNT/tg_CNT.txt. De reeks is gecorrigeerd voor effecten van verandering van meetlocaties, hoogte van de metingen, en effecten van verstedelijking. Voor een toelichting op de CNT-reeks zie Schrier et al. (2011a, 2011b). De jaargemiddelde en seizoensreeksen voor CNT zijn gecorrigeerd voor het gemiddelde over de periode 1961-1990. Voor de jaargemiddelde reeks is dit gemiddelde 9,3 oC. Voor de winters, lentes, zomers en herfst en is dit gemiddelde respectievelijk 2,4 oC, 8,4 oC, 16,2 oC en 10,0 oC. De data in de figuren zijn dus anomalieën, net als de reeks voor de wereldgemiddelde temperatuur. Statistische trendgegevens voor de vijf CNT-temperatuurreeksen zijn samengevat in de tabel. De trends zijn weergegeven in de figuren. Daarbij zijn ook onzekerheden weergegeven. In bijgevoegde tabel is nog meer onzekerheidsinformatie gegeven. Een trendwaarde in een jaar wordt in de tabel aangeduid met de griekse letter μ. Dus het trendverschil [μ2011 - μ2010] betekent het trendverschil tussen de jaren 2011 en 2010. De aangegeven onzekerheden zijn steeds 95%-onzekerheidsmarges (de zogenaamde 2s-grenzen). Wereldgemiddelde temperatuur Voor de wereldgemiddelde temperatuur is de "HadCRUT3" reeks gebruikt die elk jaar geupdate wordt. De reeks kan gedownload worden van de CRU-site: http://www.cru.uea.ac.uk/cru/data/temperature/hadcrut3gl.txt . Op de CRU-site staat ook een uitgebreide literatuurlijst. De CRU-reeks is berekend ten opzichte van de periode 1961-1990. Het wereldgemiddelde over deze periode is circa 15 oC. Overigens zijn er meerdere temperatuurreeksen voor de wereld beschikbaar. Naast de CRU-reeks komen het NASA Goddard Institute for Space Studies in New York en het Amerikaanse nationale klimaatdata-centrum NOAA met wereldgemiddelde temperatuurreeksen. Deze vertonen een zeer grote gelijkenis met de reeks van het CRU, wat deels te verklaren is dat deze reeksen gebruik maken van overlappende data van meteorologische stations. De correlatie tussen de CRU-reeks en de NASA-reeks bedraagt R= 0.97 en de correlatie tussen CRU en NOAA is R= 0.99 (periode 1979-2009).Een vierde reeks van temperatuurdata staat bekend onder de naam 'Berkeley Earth Surface Temperature (BEST) team'. Ook deze reeks is gebaseerd op stationsdata, maar veelal andere data (doordat ze gebruik maken van een andere interpolatiemethode). Deze laatste groep heeft tot dusver alleen de wereldtemperatuur voor boven land gereconstrueerd. Een grafische weergave van de veranderingen sinds het jaar 1800 worden door het BEST-team gepresenteerd in de vorm van een animatie. Zie: http://berkeleyearth.org/movies/. De animatie laat zien dat wereldtemperaturen boven land ook sterk zijn gestegen in de afgelopen eeuw.Tenslotte komen er de afgelopen jaren ook steeds meer satellietdata beschikbaar. Deze beschrijven de temperatuur voor de lagere atmosfeer, dus in algemeen hoger dan de stationsdata. De correlatie tussen HadCRUT3 en de satellietdata ligt iets lager. Maar gegeven de hoogteverschillen in de atmosfeer zijn de correlaties nog steeds hoog: R=0.91 voor de zogenaamde UAH-reeks en R=0.95 voor de RSS-reeks. Zie ook Thorne et al. (2010) voor een vergelijking van genoemde reeksen.TrendmethodeDe trends in de temperatuurreeksen zijn geschat met het zogenaamde IRW-trendmodel. Dit trendmodel heeft als groot voordeel dat naast een trendschatting over de hele meetperiode ook onzekerheidsinformatie voor handen is. Het model geeft niet alleen onzekerheidsbanden voor trendwaarden μt, met 't' het jaartal, maar ook voor trendverschillen (zoals gegeven in de tabel). De flexibiliteit van de IRW-trend wordt bepaald door de zogenaamde een-staps-vooruit-voorspelfouten. Voor elk punt in de tijd wordt een trendvoorspelling gedaan voor het volgende jaar. Die voorspelling wordt vergeleken met de meetwaarde voor dat zelfde jaar. Zo ontstaat voor elk jaar in de meetreeks een voorspelfout. De som van gekwadrateerde voorspelfouten wordt nu zo klein mogelijk gehouden door het toegepaste Kalmanfilter. Voor details zie Visser (2004, 2005), en Visser en Petersen (2009, 2012). Het zij opgemerkt dat er verschillende methodes bestaan om trends in data te schatten. Naast de hier toegepaste IRW-trend geeft de klimaatliteratuur ook andere methodes zoals glijdend middelen over bijvoorbeeld 10 jaar, LOESS trends en polynoom-fits (Visser en Petersen, 2012). In veel gevallen zullen trendschattingen via verschillende methodes hetzelfde patroon geven. Soms kunnen resultaten afwijken, vooral aan het eind van de reeks

Basistabel

http://www.knmi.nl/klimatologie/onderzoeksgegevens/CNT/tg_CNT.txt.
http://www.cru.uea.ac.uk/cru/data/temperature/hadcrut3gl.txt

Geografisch verdeling

Nederland, wereld

Verschijningsfrequentie

tweejaarlijks

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2012). Temperatuurtrends in Nederland en mondiaal, 1906 - 2011 (indicator 0226, versie 10 , 25 mei 2012 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.