Compendium voor de Leefomgeving
482 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Klimaatverandering

Temperatuurtrends in Nederland en mondiaal, 1906 - 2013

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De jaargemiddelde temperatuur in Nederland is in de afgelopen honderd jaar met 1,5 oC toegenomen. Wat betreft de seizoenen zijn de lente en de zomer met 1,8 oC het sterkst opgewarmd. De andere seizoenen zijn minder opgewarmd; de gemiddelde temperatuur in de herfst ligt 1,3 oC hoger en in de winter 1,1 oC hoger. Ook de wereldgemiddelde temperatuur is gestegen in de afgelopen eeuw, namelijk met circa 0,9 oC.

Temperatuurstijging in Nederland zet onverminderd door

De jaargemiddelde temperatuur in Nederland is trendmatig toegenomen en ligt nu 1,5± 0,5 oC hoger dan een eeuw geleden. Deze opwarming is statistisch sterk significant. De afgelopen 20 jaar is die stijging steeds ongeveer 0,03 oC per jaar geweest.

Temperatuur in Nederland stijgt in alle seizoenen, maar niet gelijkmatig

Deze opwarming in Nederland blijkt verschillend verdeeld te zijn over de seizoenen. De sterkste opwarming over de afgelopen 100 jaar vond plaats in de lente en de zomer. De minste opwarming vond plaats in de winter (zie tabel 1 voor meer details):

  • Opwarming in de lente: 1,7 ± 0,8 oC
  • Opwarming in de zomer: 1,9 ± 0,7 oC.
  • Opwarming in de herfst: 1,3 ± 0,6 oC
  • Opwarming in de winter: 1,1 ± 1,2 oC.


Verder blijkt de variabiliteit van wintertemperaturen rond de langjarige trend veruit het grootst. Koude winters kunnen daarom nog steeds voorkomen in het huidige Nederlandse klimaat.

Temperatuurrecords 2013

Als we de jaargemiddelde opwarming voor centraal Nederland in 2013 vergelijken met ander jaren in de periode 1906-2012, dan blijkt 2013 met 9,7 oC relatief koud te zijn geweest, maar geen record. De warmste jaren in Nederland waren 2006 en 2007, met een gemiddelde temperatuur van 11,0 oC. Het koudste jaar was 1919 met een gemiddelde van 8,1 °C. De seizoenswaarden waren in 2013 vrij gemiddeld, op die van de lente na. De lente van 2013 was zeer koud, namelijk 7,3 °C. Dat was de koudste lente sinds 1984. De koudste lente in de hele meetreeks had het jaar 1958 met 7,0 °C. De koude lente van 2013 is opmerkelijk omdat de sterkste opwarming juist plaats vindt in de lente. Zo waren er vanaf 1990 11 jaren met lentetemperaturen boven de 10,0 °C en zelfs twee jaren met temperaturen boven de 11,0 °C.




Overigens is het noemen van records op zich geen bewijs voor klimaatverandering. Eén of meerdere records aan het eind van een meetreeks kunnen ook door toeval daar optreden. Daarom is het belangrijk om een goede inschatting te maken van langjarige trends (Visser en Petersen, 2012).

Herkomst KNMI-data

De jaargemiddelde temperatuur en seizoenstemperaturen zijn berekend op basis van de zogenaamde CNT-reeks van het KNMI. Deze dataset bestaat uit vijf gehomogeniseerde meetreeksen voor het midden van het land en bevat maandgemiddelde temperaturen over de periode 1906-2013 (zie technische toelichting onderaan deze pagina). Om de data en trends daarin vergelijkbaar te maken, is voor alle reeksen het gemiddelde over de periode 1961-1990 berekend en afgetrokken van alle data over de hele meetperiode 1906-2013.

De temperatuur stijgt ook mondiaal

De wereldgemiddelde temperatuur is over de periode 1913-2013 trendmatig gestegen met 0,9 ± 0,1 oC. Daarmee is deze temperatuurstijging statistisch sterk significant.

De trend in de getoonde wereldtemperatuur laat zien dat de gemiddelde temperatuur nog steeds stijgt, ook na het jaar 2000. Wel is het zo dat de jaarlijkse toename minder is dan bijvoorbeeld rond 1995.
Een onzekerheidsanalyse van de trend laat zien dat het trendverschil tussen 2013 en 2012 0,006 ± 0,017 oC bedraagt. Deze toename is wel positief, maar niet statistisch significant. Het trendverschil tussen de jaren 1995 en 1994 is veel groter en wel statistisch significant, namelijk 0,021 ± 0,009 oC.
Als oorzaken voor de verminderde stijging (de zogenaamde "hiatus") in de laatste jaren worden een verminderde zonneactiviteit en oceaanstromingen gegeven (Foster en Rahmstorf, 2011; IPCC, 2013 - Chapter 2; Kosaka en Xie, 2013; Trenberth en Fasullo, 2013). In 1998 had de wereld te maken met een sterke El Nino, die tot versterkte mondiale opwarming leidde, nu is er een La Nina. Vergelijkbare schommelingen hebben zich ook vroeger in de tijdreeks voorgedaan.

Warmterecords

Wereldwijd was de afwijking van de jaargemiddelde temperatuur in 2013 relatief hoog : 0,49 oC ten opzichte van de periode 1961-1990. Het jaar 2013 staat daarmee op een achtste positie in de rij van warmste jaren sinds 1850. Het jaar 1998 is recordhouder. De acht warmste jaren vallen alle na het jaar 1997.

Nederland warmt veel sneller op dan mondiaal

Tot nu toe werd verwacht dat de opwarming in Nederland (en omstreken) ongeveer even snel zou verlopen als de stijging van de wereldgemiddelde temperatuur. Nederland ligt immers op middelbare breedte en staan onder invloed van zowel land als van zee. De opwarming sinds 1950 in Nederland is echter ruim twee keer zo groot als de mondiale opwarming (Oldenborgh et al. 2003, 2009; PBL, 2012). Die snellere opwarming wordt hoogstwaarschijnlijk niet veroorzaakt door natuurlijke schommelingen. Wel komt dit doordat landmassa's meer opwarmen dan de oceanen. Verder heeft Nederland -net als andere delen van West-Europa- sinds 1950 te maken met meer (zuid)westenwind in de late winter en het vroege voorjaar, minder bewolking, stijgende temperaturen van het Noordzeewater en een toename in de hoeveelheid zonnestraling (door schonere lucht) in het voorjaar en de zomer (PBL, 2012).

Relatie met klimaatverandering

De belangrijkste reden voor de trendmatige toename van de gemiddelde temperatuur op aarde in de laatste 50 jaar is waarschijnlijk het door de mens veroorzaakte versterkte broeikaseffect. Dit versterkte broeikaseffect is een gevolg van de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer. Daarnaast zijn er ook natuurlijke processen die de gemiddelde jaarlijkse temperatuur op aarde beïnvloeden. Dit zijn bijvoorbeeld variaties in de sterkte van de zonnestraling, het optreden van vulkaanuitbarstingen, El Nino's en chaotische fluctuaties in het klimaat (IPCC, 2013).
Veel natuurlijke factoren die van invloed zijn op de mondiale temperatuur, zoals El Nino en La Nina, hebben geen of zeer beperkte invloed op de temperatuur in Nederland. Die wordt veel meer bepaald door circulatie-veranderingen in onze omgeving en door de temperatuur van de Noordzee (zie ook Dorland et al, 2011).

Koeling?

Er is aandacht ontstaan in de pers voor het feit dat de wereldgemiddelde temperaturen na 1998 lijken te stabiliseren. Gesteld wordt dat het mondiale klimaat aan een 'koeling' begonnen zou zijn. Zo'n afvlakking van de temperatuurstijging volgt inderdaad ook uit de hier boven vermelde trendverschillen. Een koeling blijkt echter niet uit de data. Het is bij dit soort discussies belangrijk om te vermelden dat conclusies over het wel of niet stagneren van de wereldgemiddelde temperatuur sterk beïnvloed worden door de meetperiode waarover gekeken wordt. Kijken naar de laatste tien jaar leidt bijvoorbeeld tot een andere conclusie dan kijken naar de laatste honderd jaar. Voor een discussie over de interpretatie van deze data verwijzen we naar Strengers en Labohm (2010).Zie verder ook de MetOffice website over dit fenomeen en de artikelen daar genoemd.
Tabel 1 statistische analyse temperatuur in Nederland per seizoen

Trend-kengetallen
Nederland
Lente
(± 2*s)
oC
Zomer
(± 2*s)
oC
Herfst
(± 2*s)
oC
Winter
(± 2*s)
oC
Jaar
(± 2*s)
oC
           
Trendverschil
2013 - μ2012]
0,04 ± 0,05 0,03 ± 0,05 0,013 ± 0,006 0,02 ± 0,04 0,03 ± 0,03
Trendverschil
2013 - μ1953]
1,5 ± 0,7 1,2 ± 0,7 0,8 ± 0,3 1,0 ± 1,0 1,2 ± 0,5
Trendverschil
2013 - μ1913]
1,7 ± 0,8 1,9 ± 0,7 1,3 ± 0,6 1,1 ± 1,2 1,5 ± 0,5
standaard-deviatie van residuen 0,89 0,83 0,91 1,80 0,62
Patroon trend
1906-2013
Stabiel tot 1970, daarna snel stijgend Stijgend tot 1950, dan stabiel tot 1970, en daarna snel stijgend Lineair stijgend over hele periode Stabiel tot 1970, daarna licht stijgend Licht stijgend tot 1970 en snel stijgend daarna

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Temperatuur in Nederland en wereldwijd

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), auteur: Hans Visser

Berekeningswijze

Temperatuur in NederlandDe temperatuurreeks voor centraal Nederland is beschikbaar vanaf 1906, en wordt afgekort als CNT-reeks. De data zijn te downloaden vanaf de volgende KNMI-site: http://www.knmi.nl/klimatologie/onderzoeksgegevens/CNT/tg_CNT.txt. De reeks is gecorrigeerd voor effecten van verandering van meetlocaties, hoogte van de metingen, en effecten van verstedelijking. Voor een toelichting op de CNT-reeks zie Schrier et al. (2011a, 2011b). De jaargemiddelde en seizoensreeksen voor CNT zijn gecorrigeerd voor het gemiddelde over de periode 1961-1990. Voor de jaargemiddelde reeks is dit gemiddelde 9,3 oC. Voor de winters, lentes, zomers en herfst en is dit gemiddelde respectievelijk 2,4 oC, 8,4 oC, 16,2 oC en 10,0 oC. Statistische trendgegevens voor de vijf CNT-temperatuurreeksen zijn samengevat in de tabel. De trends zijn weergegeven in de figuren. Daarbij zijn ook onzekerheden weergegeven. In bijgevoegde tabel is nog meer onzekerheidsinformatie gegeven. Een trendwaarde in een jaar wordt in de tabel aangeduid met de griekse letter μ. Dus het trendverschil [μ2013 - μ2012] betekent het trendverschil tussen de jaren 2013 en 2012. De aangegeven onzekerheden zijn steeds 95%-onzekerheidsmarges (de zogenaamde 2s-grenzen). Wereldgemiddelde temperatuur Voor de wereldgemiddelde temperatuur is de "HadCRUT4" reeks gebruikt die elk jaar geactualiseerd wordt. De reeks kan gedownload worden van de CRU-site. Op deze CRU-site staat ook een uitgebreide literatuurlijst. De CRU-reeks is berekend ten opzichte van de periode 1961-1990. Het wereldgemiddelde over deze periode is circa 15 oC. Overigens zijn er meerdere temperatuurreeksen voor de wereld beschikbaar. Naast de CRU-reeks komen het NASA Goddard Institute for Space Studies in New York en het Amerikaanse nationale klimaatdata-centrum NOAA met wereldgemiddelde temperatuurreeksen. Deze vertonen een zeer grote gelijkenis met de reeks van het CRU, wat deels te verklaren is dat deze reeksen gebruik maken van overlappende data van meteorologische stations. Verder is de CRU-reeks recentelijk aangepast door Cowtan en Way (2014). Door interpolatie laten zij de Polen meer meetellen dan in de CRU-reeks het geval is.
De onderlinge correlatie tussen de CRU-reeks, de NASA-reeks, de NOAA-reeks en de CRU-reeks zoals aangepast door Cowtan en Way is zeer hoog en bedraagt in alle gevallen R= 0.99 (periode 1900-2013).Een vijfde reeks van temperatuurdata staat bekend onder de naam 'Berkeley Earth Surface Temperature (BEST) team'. Ook deze reeks is gebaseerd op stationsdata, maar veelal andere data (doordat ze gebruik maken van een andere interpolatiemethode). Deze laatste groep heeft tot dusver alleen de wereldtemperatuur voor boven land gereconstrueerd. Een grafische weergave van de veranderingen sinds het jaar 1800 worden door het BEST-team gepresenteerd in de vorm van een animatie. Zie: http://berkeleyearth.org/movies/. De animatie laat zien dat wereldtemperaturen boven land ook sterk zijn gestegen in de afgelopen eeuw.Tenslotte komen er de afgelopen jaren ook steeds meer satellietdata beschikbaar. Deze beschrijven de temperatuur voor de lagere atmosfeer, dus in algemeen hoger dan de stationsdata. Zie Thorne et al. (2010) voor een vergelijking van een aantal reeksen.TrendmethodeDe trends in de temperatuurreeksen zijn geschat met het zogenaamde IRW-trendmodel. Dit trendmodel heeft als groot voordeel dat naast een trendschatting over de hele meetperiode ook onzekerheidsinformatie voor handen is. Het model geeft niet alleen onzekerheidsbanden voor trendwaarden μt, met 't' het jaartal, maar ook voor trendverschillen (zoals gegeven in de tabel). De flexibiliteit van de IRW-trend wordt bepaald door de zogenaamde een-staps-vooruit-voorspelfouten. Voor elk punt in de tijd wordt een trendvoorspelling gedaan voor het volgende jaar. Die voorspelling wordt vergeleken met de meetwaarde voor dat zelfde jaar. Zo ontstaat voor elk jaar in de meetreeks een voorspelfout. De som van gekwadrateerde voorspelfouten wordt nu zo klein mogelijk gehouden door het toegepaste Kalmanfilter. Voor details zie Visser (2004, 2005), en Visser en Petersen (2009, 2012). Het zij opgemerkt dat er verschillende methodes bestaan om trends in data te schatten. Naast de hier toegepaste IRW-trend geeft de klimaatliteratuur ook andere methodes zoals glijdend middelen over bijvoorbeeld 10 jaar, LOESS trends en polynoom-fits (Visser en Petersen, 2012). In veel gevallen zullen trendschattingen via verschillende methodes hetzelfde patroon geven. Soms kunnen resultaten afwijken, vooral aan het eind van de reeks

Basistabel

http://www.knmi.nl/klimatologie/onderzoeksgegevens/CNT/tg_CNT.txt.
Global temperature dataset HadCRUT4

Geografisch verdeling

Nederland, wereld

Verschijningsfrequentie

tweejaarlijks

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2014). Temperatuurtrends in Nederland en mondiaal, 1906 - 2013 (indicator 0226, versie 11 , 6 februari 2014 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.