Compendium voor de Leefomgeving
472 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Milieugevaarlijke stoffen

Risico voor het waterleven door gewasbeschermingsmiddelen 2012-2016

De overheid heeft in de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst beleid geformuleerd voor duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Conform de EU-Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden betekent duurzaam gebruik onder andere vermindering van de risico's van gewasbeschermingsmiddelen voor de biodiversiteit, waaronder het waterleven. Deze doelstelling is voor veel teelten niet gehaald: met name in de open teelten is het berekende risico voor het waterleven in 2016 namelijk met ruim 30 procent gestegen ten opzichte van 2012. Dit komt onder andere door een verschuiving van het gebruik naar meer toxische gewasbeschermingsmiddelen.

Per hectare is het verbruik van gewasbeschermingsmiddelen toegenomen

Het totale verbruik van gewasbeschermingsmiddelen is in de periode 2012-2016 met 5 procent afgenomen. Tegelijkertijd is de dosering per hectare met 2 procent toegenomen. De hogere dosering per hectare hangt vooral samen met verschuivingen in teeltoppervlakten (CBS 2018). Zo is de beteelde oppervlakte van intensief bespoten gewassen, zoals tulpen en lelies, in 2016 met respectievelijk 17 en 19 procent gestegen ten opzichte van 2012. De oppervlakte van extensief bespoten gewassen zoals snijmaïs en tarwe is in deze periode juist gedaald.

De emissies zijn afgenomen maar het risico voor het waterleven is toegenomen

Per hectare is het verbruik van gewasbeschermingsmiddelen toegenomen terwijl de emissies zijn gedaald (figuur "indicatoren voor milieubelasting"). Dit wordt onder andere veroorzaakt doordat de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen minder uitspoelen (Verschoor et al. 2019). Ondanks dat de emissies zijn afgenomen, is het berekende risico voor waterorganismen met 32 procent gestegen. (Het risico wordt uitgedrukt in toxische eenheden, waarbij één toxische eenheid overeenkomt met de concentratie van een gewasbeschermingsmiddel in oppervlaktewater gelijk aan de KRW-norm voor chronische blootstelling van waterorganismen, de JG-MKN). Dit is het gevolg van een verschuiving naar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met een hogere toxiciteit (Verschoor et al. 2019; PBL 2019). Er zijn wel verschillen tussen de sectoren (figuur "risico per sector"). In de akkerbouw is het berekende risico voor waterleven in het oppervlaktewater door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per hectare het hoogst en in de veehouderij (gras- en maïsland) het laagst. Het berekende risico is in de akkerbouw het meest gestegen, namelijk met 39 procent ten opzichte van 2012. Daarentegen worden in de bloembollenteelt, de fruitteelt en de boomteelt minder hoge risico's berekend. Ook in bedekte teelten (kassen) is het berekende risico afgenomen. Hier is - in tegenstelling tot de open teelten - het gebruik van toxische stoffen verminderd (PBL 2019).

Verwaaiing direct na het spuiten (drift) veroorzaakt de meeste risico's voor het waterleven

Het risico voor het waterleven is berekend met behulp van de Nationale Milieu Indicator gewasbescherming (de NMI4; Kruijne et al. 2011; Verschoor et al. 2019). De NMI beschrijft emissies via het verwaaien van de spuitnevel (drift), atmosferische depositie, uitspoeling vanuit de bodem, drainage en spui vanuit kassen (figuur "emissieroutes"). Van deze landbouwkundige toepassingen draagt drainage met 19.000 kg het meest bij aan de emissies naar het oppervlaktewater. De hoeveelheid werkzame stof die via drift in het oppervlaktewater terechtkomt, is met 870 kg relatief klein. Toch veroorzaken emissies door drift de meeste risico's voor het waterleven: in 2016 werd 96 procent van het berekende risico door drift veroorzaakt (PBL 2019). Gewasbeschermingsmiddelen komen na verwaaiing immers zonder verdunning door regenwater in het oppervlaktewater terecht. Daardoor ontstaan direct na het spuiten hoge piekconcentraties. Juist deze piekconcentraties zijn van belang voor effecten op het waterleven (EFSA PPR Panel 2013).

Het berekende risico wordt gedomineerd door drie zeer toxische stoffen

De milieubelasting wordt gedomineerd door drie stoffen, namelijk de insecticiden deltamethrin, lambda-cyhalothrin en esfenvaleraat (Verschoor et al. 2019). Ondanks dat deze stoffen slechts 0,1 procent van het totale verbruik omvatten, zijn ze goed voor 90 procent van het berekende risico van gewasbeschermingsmiddelen voor waterorganismen. Dit betekent dat de waterkwaliteit effectief kan worden verbeterd door de meest toxische stoffen aan te pakken (PBL 2012; 2019).

Meest risicovolle gewasbeschermingsmiddelen voor het waterleven
2012 2016
    1.000 toxische eenheden Aandeel     1.000 toxische eenheden Aandeel
1 Deltamethrin 14.473 63% 1 Deltamethrin 17.570 59%
2 Lambda-cyhalothrin 4.798 21% 2 Lambda-cyhalothrin 6.587 22%
3 Esfenvaleraat 1.328 6% 3 Esfenvaleraat 2.611 9%
  Overige stoffen 2.060 10%   Overige stoffen 2.677 10%
Bron: RIVM

Metingen en modelberekeningen vullen elkaar aan

Ondanks dat uit metingen van gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater blijkt dat het aantal normoverschrijdingen afneemt, neemt het berekende risico voor waterorganismen toe. Dat het risico toeneemt, wordt veroorzaakt door de verschuiving van het gebruik naar toxische stoffen. Deze stoffen komen in zulke lage concentraties voor, dat met de huidige analysemethoden niet betrouwbaar kan worden vastgesteld of ze in het oppervlaktewater normoverschrijdend aanwezig zijn, de zogenoemde niet-toetsbare stoffen. De drie meest risicovolle gewasbeschermingsmiddelen (zie tabel) zijn allemaal niet-toetsbaar. Aangezien ze goed zijn voor 90 procent van het berekende risico, is het aannemelijk dat de trend in het aantal gemeten normoverschrijdingen in het oppervlaktewater geen goede weergave biedt van de werkelijke risico's (zie verder PBL 2019). Om meer zicht te krijgen op het effect van niet-toetsbare stoffen op de waterkwaliteit, is de overheid een aanvullende meetcampagne gestart waarvan de resultaten in 2021 verwacht worden.

Berekeningen gelden voor kleine wateren

De berekeningen gelden voor wateren direct langs landbouwpercelen (zogenoemde "edge-of-field surface waters"). Voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) wordt echter gerapporteerd op het niveau van aangewezen KRW-waterlichamen. Dit zijn vaak grotere wateren die niet alleen door landbouw worden beïnvloed. Bovendien wordt voor de KRW slechts een beperkt aantal gewasbeschermingsmiddelen gerapporteerd (namelijk prioritaire stoffen en specifiek verontreinigende stoffen).
Er waren in 2020 45 prioritaire stoffen. Deze stoffen bepalen de zogenoemde "chemische toestand" voor de KRW. Prioritaire stoffen zijn stoffen die in heel Europa met voorrang worden aangepakt en waarvan de Europese Commissie de milieukwaliteitsnormen heeft vastgesteld. De "specifiek verontreinigende stoffen" worden nationaal vastgesteld. De huidige gewasbeschermingsmiddelen vallen voornamelijk onder de "specifiek verontreinigende stoffen" en voor een klein deel onder de "prioritaire stoffen". Een uitgebreide toestandsbepaling voor de KRW is te vinden in de Nationale Analyse Waterkwaliteit (Gaalen et al. 2020).

Referenties

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Risico's door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het waterleven

Omschrijving

Risico's door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het waterleven. Deze wordt uitgedrukt in toxische eenheden (Milieu Indicator Punten oftewel MIP's). Eén toxische eenheid of MIP komt overeen met de concentratie van een gewasbeschermingsmiddel in oppervlaktewater gelijk aan de KRW-norm voor chronische blootstelling van waterorganismen (de JG-MKN).

Verantwoordelijk instituut

Wageningen Environmental Research in samenwerking met Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Tekst opgesteld door Planbureau voor de Leefomgeving

Berekeningswijze

De risico's zijn berekend met de NMI 4 (Kruijne et al 2011; 2012). Deze indicator heeft globaal dezelfde aanpak als de indicator HAIR 2010, die in de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst genoemd wordt als het instrument om de voortgang van het gewasbeschermingsbeleid te monitoren. De NMI 4bestaat uit een aantal eenvoudige modules die bedoeld zijn om op landelijke schaal emissie indicatoren en risico indicatoren (milieubelasting) te kunnen berekenen voor een groot aantal landbouwkundige toepassingen. De resultaten zijn geschikt om trends af te leiden en om op jaarbasis emissies en risico's van toepassingen van dezelfde soort met elkaar te vergelijken. De beschrijving van het gebruik is gebaseerd op CBS-waarnemingen en afzetcijfers volgens de NVWA. Omdat het CBS geen waarnemingen doet in grasland is het gebruik in dit gewas gebaseerd op cijfers van WEcR. Enkele stoffen in de CBS-waarnemingen zijn niet in de NMI opgenomen. Om deze redenen wijken de afzetvolumes in de NMI enigszins af van de indicatoren van het CBS en de NVWA. De berekeningen vinden plaats voor 6405 unieke combinaties van landgebruik, bodemtype, de zogenoemde STONE-plots en gepresenteerd op een schaalniveau van 250x250 m2. Alle gegevens zijn opgeslagen in een database. In de NMI 4 is de risico indicator voor het aquatisch milieu gebaseerd op de jaargemiddelde waterkwaliteitsnorm (JG-MKN). Voor een aantal stoffen is deze norm niet beschikbaar en is de MTR (Maximum Toelaatbaar Risico), of de ad-hoc MTR gebruikt. De waarden van de chronische waterkwaliteitsnorm voor de stoffen in NMI 4 zijn op 2 april 2019 ontvangen van RIVM. Voor elke risico indicator geldt, wanneer een wettelijke norm voor een specifieke stof ontbreekt, dat er gerekend wordt met de mediane waarde van de betreffende stofgroep. Dit is bijvoorbeeld voor minerale oliën het geval. Gezien de vereenvoudigde aannames waarop de risico indicatoren gebaseerd zijn, geven deze geen uitsluitsel over de ernst van de effecten en moeten deze gezien worden als een relatieve maat voor het geheel van alle stoffen.

Basistabel

De NMI berekent de risico's met behulp van het verbruik van gewasbeschermingsmiddelen en geografische informatie (zie berekeningsmethode). Deze is beschikbaar in de NMI 4-database (Kruijne et al. 2011; 2012).

Geografisch verdeling

Nederland, 250 x 250 m2

Andere variabelen

Emissies in kg/jaar per landbouwsector, gewas en/of actieve stof.

Verschijningsfrequentie

De gegevens worden vierjaarlijks bij elkaar gebracht, tezamen met de update van de CBS-cijfers gewasbeschermingsmiddelen

Achtergrondliteratuur

Zie Kruijne et al. (2011; 2012), Verschoor et al. (2019) en PBL (2019).

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2020). Risico voor het waterleven door gewasbeschermingsmiddelen 2012-2016 (indicator 0548, versie 05 , 1 september 2020 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.