Compendium voor de Leefomgeving
521 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend van libellen, 1991-2014

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De libellen zijn sinds 1991 aanzienlijk toegenomen. De laatste jaren lijkt de toename na een het bereiken van een piek om te buigen naar een lichte afname.

Libellenfauna-toename omgebogen

Sinds 1991 is de libellenfauna in Nederland gemiddeld genomen ruim 44% vooruitgegaan in verspreiding (zie tabblad Verspreiding). Dat komt doordat er meer in verspreiding toenemende dan afnemende soorten zijn (37 tegen 6 soorten, met 16 stabiele soorten). In 2007 is een piek bereikt, waarna de trend lijkt om te buigen: er is geen verdere toename meer in de verspreiding van libellen en zelfs een recente afname in populatie-aantallen (zie tabblad Aantal).

Rode Lijst libellen

De toename over de langere termijn van veel soorten libellen heeft geleid tot minder bedreigde soorten op de Rode Lijst voor libellen (zie tabblad Rode Lijst Indicator). Omdat in de laatste jaren de toename is gestopt is er ook in de Rode Lijst in de laatste jaren weinig verdere verbetering.

Soortspecifieke ontwikkelingen

Bij een nadere beschouwing van de soortspecifieke ontwikkelingen (zie hieronder Tabel Verspreiding: indexcijfers per soort) blijkt dat 27 soorten na een gestage toename tot 2007 daarna een stabilisatie of afname laten zien en dat twee soorten na een min of meer stabiel populatieverloop na 2007 zijn gaan afnemen. Daarnaast zijn er vier soorten die een continue afname over de gehele periode sinds 1991 laten zien. Aan de andere kant is er echter ook nog steeds een groep van 10 soorten die een continue toename laten zien. Als laatste zijn er nog twee restgroepen die na een afnemend populatieverloop na 2007 stabiel werden of zijn gaan toenemen of waarvan de ontwikkelingen stabiel of onzeker zijn (11 soorten).

Oorzaken: waterkwaliteit en klimaatverandering

Een aantal soorten libellen, zoals de beekjuffers, heeft geprofiteerd van verbeteringen van de waterkwaliteit en de natuurvriendelijker inrichting en beheer van wateren. Ook zijn er soorten in opkomst door de klimaatverandering, bijvoorbeeld de vuurjuffer, tengere pantserjuffer, kleine roodoogjuffer en grote keizerlibel. Nu verdergaande milieuverbeteringen uitblijven ontstaat voor de soorten die zijn toegenomen een nieuw evenwicht, waardoor de populatietrends stabiliseren. Sommige soorten gaan waarschijnlijk juist achteruit door waterkwaliteitsverbeteringen, waaronder het lantaarntje, watersnuffel en gewone oeverlibel.
Deze soorten zijn nog steeds zeer algemeen, maar vanaf ongeveer 2007 neemt hun verspreiding af. Vermoedelijk speelt hier interactie tussen soorten (competitie en/of predatie), waarbij de algemenere soorten terrein hebben moeten inleveren aan de wat kritischere soorten, als reactie op de milieuverbeteringen (Termaat & van Strien 2015).

Referenties

  • Termaat, T, K. Huskens en A.J. van Strien (2015). Libellen geteld. Jaarverslag 2014. Rapport VS2015.006. De Vlinderstichting, Wageningen.
  • Termaat, T. & A. van Strien (2015). Libellen: is de grootste winst voorbij? Vlinders 2: 10-12.
  • Van Strien, A., R. Verweij, M. de Zeeuw, L. van Duuren en L. Soldaat (2014). Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De Levende Natuur.(115) 5.
  • WWF (2014). Living Planet Report 2014, Species and spaces, people and places. WWF, Gland, Zwitserland.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Trend van libellen

Omschrijving

Ontwikkelingen in verspreiding en aantallen van libellen als groep

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Soortenselectie en data
Alle 57 inheemse soorten libellen zijn in de indicator over verspreiding opgenomen, maar er zijn maar van 41 soorten populatietrends voorhanden. Aantalsgegevens zijn ontleend aan het landelijke meetnet libellen van het Netwerk Ecologische Monitoring. Verspreidingsgegevens komen uit de Nationale Databank Flora en Fauna en uit het meetnet.

Trendberekening
Met de meetnetgegevens zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM). Met de NDFF-data zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over verspreiding bepaald met behulp van occupancy modellen (Van Strien et al., 2013). Om de indicatoren te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over verspreiding en over populatie-aantallen meetkundig gemiddeld over alle soorten (met indexwaarde 1991 = 100 respectievelijk 1999 = 100 voor elke soort). Over de jaren heen is een smoothing algoritme toegepast om flexibele trends te bepalen en daaruit zijn trendklassen afgeleid. De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator zijn gebaseerd op de betrouwbaarheidsintervallen van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al. in voorb.). De Rode Lijst Indicator, 1995-2017 is gebaseerd op het aantal soorten op de Rode Lijst per jaar (RLI-Lengte). De variant RLI-kleur telt ook de verschuivingen tussen de categorieƫn op de Rode Lijst mee.

Vergelijking methode trendberekening met LPI internationaal
De gebruikte methode is grotendeels ontleend aan die van de internationale Living Planet Index van WWF (WWF, 2014). Dat houdt in dat de jaarlijkse indexcijfers van de afzonderlijke soorten meetkundig worden gemiddeld en dat dezelfde regel wordt gehanteerd om de invloed van sterk fluctuerende soorten te reduceren. Dat laatste houdt in dat indexcijfers die meer dan een factor 10 verschillen van die in het voorgaande jaar niet meedoen in de LPI (pers. comm. Loh & McRae, 2014). Er zijn echter ook enkele statistische verschillen tussen de Nederlandse en de internationale LPI: (1) De statistische methode om indexcijfers per soort te bepalen is anders. Bij de Nederlandse LPI wordt een GLM toegepast, bij de WWF-LPI een GAM. (2) Om de LPI minder te laten fluctueren van jaar op jaar wordt een smoothing algoritme toegepast. Bij de internationale LPI gebeurt dat met een GAM per afzonderlijke soort. Bij de Nederlandse LPI gebeurt dat pas bij het meetkundig middelen van alle soorten. (3) De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator verschillen. Bij de Nederlandse LPI wordt ook de onzekerheid van de indexen per soort opgenomen; bij de WWF-LPI is dat niet het geval.

Basistabel

De indexen van de individuele soorten met hun trend op basis van ontwikkelingen in respectievelijk verspreiding en aantallen zijn te vinden in twee tabellen via de links in de hoofdtekst.

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Termaat, T, K. Huskens en A.J. van Strien (2015). Libellen geteld. Jaarverslag 2014. Rapport VS2015.006. De Vlinderstichting, Wageningen.
Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50, 1450-1458.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schattingen van de trend in populatie-aantal zijn gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.
C. Schattingen van trends in verspreiding zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen die met een toegesneden statistische methode zijn geanalyseerd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2015). Trend van libellen, 1991-2014 (indicator 1387, versie 11 , 2 september 2015 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.