Europese Kaderrichtlijn Water - oppervlaktewater
In de Kaderrichtlijn Water (KRW) is het Europese beleid voor de bescherming en beoordeling van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa vastgelegd. De KRW bevat een systematiek voor het beoordelen van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater.
Onderstaand wordt een toelichting gegeven op de Nederlandse uitwerking van de KRW. Hierbij beperkt de beschrijving zich tot het oppervlaktewater. Grondwater wordt beschreven op de CLO-pagina Grondwater Kaderrichtlijn Water.
Doel van de Kaderrichtlijn Water
De Nederlandse waterkwaliteit wordt voor een belangrijk deel beoordeeld op basis van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze richtlijn heeft als doel dat alle Europese wateren in 2027 chemisch schoon en ecologisch gezond zijn. De KRW zet de bescherming van ecosystemen centraal. Het idee is dat als het waterecosysteem in een goede ecologische en chemische toestand is het water duurzaam gebruikt kan worden voor menselijke toepassingen, zoals drinkwaterwinning en recreatie. Als het door natuurlijke omstandigheden niet mogelijk is om op tijd de doelen te halen, is het volgens de KRW voldoende als in 2027 alle benodigde maatregelen zijn getroffen om op termijn de doelen wel te halen. Ook is in bepaalde situaties een beroep op uitzonderingen (STOWA 2018) mogelijk.
Meest recente toestandsbeoordeling
De meest recente toestandsbeoordeling van de Nederlandse oppervlaktewaterwaterlichamen staat op de CLO-pagina Waterkwaliteit oppervlaktewater. De data zijn afkomstig van het Waterkwaliteitsportaal van het Informatiehuis Water.
Inkadering van de Kaderrichtlijn Water
Op 22 december 2000 is de KRW van kracht geworden. De richtlijn heeft twee Europese dochterrichtlijnen: de 'Grondwaterrichtlijn' en de 'Richtlijn Prioritaire Stoffen'. Om de doelen van de KRW te kunnen halen, is er een sterke link met andere Europese richtlijnen, waaronder de Nitraatrichtlijn, de Richtlijn Stedelijk Afvalwater, de Richtlijn Industriële Emissies, de Drinkwaterrichtlijn en de Richtlijn Duurzaam Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de verordeningen voor de toelating van stoffen (zie paraplu wetgeving onder REACH). Nationaal is de KRW via de Omgevingswet geïmplementeerd. Zie verder De Kaderrichtlijn Water in Nederland op het Informatiepunt Leefomgeving.
Typering, categorisering en status van wateren
Nederland heeft bij de start van de KRW besloten om aan de Europese Commissie te rapporteren over 745 wateren (de ‘KRW-waterlichamen’). Deze waterlichamen zijn gecategoriseerd als rivier, meer, overgangswater, kustwater en territoriale water. De sloten, die de haarvaten van het watersysteem vormen, en ook vennen en zwemplassen zijn niet of beperkt opgenomen (CLO, 1401).
Daarnaast hebben deze waterlichamen een status op basis van de inrichting toegewezen, namelijk natuurlijk, sterk veranderd of kunstmatig (zie kaart ‘Status waterlichamen’). Nederland heeft ruim 98 procent van de waterlichamen geschaard onder de KRW-categorie ‘sterk veranderd’ of ‘kunstmatig’. Alleen grotere wateren zoals de Waddenzee, de territoriale wateren, het merendeel van de kustwateren, het Naardermeer en een aantal kleinere beken of rivieren in het zuiden en in Oost-Nederland hebben de status ‘natuurlijk’ gekregen. Voor kunstmatige en sterk veranderde wateren gelden lagere normen en doelen dan voor natuurlijke wateren (zie volgende paragraaf).
Stroomgebieden
Binnen de KRW spelen stroomgebieden een belangrijke rol. Binnen die stroomgebieden werken waterschappen, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten samen. Omdat stroomgebieden niet ophouden bij de landsgrenzen, is internationale samenwerking verplicht. Nederland is ingedeeld in vier stroomgebieden: Maas, Rijn, Schelde en Eems. Het stroomgebied Rijn bestaat uit drie deelstroomgebieden: Rijn-Noord, Rijn-West en Rijn-Oost (zie kaart ‘Stroomgebieden’).
Schema beoordeling oppervlaktewater
De toestandsbeoordeling wordt uitgevoerd voor elk van de 745 aangewezen KRW-waterlichamen. Deze beoordeling bestaat uit een groot aantal afzonderlijke beoordelingen van zogeheten kwaliteitselementen (zie ‘Schema KRW’). Het schema laat zien hoe de oordelen per kwaliteitselement worden geïntegreerd tot een eindoordeel over de toestand van een waterlichaam.
Voor de ecologische toestand geldt het zogenaamde one-out, all-out-beginsel: een waterlichaam verkeert alleen in een goede ecologische toestand als alle kwaliteitselementen tenminste als ‘goed’ of ‘’voldoet’ worden beoordeeld. De achterliggende gedachte is dat een ecosysteem alleen goed kan functioneren als alle dier- en plantensoorten in de juiste samenstelling aanwezig zijn en als de omgevingsfactoren (fysisch-chemische kwaliteit, de hydromorfologie en toxische stoffen) op orde zijn. Hiervoor worden concrete KRW-doelen aan de hand van normen vastgelegd per onderleggend element (voor de doelafleiding zie hieronder). De biologische kwaliteit staat centraal in het oordeel over de ecologische kwaliteit.
Alleen als de biologische kwaliteit minstens goed is, worden de omgevingsfactoren getoetst (zie verder het schema). Overigens moet worden opgemerkt dat voor nutriënten (valt als ondersteundende parameter onder de fysisch-chemisch kwaliteit) door Nederland (soms) een afwijkende aanpak wordt gebruikt, waarbij voor stikstof- en fosforverbindingen one in, all-in wordt gehanteerd (Rötscheid et al., 2026). Uit onderzoek blijkt dat deze keuze voor one in, all-in mogelijk tot onderschatting van de risico’s op eutrofiëring leidt (Jarvie et al., 2018).
Twee sporen: chemische en ecologische kwaliteit
De chemische kwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van ‘prioritaire stoffen’. Dit zijn stoffen die in heel Europa een probleem vormen en waarvan de normen Europees worden vastgesteld.
De ecologische kwaliteit is sterk afhankelijk van regionale omgevingsfactoren zoals klimaat en bodemeigenschappen. Om deze reden worden de ecologische doelen per lidstaat vastgesteld. Onder de ecologische doelen vallen de biologische kwaliteit, de fysisch-chemische parameters en de hydromorfologie (zie ook volgende paragraaf). Bij het vaststellen van de doelen, normen en maatlatten hiervoor vindt een check plaats om te grote verschillen tussen lidstaten te voorkomen (de zogeheten ‘intercalibratie’).
Om pragmatische redenen valt tot eind 2027 ook een deel van de toxische stoffen onder de ecologische beoordeling, dit betreft de zogeheten ‘specifiek verontreinigende stoffen’. Dit zijn stoffen waarvan gedacht wordt dat de mate van aanwezigheid regionaal per stroomgebied sterk verschillen. In tegenstelling tot de normen voor de prioritaire stoffen, worden de normen voor de specifiek verontreinigende stoffen per lidstaat vastgesteld. Overigens zullen volgens een amendement op de KRW vanaf eind 2027 de specifiek verontreinigende stoffen worden onderbracht onder het spoor voor de chemische kwaliteit en niet langer onder de ecologische kwaliteit.
De kwaliteitselementen uitgesplitst
Het schema laat vijf zogeheten ‘kwaliteitselementen’ zien. Zie de blauwe vlakken in de bovenste rij van het schema met achtereenvolgens biologische kwaliteit, fysisch-chemische kwaliteit, specifiek chemische stoffen, hydromorfologie en prioritaire stoffen. Om tot een oordeel over deze vijf kwaliteitselementen te komen, wordt een groot aantal onderliggende parameters beoordeeld. Ook hier geldt weer (grotendeels) het one-out, all-out beginsel: een kwaliteitselement voldoet pas als alle onderliggende parameters aan de daarvoor geldende normen voldoen of als goed worden beoordeeld. Voor toxische stoffen is het oordeel ‘voldoet’ of ‘voldoet niet’. Toetsing vindt plaats aan de hand van milieukwaliteitsnormen. Voor de biologie, de fysisch-chemische kwaliteit en de hydromorfologie zijn er vijf klassen (‘zeer goed’, ‘goed’, ‘matig’, ‘ontoereikend’ en ‘slecht’). Voor de ecologie geldt als doel dat de kwaliteit minstens goed moet zijn. De kwaliteitselementen zijn als volgt opgebouwd:
- De beoordeling van de biologische kwaliteit bestaat uit vier elementen: visstand (de juiste vispopulaties), fytoplankton (de juiste hoeveelheid en samenstelling van algen), macrofauna (kleine waterdiertjes, vooral insecten) en waterplanten;
- De beoordeling van de fysisch-chemische kwaliteit bestaat uit beoordelingen van de parameters stikstof, fosfor, doorzicht, temperatuur, zuurstof, zuurgraad en zoutgehalte (chloride);
- De specifiek verontreinigende stoffen worden op het niveau van stroomgebieden aangewezen. Momenteel zijn er 77 specifiek verontreinigende stoffen, waaronder gewasbeschermingsmiddelen, metalen, ammonium en PAK’s. Dit kwaliteitselement voldoet pas als alle specifiek verontreinigende stoffen voldoen aan de normen;
- De hydromorfologie wordt beoordeeld op basis van de afvoerdynamiek en de connectiviteit (mogelijkheid voor dieren om zich te verplaatsen tussen en binnen waterlichamen). De hydromorfologie speelt alleen een rol bij de beoordeling van de toestand van natuurlijke wateren (zie tekst verderop). In tegenstelling tot de andere kwaliteitselementen, wordt de hydromorfologie niet integraal gemonitord in Nederland. Dit heeft vooral te maken met het feit dat deze voor de doelafleiding al een grote rol speelt. Wel worden deelaspecten bijgehouden, bijvoorbeeld de migratiemogelijkheden voor trekvissen;
- De prioritaire stoffen worden op Europees niveau aangewezen. Ook worden de normen voor deze stoffen Europees bepaald. Er zijn op dit moment 45 prioritaire stoffen. Volgens een amendement op de KRW worden eind 2027 nieuwe stoffen toegevoegd aan de lijst met prioritaire stoffen, waaronder een som-norm voor 25 PFAS-verbindingen en een aantal geneesmiddelen.
Doelen voor de biologische en fysisch-chemische kwaliteit
Voor de beoordeling van de biologische, de fysisch-chemische kwaliteit en de hydromorfologie zijn vijf klassen vastgesteld: ‘zeer goed’, ‘goed’, ‘matig’, ‘ontoereikend’ en ‘slecht’. Het doel is voor ieder waterlichaam minstens een goede toestand te bereiken. De beoordeling verschilt tussen natuurlijke wateren en sterk veranderde of kunstmatige wateren (STOWA, 2018):
- Voor de natuurlijke wateren zijn de doelen vastgesteld ten opzichte van een natuurlijke referentie, dit is de Zeer Goede Ecologische Toestand (ZGET). Het doel is om minstens de Goede Ecologische Toestand (GET) te halen. Dat is de toestand waarbij de biologische maatlatten maximaal 40 procent afwijken van de referentietoestand (STOWA, 2024a);
- Voor sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen wordt meestal de zogeheten ‘Praag-matische methode’ toegepast (Praag-matisch omdat deze methode in Praag is afgesproken). Bij deze methode wordt niet uitgegaan van een referentietoestand (STOWA, 2024b), maar wordt vanuit mogelijke en sociaaleconomisch en maatschappelijk verdedigbare maatregelen geredeneerd (STOWA, 2018; zie schema ‘Doelafleiding’). De ecologische toestand die behaald wordt na het uitvoeren van de maatregelen wordt het Goed Ecologisch Potentieel (GEP) genoemd, dit is tevens het doel voor het betreffende waterlichaam. De KRW biedt de mogelijkheid om het GEP te verlagen als maatregelen disproportioneel duur zijn (zie schema ‘Doelafleiding’). Dit is een politieke afweging. De KRW biedt ook de mogelijkheid tot uitstel, maar dit is na 2027 alleen nog mogelijk als natuurlijke omstandigheden het tijdig halen van de doelen onmogelijk maakt.
Bronnen
- Jarvie, H.P., D.R. Smith, L.R. Norton, F.K. Edwards, M.J. Bowes, S.M. King, P. Scarlett, S. Davies, R.M. Dils & N. Bachiller-Jareno, 2018. Phosphorus and nitrogen limitation and impairment of headwater streams relative to rivers in Great Britain: A national perspective on eutrophication. Science of the Total Environment (621): 849-862.
- Amendement op de KRW: Directive 2026/085 of the European Parliament and of the Council of 30 March 2026 amending Directive 2000/60/EC establishing a framework for Community action in the field of water policy, Directive 2006/118/EC on the protection of groundwater against pollution and deterioration and Directive 2008/105/EC on environmental quality standards in the field of water policy.
- Europese Kaderrichtlijn Water (KRW): Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, PbEU 2000, L 327.
- Rötscheid, T., S. Wuijts & M. van Rijswick, 2026. Kaderrichtlijn Water. Parlement & Wetenschap, Den Haag.
- STOWA, 2018. Handreiking KRW-doelen. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer 2018-15, Amersfoort.
- STOWA, 2024a. Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water 2021-2027, versie mei 2024. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer 2018-49, update mei 2024, Amersfoort.
- STOWA, 2024b. Omschrijving MEP en maatlatten voor sloten en kanalen voor de Kaderrichtlijn Water 2021-2027, versie mei 2024. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer 2018-50, update mei 2024, Amersfoort.
Relevante informatie
- Kaderrichtlijn Water op het Informatiepunt Leefomgeving: toelichting op de Nederlandse invulling van de KRW.
- Het Waterkwaliteitsportaal waarin alle data over de toestand van het Nederlandse oppervlaktewater beschikbaar worden gesteld.
- KRW-impulsprogramma op het Informatiepunt Leefomgeving: toelichting op de aanvullende maatregelen om de doelen van de KRW dichterbij te brengen.
- Waterkwaliteit oppervlaktewater: CLO-indicator met de meest recente toestand van het oppervlaktewater.
- Oppervlaktewater in Nederland. Overzicht van al het oppervlaktewater in Nederland.
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Europese Kaderrichtlijn Water - oppervlaktewater
- Omschrijving
Toelichting op de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze indicator geeft algemene uitleg over de KRW en de Nederlandse invulling daarvan voor oppervlaktewater.
- Verantwoordelijk instituut
Planbureau voor de Leefomgeving
- Auteurs: Aaldrik Tiktak en Mascha Rubach
- Supervisor: Koen Overmars
- Coördinator: Jan van Dam
- Technische ondersteuning: Jolijn Bonnet
- Berekeningswijze
Er wordt niet berekend.
- Basistabel
-
- Geografische verdeling
Nederland
- Verschijningsfrequentie
Onregelmatig
- Achtergrondliteratuur
Europees Parlement (2000). Kaderrichtlijn water. Richtlijn 2000/60/EG van het Europese Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. Brussel.
- Betrouwbaarheidscodering
Niet van toepassing
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2026). Europese Kaderrichtlijn Water - oppervlaktewater (indicator 1412, versie 06, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.