Compendium voor de Leefomgeving
494 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Vogels van het boerenland, 1990-2014

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Door veranderingen in de landbouw zijn veel broedvogels van het agrarische gebied in Nederland achteruitgegaan. Deze ontwikkeling doet zich in de hele EU voor.

Ontwikkeling in Nederland

De broedvogels die kenmerkend zijn voor het agrarische gebied gaan in Nederland achteruit. Sinds 1990 is de "boerenlandvogel indicator" met ongeveer 30% gedaald (eerste tabblad). Deze indicator is de nationale variant van de "Farmland Bird Indicator" (FBI) van de Europese Unie. Voor de Nederlandse versie van deze indicator zijn 27 soorten gekozen die in Nederland voorkomen; 18 daarvan zijn in aantal achteruitgegaan, 6 zijn toegenomen en 3 zijn gelijk gebleven (zie hieronder de tabel met indexen van de individuele soorten). Sommige van de soorten die achteruit zijn gegaan, zoals de grauwe gors en kemphaan, waren ook in 1990 al zeldzaam. Maar ook veel algemenere soorten als grutto, kievit en scholekster verliezen flink terrein. Roodborsttapuit en putter zijn de soorten die het meest zijn toegenomen.

Ontwikkeling in de Europese Unie

De ontwikkeling van boerenlandvogels in de Europese Unie laat net als in Nederland een neerwaartse trend zien. Sinds 2004 lijkt het Europees minder slecht te gaan dan in Nederland. De FBI van de EU bestaat uit 39 soorten broedvogels. De EU gebruikt deze FBI als biodiversiteitsgraadmeter voor het agrarisch gebied.

Oorzaken achteruitgang Nederland

De achteruitgang van de boerenlandvogels komt vooral door het intensieve gebruik en beheer van bouw- en grasland.Veranderingen in gewaskeuze, bestrijdingsmiddelen-gebruik, mechanisering en schaalvergroting van de landbouw, hebben onder meer geleid tot veranderingen in de voedselsituatie, nestgelegenheid en kuikenoverleving en tot het verdwijnen van kleine landschapselementen als houtwallen en overhoekjes . Ook is broedgebied verloren gegaan door uitbreiding van steden en infrastructuur en door toename van wegverkeer. Afhankelijk van de biotoop-, gedrags- en voedselkeur van de vogels heeft dit verschillende effecten, maar voor het grootste deel van de soorten heeft dit negatieve gevolgen gehad. Het agrarisch natuurbeheer en de maatregelen die in het kader daarvan de afgelopen jaren zijn genomen, zoals akkerrandenbeheer en nestbescherming, hebben deze achteruitgang niet kunnen stoppen.

Oorzaken achteruitgang Europa

In Noordwest Europa spelen ongeveer dezelfde factoren een rol als in Nederland. In Oost- en Zuid-Europa gaat leefgebied voor boerenlandvogels om een andere reden verloren. De agrarische bedrijfsvoering stopt daar op onrendabele landbouwgronden steeds vaker, waarna verruiging en uiteindelijk verbossing plaatsvindt.

Referenties

  • Beintema, A., O. Moedt en D. Ellinger (1995). Ecologische atlas van de Nederlandse weidevogels. Schuyt & Co., Haarlem.
  • Boele, A., J. van Bruggen, A.J. van Dijk, F. Hustings, J.W. Vergeer en C.L. Plate (2013). Broedvogels in Nederland in 2011. SOVON-rapport 2013/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
  • Butler, S.J., J.A.Vickery en K. Norris (2007). Farmland biodiversity and the footprint of agriculture. Science Vol. 315 no. 5810: 381-384.
  • Gregory, R.D., A. van Strien, P. Vorisek, A.W. Gmelig Meyling, D.G. Noble, R.P.B. Foppen en D.W. Gibbons (2005). Developing indicators for European birds. Phil. Trans. R. Soc. 360: 269-288.
  • Koffijberg, K., R. Foppen en C. van Turnhout (2012). Vogelbalans 2012. Thema boerenland. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
  • Pan-European Common Bird Monitoring Scheme (www.ebcc.info).
  • Regiebureau POP (2008): website regiebureau POP.
  • Teunissen, W. en A. van Paassen (2013). Weidevogelbalans 2013. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen, Landschapsbeheer Nederland, De Bilt.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Vogels van het boerenland

Omschrijving

Farmland Bird Index van Nederland en Europa

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Aantalsgegevens in Nederland zijn ontleend aan het landelijke meetnet broedvogels van het Netwerk Ecologische Monitoring (van Dijk & Boele, 2011). Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM).

Om de indicatoren te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen meetkundig gemiddeld over alle betrokken soorten (met indexwaarde 2000 = 100 voor elke soort). Over de jaren heen is een smoothing algoritme toegepast om flexibele trends te bepalen en daaruit zijn trendklassen afgeleid. Deze methode komt sterk overeen met die van de Living Planet Index (WWF, 2012). De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator zijn gebaseerd op de betrouwbaarheidsintervallen van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al. in voorb.).
De "grafiek van het 27 soorten" toont de Nederlandse soorten selectie voor de EU Dit is een uitbreiding met 14 soorten ten opzichte van de vorige versie, waar een variant met 13 soorten werd gegeven. Het gaat bij de Nederlandse Boerenlandvogel-indicator om de volgende soorten; boerenzwaluw, geelgors, gele kwikstaart, grasmus, graspieper, grauwe gors, grote lijster, grutto, kemphaan, kievit, kwartel, patrijs, putter, ringmus, roek, roodborsttapuit, scholekster, slobeend, spotvogel, spreeuw, steenuil, torenvalk, tureluur, veldleeuwerik, watersnip, wulp, zomertortel.
De Europese set omvat de volgende 39 soorten (14 hiervan staan op de Nederlandse lijst, aangegeven met *): boerenzwaluw*, cirlgors, duinpieper, Europese kanarie, geelgors*, gele kwikstaart*, grasmus*, graspieper*, grauwe gors*, grauwe klauwier, griel, grutto*, hop, kalanderleeuwerik, kievit*, kleine klapekster, kleine trap, kneu, koereiger, kortteenleeuwerik, kuifleeuwerik, ooievaar, ortolaan, paapje, patrijs*, ringmus, rode patrijs, roek*, roodborsttapuit*, roodkopklauwier, rotsmus, spreeuw, theklaleeuwerik, torenvalk*, veldleeuwerik*, westelijke blonde tapuit, zomertortel*, zwarte spreeuw en zwartkopgors. De Europese trend is gebaseerd op het Pan-European Common Bird Monitoring Scheme (PECBMS, www.ebcc.info).

Basistabel

Zie tabel indexen individuele soorten

Geografisch verdeling

Nederland en Europese Unie

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Dijk A.J. van en A. Boele (2011). Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.Gregory, R.D., A. van Strien, P. Vorisek, A.W. Gmelig Meyling, D.G. Noble, R.P.B. Foppen en D.W. Gibbons (2005). Developing indicators for European birds. Phil. Trans. R. Soc. 360: 269-288.Regiebureau POP (2008): website regiebureau POP.WWF, 2012. Living Planet Report 2012, Biodiversity, biocapacity and better choices; WWF International, Gland, Zwitserland.

Opmerking

De trends van boerenlandvogels zijn nationale trends, dat wil zeggen dat daarin ook meetplots meedoen die niet in het agrarisch gebied liggen. De resultaten voor Nederland zijn echter hetzelfde als alleen meetplots in het agrarisch gebied meedoen in de berekeningen.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2015). Vogels van het boerenland, 1990-2014 (indicator 1479, versie 07 , 14 juli 2015 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.