Trend van dagvlinders, 1992-2025
Dagvlinders in Nederland blijven in aantallen achteruitgaan. In 2025 kwam de populatietrend 57% lager uit dan in 1992.
Aantallen vlinders dalen
In de periode 1992-2025 is de vlinderstand meer dan gehalveerd. Rond 2010 leek de afname te stabiliseren, maar dit herstel zette niet door: vanaf 2015 namen de aantallen weer af. De afname is te zien in alle leefgebieden behalve bossen. De laatste 10 jaar gaan ook verschillende algemene soorten achteruit.
Sinds 1992 worden vlinders wekelijks geteld op vaste routes, als onderdeel van het NEM Meetnet Vlinders. Daarmee kan voor ieder jaar een populatie-index worden berekend op basis van 54 soorten dagvlinders.
| Periode | Afname | Stabiel | Toename | Onzeker |
| Sinds 1992 | 30 soorten | 9 soorten | 12 soorten | 3 soorten |
| Laatste 12 jaar | 27 soorten | 4 soorten | 10 soorten | 13 soorten |
De afname in verspreiding is gestopt
Ten opzichte van 1990 komen de meeste vlinders op minder plekken voor. In de jaren negentig daalde het aantal bezette plekken met ruim 10%. Rond 2002 trad een stabilisatie op, mede dankzij twee nieuwkomers die zich uitbreidden: veldparelmoervlinder en keizersmantel. De laatste 12 jaar blijft de verspreiding voor de 54 soorten uit het meetnet min of meer gelijk. Als ook grote vos, grote weerschijnvlinder en scheefbloemwitje worden meegenomen (soorten die nog geen aantalstrend hebben) dan slaat de balans positief uit en komen de meeste vlinders weer op meer plekken voor.
| Periode | Minder plekken | Meer plekken | Gelijk |
| Sinds 1990 | 28 soorten | 24 soorten | 5 soorten |
| Laatste 12 jaar | 23 soorten | 26 soorten | 7 soorten |
Waarom dalen de aantallen maar neemt de verspreiding niet af?
Er zijn 54 soorten vlinders die goed worden gevolgd in het meetnet. Voor deze soorten geldt dat de verspreiding stabiel blijft, terwijl de aantallen dalen. Dat is goed te verklaren: een soort kan flink in aantal achteruitgaan zonder meteen uit een kilometerhok te verdwijnen. Daalt een populatie op één plek bijvoorbeeld van 100 naar 10 exemplaren, dan zijn de aantallen sterk gedaald. Toch telt de soort daar nog steeds mee in de verspreiding. Pas als het allerlaatste exemplaar uit een kilometerhok verdwijnt, neemt ook de verspreiding af. Zo is het klein geaderd witje in de laatste twaalf jaar in aantal afgenomen, maar hij komt nog steeds overal voor en de verspreiding is stabiel. Er zijn ook soorten die dalen in aantallen, maar wel op steeds meer plekken voorkomen, zoals het bruin zandoogje.
Ook algemeen voorkomende soorten gaan achteruit
Vanaf het begin van deze eeuw gaan ook algemeen voorkomende soorten, zoals het groot koolwitje en het icarusblauwtje, langzaam maar zeker achteruit. Deze afname gebeurde vooral in de afgelopen tien jaar. Deze groep soorten komt gemiddeld genomen ook op steeds minder plekken in het landschap voor.
Ook in historisch perspectief steeds minder vlinders
Uit onderzoek blijkt dat de verspreiding van vlinders tussen 1890 en 1990 met 67 procent is afgenomen, waarna de afname min of meer is gestabiliseerd (Van Strien et al., 2019). Van 42 soorten nam de verspreiding in deze periode af en 15 soorten zijn zelfs helemaal uit Nederland verdwenen.
Als deze gegevens gecombineerd worden met de afname in aantallen vanaf 1992, is de achteruitgang minimaal 85% in de periode 1890-2025. Omdat een achteruitgang in aantallen groter zal zijn dan die in verspreiding, kan gesteld worden dat dit een onderschatting is: de afname in aantallen zal sinds 1890 waarschijnlijk nog groter zijn geweest.
Waarom de aantallen vlinders afnemen
De achteruitgang van vlinders wordt gedreven door drie hoofdoorzaken die elkaar veelal versterken: verlies en achteruitgang van leefgebieden, klimaatverandering, en chemische bestrijdingsmiddelen.
- Verlies en achteruitgang van leefgebieden
De grootste achteruitgang van vlinders in Nederland is te vinden bij de vlinders die karakteristiek zijn voor heide, open duinen en kruidenrijke graslanden. Op de heide gaan alle karakteristieke soorten achteruit, of het nu de soorten zijn van droge heide (als heivlinder en kommavlinder) of van vochtige heide (als gentiaanblauwtje). Dit heeft te maken met zowel fragmentatie van het overgebleven heidegebied, als verslechtering van de condities in die gebieden, o.a. door bodemverzuring en eutrofiëring (voedselrijker worden) van de bodem door neerslag van stikstof vanuit de lucht. In heide groeien bijvoorbeeld open plekken steeds meer dicht en zijn er minder nectarplanten aanwezig. Het afplaggen van heide om deze weer open te maken, verstoort de mineralenbalans in de bodem. Uit recent onderzoek blijkt dat dit juist negatief kan uitpakken voor insecten.
Ook typische soorten van open duinen als duinparelmoervlinder, kleine parelmoervlinder en kommavlinder gaan achteruit. Dit heeft te maken met de afname van het areaal open duin, door onder andere het dichtgroeien van duinen met bomen en struiken. Ook de afname van konijnen en de afname van het duinviooltje kunnen hierbij een rol spelen.
Voor graslandvlinders is de achteruitgang ook aanzienlijk, namelijk 69 procent ten opzichte van 1992. Een eeuw geleden waren bijna alle graslanden in Nederland rijk aan kruidensoorten. Sindsdien is de landbouwpraktijk geïntensiveerd, waarbij graslandkruiden nauwelijks tot niet meer voorkomen. Dagvlinders overleven hier alleen nog in extensief beheerde percelen, bermenen en overhoekjes.
- Klimaatverandering
Klimaatverandering speelt ook een negatieve rol, waarbij heftige zomerbuien enerzijds en droogte anderzijds, met name in de jaren 2018-2019-2020, voor sommige soorten nadelige uitwerkingen hebben gehad (o.a. koevinkje en kleine heivlinder). Daarbij warmt het klimaat momenteel sneller op dan de snelheid waarmee vlinders van nature kunnen opschuiven naar het noorden, waardoor vlinders steeds minder optimaal zijn aangepast aan de lokale omstandigheden. Verder blijkt uit onderzoek dat de combinatie van hogere temperaturen en stikstofdepositie kan leiden tot nadelige effecten: voor de bruine vuurvlinder is bijvoorbeeld aangetoond dat voedselplanten bij hogere stikstofdepositie van lagere kwaliteit zijn, en dit effect wordt door hogere temperaturen versterkt. Rupsen groeien hierdoor langzamer en blijven kleiner.
- Chemische bestrijdingsmiddelen
Ten slotte wijst onderzoek op het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen als belangrijke oorzaak achter de wereldwijde en Europese achteruitgang van vlinders. Nederland kent in Europa het hoogste pesticidegebruik per hectare akkerland, op Malta en Andorra na. Wel is het totale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw tussen 2016 en 2024 fors gedaald.
Waarom sommige vlinders toenemen
Een aantal soorten vlinders neemt juist toe in aantallen en dat is te danken aan verschillende factoren.
- Lokale natuurbescherming werpt zijn vruchten af. Door beheerders en vrijwilligers wordt op verschillende plekken gewerkt aan herstel van de leefgebieden van vlinders, bijvoorbeeld voor het pimpernelblauwtje.
- Klimaatverandering speelt voor sommige zuidelijke soorten, zoals het kaasjeskruiddikkopje, juist een positieve rol.
Bosvlindersoorten doen het gemiddeld genomen goed. Zij lijken te profiteren van hogere temperaturen in combinatie met de toegenomen variatie in structuur en samenstelling van bossen (kleine ijsvogelvlinder, grote weerschijnvlinder en keizersmantel).
Habitatrichtlijn
Een vijftal dagvlinders staat op de Habitatrichtlijn.
Bronnen
- European Environment Agency (2013). Populations of grassland butterflies decline almost 50% over two decades. EEA Technical report 11/2013.
- Centraal Bureau voor de Statistiek. (2022, October 12). Gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw; werkzame stof, gewas, toepassing. Centraal Bureau Voor De Statistiek. https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/85130NED?dl=6171B
- CLO (2026). Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw per werkzame stof, 2012-2024 (indicator 0560, versie 05, 12 februari 2026), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.
- Deynze, B. van; Swinton, S.M.; Hennessy, D.A.; Haddad, N.M. & Ries, L. (2024): Insecticides, more than herbicides, land use, and climate, are associated with declines in butterfly species richness and abundance in the American Midwest. - PLoS ONE 19 (6),
- Habel, J. C., Trusch, R., Schmitt, T., Ochse, M., & Ulrich, W. (2019). Long-term large-scale decline in relative abundances of butterfly and burnet moth species across south-western Germany. Scientific Reports, 9(1).
- FAO. 2025. Pesticides use and trade – 1990–2023. FAOSTAT Analytical Briefs, No. 109. Rome.
- Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay, W.T.F.H. van Strien-van Liempt, M.J.M. Poot en M.F. WallisDeVries (2019). Over a century of data reveal more than 80% decline in butterflies in the Netherlands. Biological Conservation.
- Raharivololoniaina, A., Busch, R., Deppe, F., Hitzler, A., Plath, E., Rischen, T., Yilmazer, M., & Fischer, K. (2025). Negative effects of nitrogen fertilization on herbivore fitness are exaggerated at warmer temperatures and in high-altitude populations. Oecologia, 207(3).
- Raven, P. H., & Wagner, D. L. (2021). Agricultural intensification and climate change are rapidly decreasing insect biodiversity. Proceedings of the National Academy of Sciences, 118(2).
- Sánchez-Bayo, F., & Wyckhuys, K. A. (2019). Worldwide decline of the entomofauna: A review of its drivers. Biological Conservation, 232, 8–27.
- De Vlinderstichting (2025). Vlinderbalans 2025, met het jaarverslag van de meetnetten vlinders, libellen en hommels 2024.
- Van Swaay, C.A.M., C.A.M. van Turnhout, L.B. Sparrius, R.H.A. van Grunsven, J.R. van Deijk, A.J. van Strien & S. Doornbos (2018). Hoe onze flora en fauna veranderen door klimaatverandering. De Levende Natuur 119 (6); 256-259.
- Van Swaay, C.A.M. & Poot, M. (2021). Vlindertrends van hei tot bos, van duin tot grasland en tot stad. Vlinders 4-2021.
- Vogels, J. J., Van De Waal, D. B., WallisDeVries, M. F., Van Den Burg, A. B., Nijssen, M., Bobbink, R., Berg, M. P., Venterink, H. O., & Siepel, H. (2023). Towards a mechanistic understanding of the impacts of nitrogen deposition on producer–consumer interactions. Biological Reviews/Biological Reviews of the Cambridge Philosophical Society, 98(5), 1712–1731.
- Vogels, J. J., Verberk, W. C. E. P., Kuper, J. T., Weijters, M. J., Verbaarschot, E., Lamers, L. P. M., & Siepel, H. (2024). Nitrogen deposition and heathland management cause multi‐element stoichiometric mismatches, reducing insect fitness. Functional Ecology, 38(12), 2537–2552. https://doi.org/10.1111/1365-2435.14671
- Wallisdevries M. en C. van Swaay (2006). Global warming and excess nitrogen may induce butterfly decline by microclimatic cooling. Global Change Biology 12: 1620-1626.
- Wallis de Vries, M.F., Oe, W. & van Schaik, S. (2024) Voedselkwaliteit voor de kommavlinder in Drenthe. Rapport VS2024.022, De Vlinderstichting, Wageningen.
- Warren, M. S., Maes, D., Van Swaay, C. a. M., Goffart, P., Van Dyck, H., Bourn, N. a. D., Wynhoff, I., Hoare, D., & Ellis, S. (2021b). The decline of butterflies in Europe: Problems, significance, and possible solutions. Proceedings of the National Academy of Sciences, 118(2).
- Wagner, D. L., Grames, E. M., Forister, M. L., Berenbaum, M. R., & Stopak, D. (2021). Insect decline in the Anthropocene: Death by a thousand cuts. Proceedings of the National Academy of Sciences, 118(2). nces, 118(2). https://doi.org/10.1073/pnas.2002551117
Relevante informatie
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Trend van dagvlinders
- Omschrijving
Ontwikkeling van populatie en verspreiding dagvlinders als groep
- Verantwoordelijk instituut
Centraal Bureau voor de Statistiek
- Berekeningswijze
Soortenselectie en data
Aantalsgegevens zijn ontleend aan het Landelijk Meetnet Dagvlinders van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (methode indexcijfers, TRIM). Daarmee kan voor ieder jaar een populatie-index worden berekend op basis van 54 soorten dagvlinders.
Verspreidingsgegevens komen uit de Nationale Databank Flora en Fauna en uit de NEM-aantalsmonitoring. Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over verspreiding (het aantal bezette kilometerhokken) bepaald met behulp van occupancy modellen (Van Strien et al., 2013). De indicator bevat 57 soorten, ofwel, vrijwel alle soorten van Nederland.
Voor de trend van algemeen voorkomende soorten zijn 15 soorten geselecteerd die in de periode 1990-2024 in de meeste kilometerhokken voorkomen. Het gaat om: bruin zandoogje, citroenvlinder, groot koolwitje, klein koolwitje, klein geaderd witje, oranjetipje, zwartsprietdikkopje, kleine vuurvlinder, icarusblauwtje, boomblauwtje, kleine vos, dagpauwoog, gehakkelde aurelia, landkaartje en bont zandoogje.
Indicator
Om de aantalsindicator en de verspreidingsindicator te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen en over verspreiding meetkundig gemiddeld over alle soorten (Van Strien et al., 2016).
Van een aantal soorten zijn in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar (zie tabel met indexcijfers per soort, klik op ‘download data’). Deze ontbrekende indexcijfers zijn eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Vervolgens zijn de indexen per jaar meetkundig gemiddeld. Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.
Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.
Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen. In zo’n geval liggen de meeste of zelfs alle jaarcijfers van de indicator binnen het betrouwbaarheidsinterval.
Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn. In dat geval kan een heel betrouwbare trend berekend worden en liggen veel jaarcijfers buiten het betrouwbaarheidsinterval.
Uit de trends en de daarbij behorende betrouwbaarheidsintervallen zijn trendklassen afgeleid.
- Basistabel
De basistabel met indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staat op een apart tabblad (‘Indexcijfers per soort’) van de te downloaden data (zie download-icoon rechtsboven de figuur).
- Geografische verdeling
Nederland
- Andere variabelen
Geen
- Verschijningsfrequentie
Jaarlijks
- Achtergrondliteratuur
CBS (2025). Meetprogramma’s voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2024. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.
Soldaat, L., J. Pannekoek, R. Verweij, C. van Turnhout en A. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.
Strien A.J. van, C.A.M. van Swaay, W.T.F.H. van Strien-van Liempt, M.J.M. Poot & M.F. WallisDeVries (2019). Over a century of data reveal more than 80% decline in butterflies in the Netherlands. Biological Conservation.
Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458.
Strien, A.J. van, et al. (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50.
- Opmerking
Met ingang van versie 19 zijn drie 'nieuwkomers' toegevoegd met voldoende gegevens voor een trendberekening: veldparelmoervlinder, kaasjeskruiddikkopje en klaverblauwtje.
- Betrouwbaarheidscodering
B. Schattingen van de trend in populatie-aantal zijn gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.
C. Schattingen van de trends in verspreiding zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen (inclusief de gegevens van het gestandaardiseerde aantalsmeetnet) die met een geavanceerde statistische methode zijn geanalyseerd.
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2026). Trend van dagvlinders, 1992-2025 (indicator 1386, versie 22, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.