Compendium voor de Leefomgeving
462 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Natuurlijke hulpbronnen

Vis: paaibestanden in de Noordzee, 1980-2001

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Ontwikkeling schol, haring en kabeljauw

In 2001 bevinden de paaibestanden van schol en kabeljauw zich onder het voorzorgsniveau (respectievelijk 300 en 150 miljoen kg). Van deze soorten is de toestand van de kabeljauw het meest zorgelijk: al ruim vijftien jaar ligt de paaibiomassa beneden het voorzorgsniveau, en al tien jaar rond het limietniveau (65 miljoen kg). De stand van de haring heeft zich de laatste jaren weer hersteld en de paaibiomassa van deze soort bevindt zich in 2001 weer boven het voorzorgsniveau. Dit herstel is een gevolg van enkele sterke jaarklassen (1998, 2000) en de in 1996 genomen maatregelen, waarbij de totale hoeveelheid haring die mag worden gevangen (total allowable catch) is gehalveerd en er voor de industrievisserij een maximum aan de bijvangst van deze soort is gesteld. Na de sterke jaarklasse 1996 van schol is deze soort licht hersteld, na de jarenlange afname vanaf het begin van de jaren negentig als gevolg van een te hoge visserijdruk.

Ontwikkeling tong

Ofschoon het paaibestand van tong zich in 2001 boven het voorzorgsniveau (35 miljoen kg) bevindt, is ook de situatie van deze soort niet rooskleurig. Door een hoge visserijdruk worden sterke jaarklassen (1987, 1991 en 1996) snel opgevist. In het midden van de jaren negentig nam het paaibestand hierdoor sterk af tot 23 miljoen kg in 1998. Door de sterke jaarklasse 1996 kon in 1999 de paaibiomassa weer toenemen tot 49 miljoen kg, maar in 2001 is zij door de visserijdruk alweer afgenomen tot 40 miljoen kg.

Relevantie

Voor een duurzame visserij is het van belang dat binnen een vispopulatie voldoende volwassen vissen aanwezig zijn die ervoor kunnen zorgen dat er gemiddeld ieder jaar voldoende nakomelingen worden geproduceerd (paaibestand). Voor het beheer van de visbestanden zijn twee grenzen gedefinieerd voor de omvang van het paaibestand: het limietniveau en het voorzorgsniveau. Komt van een soort het paaibestand onder het limietniveau, dan komt de productie van voldoende nakomelingen in gevaar. Om te voorkomen dat het paaibestand in de buurt van het limietniveau komt, is het voorzorgsniveau afgesproken. Boven dit niveau kan de populatie zich, ook bij enkele slechte jaarklassen, herstellen. De biologische adviezen zijn er op gericht het paaibestand in ieder geval op het voorzorgsniveau te krijgen of daarboven te houden.

Methodiek

De grafieken voor schol en tong betreffen de Noordzee (ICES IV). De grafiek voor kabeljauw geeft de ontwikkeling in de Noordzee, inclusief Skagerrak (deel van ICES IIIa) en oostelijk deel van het Kanaal (ICES VIId). De gegevens van haring betreffen de Noordzee inclusief Skagerrak, Kattegat (ICES IIIa) en het oostelijk deel van het Kanaal.

Referenties

  • ICES (2001). Report of the ICES Advisory Committee on Fishery Management 2001. International Council for the Exploration of the Sea, Cooperative Research Report nr. 246, Kopenhagen.
  • ICES (2002). Report of the ICES Advisory Committee on Fishery Management May 2002. International Council for the Exploration of the Sea, Kopenhagen.

Relevante informatie

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2002). Vis: paaibestanden in de Noordzee, 1980-2001 (indicator 0073, versie 03 , 20 september 2002 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.