Compendium voor de Leefomgeving
462 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Natuurlijke hulpbronnen

Visbestanden in de Noordzee, 1957-2010

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Door overbevissing staan veel visbestanden in de Noordzee de laatste decennia onder druk. In 2010 bevindt het haringbestand zich rond het voorzorgsniveau. Het bestand volwassen kabeljauw ligt nu meer dan tien jaar onder het limietniveau.

Haring

De omvang van het bestand volwassen haring fluctueert sterk als gevolg van enerzijds overbevissing en anderzijds vangstbeperkende maatregelen. Na de sluiting van de haringvisserij begin jaren zeventig heeft de haringstand zich weer hersteld. Vanaf 1983 is de visserij op haring weer toegestaan. Rond 1990 zorgde overbevissing opnieuw voor een aanzienlijke afname van de haringstand. Door enkele sterke jaarklassen (1998, 2000) en vangstbeperkende maatregelen (1996: halvering toegestane haringvangst, beperking industrievisserij) groeide het haringbestand in de periode 2002 - 2005 weer boven het voorzorgsniveau van 1,3 miljard kg paairijpe vis in de internationale Noordzee. Sinds 2006 ligt het bestand volwassen haring weer onder of rond het voorzorgsniveau.

Kabeljauw

Het bestand volwassen kabeljauw vertoont al sinds het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw een dalende trend. Sinds 1983 ligt het bestand onder het voorzorgsniveau van 150 miljoen kg en sinds 2000 zelfs onder het limietniveau van 70 miljoen kg. Dit betekent dat er zo weinig volwassen kabeljauw in de Noordzee zwemt dat de voortplanting van de soort in gevaar komt. Door een relatief goede voortplanting in 2005 is het kabeljauwbestand de laatste jaren iets toegenomen.
De Europese Unie stelde in 2004 herstelmaatregelen vast voor de kabeljauwbestanden in onder andere de Noordzee, Skagerrak en het oostelijk deel van het Kanaal (EG 423/2004). Omdat deze verordening weinig effectief bleek (het kabeljauwbestand vertoonde door te hoge bijvangsten nauwelijks herstel), werd in 2008 in een nieuwe verordening (EG 1342/2008) een langetermijn herstelplan vastgesteld dat gericht is op de verdere verlaging van de visserijsterfte.

Schol

Na een piek in de tweede helft van de jaren tachtig daalde het bestand volwassen schol begin jaren negentig in enkele jaren sterk. Na 1993 ligt zij de meeste jaren tussen het voorzorgsniveau (230 miljoen kg) en het limietniveau (160 miljoen kg). Vanaf 2005 heeft het bestand zich sterk hersteld (verdubbeld) als gevolg van de verminderde visserijsterfte.

Tong

Het bestand volwassen tong fluctueert vooral door sterke schommelingen in het aantal nakomelingen. Door overbevissing worden sterke jaarklassen (jaren met een grote productie van nakomelingen) weer snel opgevist. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw bevond de tongstand zich rond het voorzorgsniveau van 35 miljoen kg. Na een aantal jaren met een hoge stand begin jaren negentig daalde de omvang van het bestand weer en fluctueert sindsdien tussen het voorzorgsniveau en het limietniveau.

Uitleg voorzorgsniveau en limietniveau

Om overbevissing te voorkomen en de visbestanden gezond te houden, heeft men voor het beheer van de omvang van het bestand volwassen vis per soort en per zeegebied twee grenzen vastgesteld. Daalt de omvang van een bestand volwassen vis tot onder het voorzorgsniveau, dan moeten maatregelen genomen worden om te voorkomen dat door overbevissing het bestand verder daalt. Beneden het limietniveau komt de voortplanmting in gevaar en is de kans op natuurlijk herstel nog maar gering omdat er nog maar weinig volwassen vis is om voor de voortplanting te zorgen.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Visbestanden in de Noordzee

Omschrijving

Ontwikkeling van de bestanden volwassen haring, kabeljauw, schol en tong in de Noordzee. De gegevens zijn afkomstig uit onderzoek door de International Council for the Exploration of the Sea (ICES). ICES is een internationale organisatie die onder andere de Europese Commissie adviseert over het beheer van de visbestanden.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van gegevens van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES).

Berekeningswijze

De visbestanden worden geschat op basis van onderzoek door ICES. De brochure Fish stocks: counting the uncountable? (ICES) beschrijft de gehanteerde werkwijze. Om de omvang van de visbestanden te kunnen schatten, verzamelen de 19 bij ICES aangesloten landen de volgende basisgegevens:1. (op vissersschepen): onder andere gegevens uit de logboeken van vissers, vragenlijsten (hoe is volgens de vissers de stand van de vispopulaties?), onderzoek aan de gevangen vis en aan de overboord gezette vis;2. (in de havens): de gevangen vis wordt bemonsterd op leeftijd, lengte en voortplantingsgesteldheid. Met behulp van gegevens over de hoeveelheid officieel aangelande vis kan de officiƫle totale internationale vangst worden berekend.3. (op zee): inventarisatie van de visbestanden met behulp van onderzoeksschepen: Deze inventarisaties zijn gericht op zowel demersale (op de bodem levende) als pelagische (in de waterkolom levende) vissoorten. Het Noord-Atlantisch gebied is verdeeld in blokken van 1 graad lengte en 0,5 graad breedte. At random wordt een keuze gemaakt welke blokken moeten worden bemonsterd. Bemonstering van een blok gebeurt gedurende een standaardperiode van een half uur. In druk beviste zeegebieden als de Noordzee wordt elk blok een aantal maal bemonsterd. De International Bottom Trawl Survey (IBTS) vormt de grootste inventarisatie en vindt in het voorjaar en de herfst in de Noordzee plaats. Andere belangrijke inventarisaties zijn de Demersal Young Fish Survey (onder andere tong en schol in de Noordzee), en de North Sea Beam Trawl Survey (BTS) (ook gericht op tong en schol). Ofschoon er zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het type vistuig dat vissers in de praktijk gebruiken, is het voor de standaardisatie van het onderzoek ook belangrijk dat de bemonstering zoveel mogelijk elk jaar met hetzelfde soort vistuig gebeurt. Behalve met vistuig wordt er ook akoustisch bemonsterd (vooral bij pelagische vissoorten als haring). Ook gebruikt men in bepaalde zeegebieden heel fijnmazige netten om zo inzicht te krijgen in het aantal eieren en larven.Op basis van de duizenden basisgegevens maken de ICES-werkgroepen met behulp van wiskundige modellen (zoals Virtual Population Analysis (VPA)) een schatting van de visbestanden en een voorspelling van de vangst bij verschillende visserij intensiteiten. Meer informatie over de gebruikte programmatuur geeft de website van ICES.

Basistabel

De website van ICES geeft een zoeksysteem voor het opzoeken van gegevens over de bestandsomvang en vangst per soort en zeegebied.

Geografisch verdeling

Noordzee (ICES IV) voor schol en tong.Noordzee (ICES IV) plus Skagerrak (deel van ICES IIIa) en oostelijk deel van het Kanaal (ICES VIId) voor kabeljauw.Noordzee (ICES IV) plus Skagerrak, Kattegat (ICES IIIa) en het oostelijk deel van het Kanaal (ICES VIId) voor haring.

Andere variabelen

Bestandsomvang, Total Allowable Catch (TAC), quotum per land, totale vangst en vangst per land voor diverse andere commerciƫle vissoorten en andere zeegebieden.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

De website van ICES geeft informatie over de omvang van de visbestanden in de diverse zeegebieden. Daarnaast geeft deze website korte beschrijvingen van de berekeningswijze. Dit gebeurt onder andere in de brochure Fish stocks: counting the uncountable? en artikelen over de programmatuur die bij de berekeningen gebruikt wordt.

Betrouwbaarheidscodering

C (schatting op basis van een groot aantal (accurate) metingen en modelberekening; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd)

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2010). Visbestanden in de Noordzee, 1957-2010 (indicator 0073, versie 11 , 24 september 2010 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.