Compendium voor de Leefomgeving
465 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Emissie naar lucht, water en bodem

Ammoniakemissie door de land- en tuinbouw, 1990-2009

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De ammoniakemissie door de land- en tuinbouw is sinds 1990 met twee derde verminderd, vooral door de afname van de (mestproductie door de) veestapel en door de verplichte emissiearme aanwending van dierlijke mest.

Ammoniakemissie met tweederde verminderd sinds 1990

Ammoniak komt vrij uit stallen, mestopslagen, tijdens beweiding en bij het aanwenden van mest. De ammoniakemissie is sinds 1990 met tweederde verminderd, vooral door de afname van (de mestproductie door) de veestapel en door de verplichting om dierlijke mest emissiearm aan te wenden. Uit een enquête bij de Landbouwtelling 2000 bleek dat vrijwel alle dunne mest emissiearm uitgereden werd (CBS, 2001). Tussen 2000 en 2009 is de ammoniakemissie minder sterk afgenomen dan in de jaren negentig.


Nationale emissies van ammoniak kunnen niet worden gemeten maar worden berekend op basis van onder andere dieraantallen, stikstofexcretie, huisvestingssystemen en gebruikte uitrijdtechnieken. De totale berekende emissie van ammoniak in Nederland bedroeg in 2009 ongeveer 125 miljoen kg, en ligt daarmee onder het vastgestelde EU-NEC plafond van 128 miljoen kg (EU, 2001); de landbouw droeg hier 108 miljoen kg aan bij (zie figuur en data hierboven).

De laatste jaren is de veestapel weer enigszins gegroeid. Deze groei zou kunnen doorzetten, zeker omdat in het jaar 2015 het systeem van productierechten en het melkquotum komen te vervallen. In dat geval kan de emissie weer boven het EU-NEC-plafond uit stijgen.

Het plafond van het jaar 2020 is nog niet vastgesteld.

Beleid ter vermindering ammoniakemissie

Nadat in de jaren negentig van de vorige eeuw het bovengronds uitrijden van mest al werd verboden, is vanaf 2008 het in twee werkgangen uitrijden en onderwerken van mest op bouwland niet meer toegestaan. Het effect van dit verbod is in 2010 onderzocht. Het is gebleken dat op bouwland de mest nu vooral geïnjecteerd wordt. Dit is zeer effectief en hierdoor en door andere aanpassingen in de praktijk van het bemesten is de emissie sinds 2005 met ongeveer 10 miljoen kg gedaald.

Eigenlijk zouden de veehouderijen per 1 januari 2010 moeten voldoen aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. In 2009 is echter gebleken dat veel veehouders dit niet kunnen realiseren. Daarop heeft de minister tot uiterlijk 1 januari 2013 uitstel verleend.

De voormalige ministeries van VROM en LNV, de provincies en de VNG hebben daarop een "Actieplan Ammoniak Veehouderij" opgesteld om ervoor te zorgen dat veehouderijen voor 2013 voldoen aan het Besluit huisvesting. Voor afbouwende veehouders geldt tot 2016 een aparte regeling. Door het aantal te houden dieren te beperken wordt dezelfde emissiereductie bereikt. Het actieplan richt zich ook op melkveehouders. Bij het bouwen van nieuwe stallen wordt vanaf 2012 het toepassen van emissiearme technieken ook in deze sector verplicht.

Nieuwe inzichten over ammoniakemissie

Voor berekening en raming van ammoniak emissies op nationale schaal is in 2006 begonnen met de ontwikkeling van een nieuw consensusmodel, het Nationaal Emissie Model Ammoniak (NEMA), als alternatief voor het tot nu toe gebruikte MAMBO model (Velthof et al., 2009). NEMA wordt sinds december 2010 toegepast. De met het NEMA model berekende totale ammoniakemissie voor recente jaren zijn vrijwel gelijk aan die van het MAMBO model. Er zijn wel grote verschuivingen tussen de onderliggende bronnen, de emissies uit stallen, opslagen en weide zijn lager, terwijl de berekende emissie bij het toedienen van mest hoger is.

De belangrijkste wijzigingen in de huidige rekenmethodiek en emissiefactoren ten opzichte van de vorige methodiek zijn:

  • De emissiefactoren voor stallen, mestopslagen en beweiding worden nu gebaseerd op TAN (Totaal Ammoniakaal Stikstof; de TAN-excretie is gelijk aan de stikstofexcretie in urine) in plaats van op totaal stikstof (TAN + overig anorganisch en organisch gebonden stikstof). Uit onderzoek blijkt dat 10% van het opgeslagen organische N wordt omgezet in TAN. Vervolgens kan het TAN-aandeel in de stikstof van de toegediende mest worden berekend;
  • De emissiefactor voor beweiding is naar beneden bijgesteld, omdat tegenwoordig het gras minder eiwitrijk is.
  • Voor de emissiefactoren van ammoniak uit de stal wordt aangesloten bij de RAV (Regeling Ammoniak en Veehouderij).
  • De berekening van de overige gasvormige verliezen uit stal en opslag sluit nu aan de bij berekening voor de Emissieregistratie
  • Met veldproeven is aangetoond dat, onafhankelijk van weers- en veldomstandigheden, de ammoniakemissie bij zodenbemesting in de loop der jaren is toegenomen van 11,5% tot 19% van de toegediende TAN.
  • Veldproeven leiden tot de conclusie dat de ammoniakemissie bij bemesting met de bouwlandinjecteur 2% bedraagt in plaats van 10%.
  • De emissiefactor voor bovengrondse toediening van mest is op basis van metingen aangepast en bedraagt nu 74% voor grasland en 69% voor bouwland in plaats van 50% (1990) of 68% (vanaf 1995 in verband met beperkte uitrijperiode).


Voordelen van een methodiek op basis van TAN ten opzichte van een methodiek op basis van totaal N zijn onder andere:

  • Een maatregel die de hoeveelheid totale N in de mest niet verandert, maar wel de hoeveelheid TAN, heeft nu wel een effect op de NH3-emissie (dit kan optreden bij veranderingen in de rantsoensamenstelling).
  • Nu de ammoniakemissie na toediening van mest wordt gebaseerd op het berekende TAN-gehalte in de mest, worden effecten van rantsoenen en stalsystemen op TAN ook zichtbaar in de emissies na toediening.
  • Er wordt aangesloten bij internationaal geaccepteerde concepten van rekenmethodieken voor ammoniak, alsmede op de Emission Inventory Guidebook van EMEP/CORINAIR, die in Europees verband toegepast wordt.


Een nadeel is dat het toepassen van de methode om extra gegevens vraagt. Zo moet de TAN-excretie worden berekend. Er zijn daarom voor dit model procedures ontwikkeld om de TAN-excretie voor de verschillende diercategorieën te berekenen op basis van de samenstelling en verteerbaarheid van het rantsoen.

Een extra voordeel -ten opzichte van andere (internationale) modellen is dat NEMA uitgaat van de actuele samenstelling en verteerbaarheid van de afzonderlijke bestanddelen van het rantsoen, en niet van standaard TAN-verhoudingen of empirisch gemiddelde verteringswaarden.

Ammoniakgat gedicht

Zoals hierboven reeds is aangegeven, kan de nationale ammoniakemissie niet direct gemeten worden. De validiteit van de berekende emissie, en dan vooral de trends, kan wel indirect worden getoetst door de modelmatig berekende (OPS model) en de gemeten ammoniakconcentraties (Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit) met elkaar te vergelijken. De berekende concentraties van ammoniak waren de afgelopen jaren circa 25% lager dan de gemeten waarden. Dit verschil tussen meten en rekenen werd het ammoniakgat genoemd. Uit recent onderzoek blijkt dat de oorzaak van het gat in de vegetatie te vinden is. De vegetatie neemt netto minder ammoniak uit de atmosfeer op dan eerder in de berekeningen werd aangenomen. Inmiddels wordt hiervoor gecorrigeerd en onderschat het rekenmodel OPS de ammoniakconcentratie nog met ongeveer 10 procent (Van Pul et al., 2008).

Voor praktische toepassingen wordt ook voor die 10% gecorrigeerd. Er wordt 185 mol stikstof per hectare bij de berekende ammoniakdeposities opgeteld. Deze extra depositie kan worden geïnterpreteerd als het resultaat van de bijdrage van onderschatte buitenlandse of - niet ondenkbeeldig - binnenlandse bronnen, maar ook onzekerheden in de modellering komen als bron voor fouten in aanmerking.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Ammoniakemissie door de landbouw, 1990-2009

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving

Berekeningswijze

Het model NEMA
De emissiefactoren voor stallen, mestopslagen en beweiding worden nu gebaseerd op TAN (Totaal Ammoniakaal N) in plaats van op totaal stikstof (TAN + overig anorganisch en organisch gebonden stikstof). Uit onderzoek blijkt dat 10% van het opgeslagen organische N wordt omgezet in TAN. Vervolgens kan het TAN-aandeel in de stikstof van de toegediende mest worden berekend;
Overig zie tekst

Basistabel

Alle data zijn opvraagbaar op of via de website van de Emissieregistratie. De hier gepresenteerde cijfers zijn de definitieve emissiecijfers voor de periode 1990-2009, zoals vrijgegeven door de Emissieregistratie in maart 2011.

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Emissieregistratie (2008). Website emissieregistratie. MNP, Bilthoven; CBS, Voorburg; RIZA, Lelystad; EC-LNV, Den Haag; SenterNovem, Utrecht en TNO-MEP, Apeldoorn. Op deze site is ook informatie beschikbaar over de methodieken voor het bepalen van emissiecijfers en informatie over wijzigingen in methodieken.

Betrouwbaarheidscodering

Schatting, gebaseerd op een aantal metingen, expert judgement, een aantal relevante feiten of gepubliceerde bronnen terzake.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2011). Ammoniakemissie door de land- en tuinbouw, 1990-2009 (indicator 0101, versie 09 , 31 mei 2011 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.