Gezondheid en milieu

Bodemverontreiniging: risico's en effecten

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

Bodemverontreiniging is potentieel gevaarlijk voor de volksgezondheid en voor ecosystemen. Of er een daadwerkelijk effect optreedt, hangt af van de blootstelling aan de verontreinigende stoffen. Effecten op de volksgezondheid zijn wel waarschijnlijk, maar moeilijk identificeerbaar. Effecten op ecologische systemen zijn wel aantoonbaar, maar worden in Nederland meestal overheerst door de effecten van versnippering en recreatiedruk. Door de preventieve werking van de bodemsaneringsoperatie worden ernstige daadwerkelijke effecten voorkomen.

Inleiding

De beslissing om een verontreinigde bodem te saneren wordt genomen op basis van de aanwezigheid van risico's: voor de mens (humane risico's) of het ecosysteem (ecologische risico's) en op basis van de snelheid van verspreiding van de verontreiniging (verspreidingsrisico). Deze locaties met onaanvaardbare risico's bij het huidige gebruik zijn in het bodemsaneringsbeleid gedefinieerd als spoedlocaties. Modelberekeningen laten zien dat in Nederland naar verwachting 7.000 tot 11.000 spoedlocaties zijn (Versluijs et al, 2007).

Gezien de complexiteit en de kosten wordt bij het onderzoek van een locatie begonnen met een relatief eenvoudige screening. Als er voldoende aanwijzingen voor risico's zijn wordt het onderzoek voortgezet naar toenemend detailniveau. In het beginstadium, bij de eerste screening van verdachte locaties, wordt gekeken naar de bedrijfsactiviteiten in het verleden op een locatie en de ervaring daarmee. Verdere beoordeling gebeurt op basis van metingen in de bodem en in het grondwater op de locatie, aangevuld met modelberekeningen en beslissingondersteunende systemen. Met de gevonden concentraties in de bodem van stoffen die risico's kunnen opleveren wordt eerst gekeken naar potentieel schadelijke effecten van de verontreiniging op basis van een algemeen model voor blootstelling van de mens aan bodemverontreiniging. Voor de beslissing om te saneren, wordt de kans meegewogen of ongewenste blootstelling en schadelijke effecten ook in de concrete situatie plaats zullen vinden.
Op een verontreinigde locatie spelen vaak tegelijkertijd humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Bij circa 50% van de gevallen waar risico's worden verwacht spelen tenminste risico's voor de mens een rol (Versluijs et al., 2007). Door het uitgangspunt van potentiële blootstelling blijven daadwerkelijke gezondheidseffecten echter onduidelijk. De grote waarde van deze aanpak is het preventieve karakter: het voorkomen van nadelige gezondheidseffecten. Daarmee blijft het nadelige gevolg van bodemverontreiniging grotendeels beperkt tot de kosten die gemaakt moeten worden om het gewenste beschermingsniveau te kunnen handhaven of locaties voor het gewenste maatschappelijke doel geschikt te maken. Bij het verspreidingsrisico speelt ook een rol dat bij toenemende verspreiding de saneringskosten toenemen.

Humane gezondheidseffecten

Het model CSOIL berekent de risico's voor de mens die aan verontreiniging in de bodem wordt blootgesteld. Dit model sluit aan op internationaal geaccepteerde inzichten. De mens kan via verschillende blootstellingsroutes (bodem, lucht, water en gewas) in aanraking komen met bodemverontreiniging. Het gebruik van de bodem, bijvoorbeeld moestuinen, bepaalt vervolgens de mate van blootstelling. Van invloed zijn ook de fysisch-chemische eigenschappen van de verontreinigingen in de bodemlucht, de bodemdeeltjes en het grondwater. Het model berekent daarnaast de maximale concentratie van een verontreiniging in de bodem die veilig is voor de mens. Deze bodemconcentratie is van invloed op de hoogte van de interventiewaarde. De interventiewaarde voor bodemverontreiniging maakt onderscheid tussen lichte en ernstig verontreinigde bodems. Bij overschrijding van de interventiewaarden wordt bepaald of spoedig saneren noodzakelijk is. Met het rekenmodel Sanscrit kan worden bepaald of de risico's van de bodemverontreiniging zodanig groot zijn dat met spoed moet worden gesaneerd.

Het is moeilijk om gezondheidseffecten direct aan bodemverontreiniging toe te schrijven, vanwege het samengaan met andere mogelijke oorzaken van nadelige gezondheidseffecten. De mobiliteit van de bevolking beperkt bovendien het uitvoeren van onderzoek naar gezondsheidseffecten. Mede door de complexiteit is er over het algemeen een gebrek aan betrouwbare epidemiologische studies en 'gezondheidsmonitoring', zoals metingen van contaminanten in bloed en urine. In het algemeen moet meer aan chronische dan aan acute effecten worden gedacht.

  • Asbest: de nadelige gezondheidseffecten van asbestvezels in de lucht zijn goed bekend en duidelijk toe te schrijven aan asbest (mesothelioom-longkanker). Voor asbest in de bodem is de blootstellingsroute meer indirect. Na een moeizaam onderzoek, is aangetoond dat ook deze blootstellingsroute een rol speelt. Het onderzoek was complex door de lange incubatietijd van het mesothelioom en de mogelijke verwarring van deze relatief kleine maar actuele blootstellingsroute met andere relatief grotere historische blootstellingsroutes, zoals bij de fabricage van asbesthoudende producten in het verleden. Voor de aanpak van asbestwegen rond Harderwijk en de Hof van Twente is dan ook geld toegezegd (VROM 2005).
  • Cadmium: in de Belgische Kempen zijn meerdere klinisch-epidemiologische studies gedaan naar het effect van cadmium en loodbelasting. Er werd een meetbaar negatief effect van cadmiumbelasting gevonden op de nierfunctie, de opbouw van het beenderstelsel en het optreden van longkanker. Het effect op de nierfunctie leek echter niet duidelijk bedreigend te zijn voor gezonde mensen. Het was al langer bekend dat cadmium bij hogere concentraties een schadelijk effect op het beenderstelsel heeft (Itai-itai, Biometals, 2004). In de Belgische Kempen zijn er aanwijzingen dat cadmiumblootstelling het optreden van botbreuken door osteoporose heeft doen toenemen, met name bij oudere vrouwen die daar in het algemeen toch al gevoelig voor zijn (Staessen, 1999, Biometals 2004). Het vermoeden dat cadmium verontreiniging in de Belgische Kempen longkanker heeft veroorzaakt (Nawrot, 2006, na correcties voor roken en blootstelling in de werksituatie) is niet epidemiologisch bevestigd (Oomen, 2007). Cadmiumverontreiniging moet bij de concentratieniveaus in de Kempen tenminste gezien worden als een 'supplementaire' risicofactor, die vooral in ongunstige omstandigheden werkelijk nadelig effect op de gezondheid heeft. Uit het buitenland is, in gevallen waar het preventiemechanisme minder goed heeft gewerkt, wel duidelijke gezondheidsschade door bodemverontreiniging aan te wijzen. Voor cadmium was dat bijvoorbeeld het geval in Japan en China (Biometals 2004). De blootstellingsroute via de consumptie van groenten kan worden tegengegaan door een geschikt bemestings- en bekalkingsregime (AB De Kempen, 2007; Horticulture Australia, 2003).
  • Lood- en PAK-blootstelling in stedelijke omgeving kon vaak ook toegeschreven worden aan luchtverontreiniging (Biometals, 2004). Loodverontreiniging van de bodem wordt echter wel als een duidelijke risicofactor gezien, met name voor kinderen (ATDSR, lead 1992). Het 'binnenmilieu' speelt een prominente rol in de totale humane blootstelling aan giftige stoffen maar is daarbij afhankelijk van levensstijl en seizoenen. Recent onderzoek heeft aangetoond dat loodgehalten in huisstof zodanig hoog kunnen zijn dat de blootstelling aan huisstof leidt tot risico's voor kinderen (Oomen et al., 2008). De hoge gehalten in het huisstof ontstaan onder andere door het naar binnen lopen van verontreinigde grond.
  • De ophoping van schadelijke gassen uit de bodem in kruipruimten is wel aantoonbaar maar het gezondheidseffect daarvan kan nog niet duidelijk worden aangetoond (Tuinstra, 2004). Desondanks probeert men de ophoping in de kruipruimten tegen te gaan. In het algemeen is, mede door mogelijke aansprakelijkheid, de inspanning meer gericht op het voorkomen dan op het toelaten en aantonen van schadelijke effecten.
  • Hoewel vermoed kan worden dat de blootstelling aan carcinogene organische stoffen uit bodemverontreiniging boven de vastgestelde norm zal leiden tot een substantieel aantal kankergevallen zullen deze echter vaak te boek staan als met 'onbekende oorzaak'.

Schade aan ecosystemen

Verontreinigende stoffen in de bodem kunnen ecosystemen aantasten als gevolg van de opname door planten en bodemorganismen. Hierbij kunnen andere stoffen een rol spelen dan bij de humane risico's. Bij 2-5% van alle gevallen waar risico's worden verwacht spelen ecologische overwegingen mede een rol. Anders dan bij volksgezondheid, is reële schade aan ecosystemen op locaties meerdere malen aangetoond. De recent ontwikkelde beslissingondersteunende TRIADE-methode die chemische, toxicologische en ecologische metingen in de grond combineert, is in Nederland op enkele tientallen locaties toegepast. Toxische stress van bodemorganismen en vegetaties door de opname van contaminanten is in het merendeel van deze studies aantoonbaar (Schouten, 2005; RIVM, 2008). Soortenverlies maakt de ecosystemen op die locaties meer kwetsbaar. De vraag hoe zorgwekkend dat is gezien vanuit een landelijk of regionaal oogpunt is moeilijker te beantwoorden. Effecten op populatieniveau en overlevingskansen zijn meestal modelmatig bestudeerd en de gegevens hiervan zijn schaars. Voor de natuurwaarde lijken echter de negatieve effecten van versnippering en recreatiedruk een overwegende rol te spelen.

Risicoperceptie en maatschappelijke gevolgen

De 'beleving' van bodemverontreiniging kan totaal verschillen van een puur 'wetenschappelijke' beoordeling. De kloof hiertussen is vaak te wijten aan onvoldoende kennis van de burger en onvoldoende communicatie van de kant van de experts. Media-aandacht kan hierbij de angstgevoelens versterken; vertrouwen in de overheid, door openheid van de overheid, kan die angst juist laten dalen.
Maatschappelijke en psychosociale aspecten van bodemverontreiniging zijn niet meegewogen in de systematiek van risicobeoordelingen, maar ze zijn wel sterk medebepalend voor saneringsbeslissingen. In de afgelopen jaren zijn de meeste locaties gesaneerd, om maatschappelijke redenen (RIVM, 2008). In deze gevallen wordt voorrang gegeven aan maatschappelijke, economische en ruimtelijke ontwikkelingen zonder tijdrovend milieuhygiënisch onderzoek af te wachten. Een voorbeeld hiervan is de sanering van spoorwegemplacementen waarbij de NS voor de volgorde van de aanpak rekening houdt met mogelijke toekomstige bouwplannen, die anders door de verontreiniging kunnen worden vertraagd.
De concentraties in het grondwater waarboven dient te worden gesaneerd liggen deels boven de internationale drinkwaterrichtlijnen. Als gevolg hiervan kan de strategische drinkwatervoorraad in stedelijke gebieden worden aangetast. Ook kan de invloed van bodemverontreiniging op de kwaliteit van producten van land- en tuinbouw en veeteelt of bij volkstuinen een aandachtspunt zijn (Bronswijk, 2003). In België is al eens ingegrepen vanwege het te hoge cadmiumgehalte in lever en nieren van slachtvee rondom de voormalige vestigingen van zinkverwerkende bedrijven in Limburg (Nieuwsbrief Metalen). Hoewel in de Nederlandse Kempen ook verhoogde cadmiumgehalten in nieren van slachtvee is aangetroffen, leidt consumptie van dit vlees niet tot enig risico voor de bevolking (RIVM-RIKILT, 2005).

Economische effecten: bodemsanering en vastgoedprijzen

In een enquête onder kopers van woningen over vormen van overlast bleek verontreinigde grond de meeste onrust te veroorzaken, vergeleken met geluid- en stankoverlast of de nabijheid van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. De verklaring ligt waarschijnlijk niet op het gebied van de risico's voor het milieu en de volksgezondheid, maar in de kans op een prijsdaling van de woning ten gevolge van eventuele bodemsanering. Volgens de Wet bodemverontreiniging is de eigenaar van de grond hiervoor aansprakelijk.
Veel ondernemers zijn terughoudend met het geven van informatie over een vermoedelijke bodemvervuiling. De Wkbp (Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken) zal leiden tot meer duidelijkheid op dit gebied.

De prijs van verontreinigde grond ligt lager dan van de schone grond. Kosten van de eventuele sanering kunnen in de boeken worden verwerkt tot de prijs van een vergelijkbaar terrein met schone grond. Bij de waardebepaling in het kader van de wet WOZ zijn te verrekenen geaccepteerde effecten: saneringskosten, overlast, rompslomp en onzekerheid, beperking van gebruiksmogelijkheden en gederfde inkomsten wegens negatief imago. Dit kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de WOZ-waarde tot 40% (Journaal Bodem, 2006).

In de Maatschappelijke kosten-baten analyse bodemsanering uitgevoerd door het MNP (van Wezel, 2007) zijn de totale saneringskosten vergeleken met de financiële baten van het vermijden van potentieel optredende gezondheidseffecten. Hierbij is ingeschat dat binnen 100 jaar ca. 40% van de saneringskosten worden gedekt door gezondheidsbaten. Er zijn wel grote onzekerheden in deze berekening. Het is niet mogelijk om van alle verontreinigende stoffen de effecten te verrekenen. Naast de gezondheidseffecten zijn baten te verwachten op vastgoed van naar schatting 20% en voor drinkwaterbronnen van ca. 1%. De raming van de financiële gevolgen van ecologische effecten kan ook niet worden gerealiseerd. Bij de berekeningen is een standaard discontovoet gebruikt van 4%. Voor de baten is in verband met de duurzaamheid een lagere discontovoet te verdedigen en daarmee komt de berekende balans van kosten en baten al meer in evenwicht. Het netto resultaat is natuurlijk ook afhankelijk van de uitvoering van de aanpak van de verontreiniging, bij de kostenkant speelt bijvoorbeeld de keuze saneren of beheersen, bij de effectenkant kunnen de blootstellingsrisico's bij de aanpak een negatieve rol spelen.

Referenties

Relevante informatie

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2008). Bodemverontreiniging: risico's en effecten (indicator 0261, versie 08 , 8 juli 2008 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.