Compendium voor de Leefomgeving
475 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Energie en milieu

Verbruik van duurzame energie, 1990-2006

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Het aandeel duurzaam in het binnenlands energieverbruik is in 2006 gestegen naar 2,8 procent. In 2005 was dat nog 2,4 procent.

  1990 2000 2004 2005 2006
           
  TJ vermeden verbruik van fossiele primaire energie
Totaal duurzame energiebronnen 18 096 37 577 61 026 80 538 89 751
           
Waterkracht 752 1 179 794 733 871
Windenergie 495 6 861 15 594 17 222 22 463
Zonne-energie totaal 76 487 985 1 047 1085
w.v. Zonnestroom 3 66 287 295 298
  Zonnewarmte 73 421 698 752 787
Omgevingsenergie totaal . 809 1 826 2 328 3 192
w.v. Warmtepompen . 589 1 365 1 830 2 566
  Warmte/koude opslag 3 220 461 498 625
Biomassa totaal 16 770 28 242 41 827 59 208 62 140
w.v. Afvalverbrandingsinstallaties 6 093 11 417 11 209 11 874 12 400
  Bij- en meestoken biomassa in centrales - 1 755 14 123 30 522 29 445
  Houtkachels voor warmte bij bedrijven 1 308 1 806 1 813 1 914 2 145
  Houtkachels bij huishoudens 6 231 5 701 5 464 5 464 5 464
  Overige biomassaverbranding 440 2 317 3 899 4 397 5 319
  Biogas, totaal 2 698 5 246 5 184 4 936 5 389
  w.v. Biogas uit stortplaatsen 336 1 934 1 628 1 580 1 500
    Biogas uit rioolwaterzuivering 1 866 2 299 2 348 2 127 2 068
    Biogas op landbouwbedrijven       78 456
    Biogas, overig 497 1 013 1 207 1 151 1 364
  Biobenzine . . - - 1 010
  Biodiesel . . 134 101 968
           
  als % van totaal energieverbruik  
Totaal duurzame energie 0,67 1,23 1,85 2,44 2,79
           
Bron: CBS (2007b). CBS/MNC/dec07/0385

Meer windenergie, minder meestoken van biomassa

Het aandeel duurzame energie in het Nederlandse energieverbruik is licht gestegen. In 2006 was 2,8 procent van het totale verbruik uit duurzame bronnen afkomstig, tegen 2,4 procent in 2005. Deze toename komt vooral doordat er veel grote windmolens zijn geplaatst. Het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales daalde daarentegen.

Windenergie groeit fors

De elektriciteitsproductie uit windenergie is in 2006 met een derde gestegen en vormde daarmee 0,7 procent van de Nederlandse energievoorziening. De toegenomen productie van elektriciteit uit windenergie is vooral te danken aan het plaatsen van veel nieuwe grote windmolens, onder andere in Delfzijl en in Flevoland. Ook waaide het in 2006 meer dan in 2005, wat de productie verhoogde.

Meestoken van biomassa daalt

Het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales is in 2006 met ongeveer 5 procent gedaald ten opzichte van een jaar eerder. In de periode 2003-2005 verviervoudigde het meestoken nog. In 2006 is het meestoken van biomassa echter nog steeds de techniek met de grootste bijdrage aan de productie van duurzame energie: een derde van het totaal.

Beleidsdoelstellingen

De doelstelling van de Nederlandse overheid is dat in 2010 5 procent van alle energie duurzaam is opgewekt (EZ, 2005). Tot voor kort was de doelstelling voor 2020 gelijk aan 10 procent. De nieuwe coalitie spreekt in het regeerakkoord van 20 procent duurzame energie in 2020 (Tweede kamerfracties CDA, PvdA en Christenunie, 2007).

Duurzaamheid biomassa

De duurzaamheid van verschillende soorten van biomassa is onderwerp van maatschappelijk debat. Vooralsnog tellen alle vormen van biomassa mee bij de duurzame elektriciteit, omdat er op dit moment nog geen algemeen geaccepteerde en operationele criteria zijn om de duurzaamheid van biomassa te beoordelen. De overheid is momenteel wel bezig om dergelijke criteria te ontwerpen (VROM, 2007). Ook in de internationale energiestatistieken wordt geen onderscheid gemaakt tussen duurzame en niet duurzame biomassa.

Subsidies

De belangrijkste subsidieregeling voor duurzame energie is de MEP (Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie). Via de MEP krijgen producenten van duurzame elektriciteit een toeslag op de geleverde stroom. Deze subsidie is gebaseerd op het verwachte verschil in de kostprijs tussen gewone elektriciteit en duurzame elektriciteit.

Referenties

  • CBS (2007a). Meer windenergie door grote nieuwe molens. Webmagazine 27 juni 2007. CBS, Voorburg/Heerlen.
  • CBS (2007b). StatLine: Duurzame energie: vermeden prim. energie. CBS, Voorburg/Heerlen.
  • CBS (2007c). Duurzame energie in Nederland 2006. CBS, Voorburg/Heerlen.
  • EZ (1996). Derde Energienota. Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 525, nrs, 1-2. Ministerie van Economische Zaken, Sdu Uitgeverij, Den Haag.
  • EZ (2005). Nu voor later, Energierapport 2005. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
  • SenterNovem (2006). Protocol Monitoring Duurzame Energie (2006). Methodiek voor het registreren en berekenen van de bijdrage van duurzame/hernieuwbare energiebronnen (update 2006). SenterNovem, Utrecht/Sittard.
  • Tweede kamerfracties CDA, PvdA en Christenunie (2007). Coalitieakkoord.
  • VROM (2007) Beleid voor duurzame productie van biomassa voor energiedoeleinden. Brief van de minister aan de Tweede kamer. KvI2007058811, juni 2007.

Relevante informatie

  • Meer informatie over duurzame energie is te vinden in de databank StatLine van het CBS.

Technische toelichting

Technische toelichting

De hoeveelheid duurzame energie wordt uitgedrukt in het aantal terajoules vermeden verbruik van fossiele primaire energie. De import van groene stroom telt hierbij niet mee. De informatie in de tabel is afkomstig uit enquêtes van het CBS, uit het duurzame stroomcertificaten beheer van CertiQ en voor de jaren tot en met 2002 uit deelinventarisaties uitgevoerd door Ecofys en KEMA. De methode voor het berekenen van de duurzame energie is vastgelegd in het Protocol Monitoring Duurzame Energie (SenterNovem, 2006). Doordat in het Protocol Monitoring Duurzame Energie (SenterNovem, 2006) de berekeningswijze op een aantal punten is herzien ten opzichte van het protocol uit 2004 wijken de cijfers in de tabel hierboven af van de cijfers die in de vorige versie van deze indicator zijn gepubliceerd. De tijdreeks van duurzame energie is herzien. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om verbeterd statistisch grondmateriaal in de tijdreeksen te verwerken. Een toelichting bij de ontwikkelingen en een methodologische verantwoording zijn te vinden in Duurzame energie in Nederland 2006 (CBS, 2007c).

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2008). Verbruik van duurzame energie, 1990-2006 (indicator 0385, versie 12 , 8 januari 2008 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.