Windvermogen in Nederland, 1990-2024
De capaciteit van de windmolens nam in 2024 met ruim 9 procent toe. De stijging was voornamelijk op zee, namelijk met 19 procent. Op land nam de capaciteit in 2024 met 2 procent toe.
Windvermogen in 2024 gegroeid
De capaciteit van de Nederlandse windmolens was eind 2024 11,7 duizend megawatt. Dit is 9 procent meer dan de capaciteit eind 2023. De groei is voornamelijk te danken aan de toename van capaciteit op zee. De capaciteit op zee groeide met 19 procent, van 3 978 naar 4 748 megawatt. Hiermee is de doelstelling van het Energieakkoord voor duurzame groei, een jaar later dan gepland, behaald. Op land is het opgestelde vermogen gegroeid van 6 757 megawatt naar 6 965 megawatt.
In Flevoland staan de meeste windmolens
De meeste windmolens op land staan in de kustprovincies. Dat is niet verwonderlijk, gezien het grotere windaanbod. Bij de plaatsing van de windmolens is het windaanbod echter niet de enige factor. Ook de beleving over de inpasbaarheid in het landschap speelt een belangrijke rol. Dat verklaart waarom in Flevoland de meeste windmolens staan, ondanks dat Flevoland niet de meest gunstige windcondities heeft (Geertsema en Van den Brink, 2014).
Toekomstplannen wind op land
In het Klimaatakkoord heeft Nederland afgesproken om in 2030 tenminste 35 terawattuur duurzame energie (wind en grootschalige zonne-energie-installaties > 15 kilowatt) op land te realiseren (PBL, 2023). In de Regionale Energiestrategie (RES) wordt het regionale aandeel voor de landelijke opgave zo concreet mogelijk uitgewerkt. Gemeenten, provincies en waterschappen stellen deze RES-en op.
In de komende jaren wordt er weinig groei verwacht. Er worden nieuwe milieunormen opgesteld voor windmolens op land waardoor de vergunningstrajecten voor nieuwe projecten vertraging oplopen. Verder wordt de ontwikkeling van nieuwe windparken op land geremd door onder andere de lange doorlooptijden van bezwaarprocedures, een gebrek aan bestuurlijk of politiek draagvlak en de toenemende ruimtevraag van Defensie (RVO, 2025).
Grote molens produceren meer windenergie
Op grotere hoogte van het maaiveld staat meer wind dan op het maaiveldniveau. Daardoor produceren hoge molens per eenheid vermogen over het algemeen meer windenergie. Door de jaren heen worden steeds meer grote en dus hoge molens bijgeplaatst en kleine molens afgebroken. Met name in de hoogste categorie, ashoogte van 96 meter of meer, is de laatste jaren een sterke stijging te zien. Hoewel eind 2024 bijna de helft van de windmolens op land een ashoogte van 96 meter of meer had, was dit goed voor 70 procent van het opgestelde vermogen en goed voor driekwart van de bruto elektriciteitsproductie van wind op land.
Wind op zee
In 2006 is het eerste windpark op zee, Egmond aan Zee, in gebruik genomen (108 megawatt). In 2008 werd het windpark Prinses Amalia (120 megawatt) in gebruik genomen, in 2015 Luchterduinen (129 megawatt), in 2016 Gemini (600 megawatt) en in 2020 het windpark Borssele (752 megawatt). De groei in 2024 komt vooral doordat de windparken Hollandse Kust Zuid (1,5 gigawatt) en Hollandse Kust Noord, kavel V (700 megawatt) volledig operationeel zijn geworden.
De windmolens op zee produceren meer elektriciteit per eenheid vermogen dan de windmolens op land. Daar staat tegenover dat windmolens op zee duurder zijn. Per saldo was elektriciteit uit wind op zee lange tijd een stuk duurder dan wind op land (Lensink, 2013). De laatste jaren is hier echter verandering in gekomen: in 2018 en 2019 zijn de vergunningen verleend voor de bouw van het eerste subsidieloze windpark op zee te weten Hollandse Kust Zuid.
Eind 2024 stond er in totaal 4,7 gigawatt aan windmolens op zee. Alle parken op zee produceerden in 2024 in totaal 46 procent van alle windenergie.
Toekomstplannen wind op zee
In het Energieakkoord (SER, 2013) is een doelstelling voor wind op zee afgesproken, namelijk in totaal 4,5 gigawatt in 2023. Deze doelstelling is in 2024 behaald. Verder heeft het kabinet in juni 2022 kabinet aangegeven 21 gigawatt opgesteld vermogen van windmolens op zee te willen realiseren rond 2030. Deze planning is in mei 2024 bijgesteld naar eind 2032 (Noordzeeloket, 2024). Hiermee kan ongeveer 75 procent van het huidige elektriciteitsverbruik van Nederland gedekt worden. Verder waren er plannen voor de opwek van ongeveer 50 GW windenergie op zee in 2040 en ongeveer 70 GW in 2050 (Rijksoverheid, 2022).
De doelstelling voor 2040 is in juli 2025 door het kabinet omlaag bijgesteld van 50 naar 30 tot 40 gigawatt (Hermans, 2025), omdat de business case voor nieuwe windparken op zee minder gunstig is geworden door gestegen bouwkosten en vertraging in de verduurzaming van de industrie.
De bouw van het nieuwe windpark op de locatie Hollandse Kust West (1,5 gigawatt) aan Ecowende (kavel VI) en Oranje Wind Power II (kavel VII) is gestart in 2023, de verwachte ingebruikname zal 2026-2027 zijn (RVO, 2024). Er komen ook kavels vrij op de locaties IJmuiden Ver (6 gigawatt), Nederwiek (6 gigawatt), Doordewind (2 gigawatt) en Ten Noorden van de Waddeneilanden (0,7 gigawatt).
Gegevens over windenergie zijn genormaliseerd
De weergegeven ontwikkeling is op basis van genormaliseerde cijfers. De productie van windenergie is afhankelijk van het aanbod van wind. Op jaarbasis kunnen er flinke fluctuaties zijn. Deze fluctuaties verminderen het zicht op structurele ontwikkelingen. Om deze fluctuaties uit te filteren, zijn normalisatieprocedures gedefinieerd voor elektriciteit uit windenergie.
Bronnen
- CBS (2025). Hernieuwbare energie in Nederland 2024. CBS, Den Haag/Heerlen.
- CBS (2025). StatLine: Windenergie op land; productie en capaciteit per provincie. CBS, Den Haag / Heerlen.
- CBS (2025. StatLine: Hernieuwbare elektriciteit; productie en vermogen. CBS, Den Haag / Heerlen.
- EL&I (2011). Energierapport 2011. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie, Den Haag.
- Geertsema, G.T. en van den Brink, H.W. (2014). Windkaart van Nederland op 100 m hoogte. Technisch rapport; TR-351, KNMI, De Bilt.
- Hermans, S.T.M. (2025). Het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee [Kamerbrief].
- Lensink, S.M., et al. (2013). Eindadvies basisbedragen SDE+ 2014. ECN en KEMA, ECN-E—13-050. ECN, Petten.
- Noordzeeloket (2024), Nieuwe planning windenergie op zee: 21 gigawatt in 2032 - Noordzeeloket. Noordzeeloket, november 2024.
- PBL (2023). Monitor RES 2023. Een voortgangsanalyse van de Regionale Energie Strategieën. Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag.
- Rijksoverheid (2022). Nederland maakt ambitie wind op zee bekend: 70 gigawatt in 2050 | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl. Rijksoverheid, september 2022.
- RVO (2024), Nieuwe windparken op zee. RVO, november 2024.
- RVO (2025), Monitor Wind op Land 2024. RVO, mei 2025.
- SER (2013). Het Energieakkoord voor duurzame groei. Sociaal-Economische Raad, Den Haag.
Relevante informatie
Meer informatie over hernieuwbare energie is ook te vinden in de databank StatLine van het CBS en in Hernieuwbare energie in Nederland 2024 (CBS, 2025).
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Windvermogen in Nederland
- Omschrijving
Ontwikkeling van het windvermogen in Nederland (totaal, op land, per provincie en op zee) tussen 1990 en 2024. Doelstellingen 2020 per provincie en doelstelling voor op zee 2023.
- Verantwoordelijk instituut
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
- Berekeningswijze
Een methodologische verantwoording is te vinden in het rapport Hernieuwbare energie in Nederland 2024 (CBS, 2025) en in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022)
- Geografische verdeling
Totaal Nederland en provincies (op land); totaal op zee.
- Andere variabelen
Aantal windmolens, rotoroppervlak, elektrisch vermogen, aandeel in het totale elektriciteitsverbruik.
- Verschijningsfrequentie
Jaarlijks
- Achtergrondliteratuur
Hernieuwbare energie in Nederland 2024 (CBS, 2025)
- Betrouwbaarheidscodering
Integrale enquête.
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2025). Windvermogen in Nederland, 1990-2024 (indicator 0386, versie 33, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.