Compendium voor de Leefomgeving
465 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Ecosystemen

Broedvogels en dagvlinders in bossen

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Kenmerkende bosvogels nemen de laatste tijd gemiddeld genomen af. Ook veel kenmerkende bosvlinders zijn in de tweede helft van de 20e eeuw achteruitgegaan of verdwenen.

Ontwikkeling broedvogels

Kenmerkende bosvogels op de zandgronden zijn na 1990 als groep enigszins afgenomen. Dat komt onder meer door de sterke afname van fluiter en zomertortel. De oorzaken daarvan zijn niet duidelijk. Mogelijk spelen verzuring en verdroging een rol. Wel zijn bepaalde soorten toegenomen sinds 1990, waaronder boomklever, boomleeuwerik, wespendief en groene specht.

Ontwikkeling dagvlinders

Kenmerkende soorten bosvlinders op de zandgronden zijn in 2005 gemiddeld genomen minder talrijk dan in 1992. Slechts drie soorten vertonen een toename en negen soorten nemen af. Eén van de oorzaken is het dichtgroeien van bossen, waardoor minder open plekken overblijven. Voor veel vlindersoorten is het bosrandbeheer van groot belang. Daarbij gaat het om het zorgen voor geleidelijke overgangen van bos naar heide en dergelijke.

Referenties

  • Dijk, A.J. van, L. Dijksen, F. Hustings, K. Koffijberg, R. Oosterhuis, C. van Turnhout, M.J.T. van der Weide, D. Zoetebier en C.L. Plate (2006). Broedvogels in Nederland in 2004. SOVON-monitoringrapport 2006/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland. Beek-Ubbergen.
  • Swaay, C. van, D. Groenendijk en C. Plate (2006). Vlinders en libellen geteld: jaarverslag 2005. Rapport VS2006.020. De Vlinderstichting. Wageningen.
  • Veling, K. (1999). Herstelplan dagvlinders 1999-2002. Rapport VS 98.06. De Vlinderstichting. Wageningen.

Relevante informatie

Technische toelichting

Technische toelichting

De Soortgroep Trend Index (STI) betreft de gemiddelde index van de volgende broedvogels en dagvlinders van naald- en loofbossen op de hoge zandgronden; tussen haakjes staat de trend sinds 1990 (broedvogels) of sinds 1992 (dagvlinders): Broedvogels: boomklever (matige toename), boomleeuwerik (matige toename), boomvalk (sterke afname), buizerd (stabiel), draaihals (onzeker), fluiter (sterke afname), gekraagde roodstaart (matige afname), glanskop (stabiel), goudvink (stabiel), groene specht (matige toename), grote bonte specht (stabiel), grote lijster (stabiel), havik (stabiel), houtsnip (stabiel), nachtegaal (matige afname), wespendief (matige toename), wielewaal (stabiel), zomertortel (sterke afname), zwarte specht (stabiel).Dagvlinders: bont dikkopje (stabiel), bont zandoogje (sterke toename), boomblauwtje (onzeker), bruin zandoogje (matige toename), bruine eikenpage (matige afname), citroenvlinder (sterke afname), eikenpage (matige afname), geelsprietdikkopje (matige afname), gehakkelde aurelia (onzeker), groentje (matige toename), groot dikkopje (matige afname), kleine ijsvogelvlinder (sterke afname), koevinkje (matige afname), landkaartje (matige afname), oranje zandoogje (matige afname), oranjetipje (stabiel).De gegevens zijn afkomstig uit het landelijke broedvogelmeetnet en het landelijke meetnet dagvlinders van het Netwerk Ecologische Monitoring.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2006). Broedvogels en dagvlinders in bossen (indicator 1162, versie 05 , 13 oktober 2006 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.