Compendium voor de Leefomgeving
465 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Dagvlinders van graslanden

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Kenmerkende dagvlinders van graslanden zijn de laatste tijd zowel in agrarisch gebied als in natuurgebieden sterk achteruitgegaan.

Ontwikkeling in half-natuurlijke graslanden

Graslanden zijn het leefgebied van een aantal soorten dagvlinders. Deze vlinders komen vooral voor in niet of weinig bemeste graslanden (zogenaamde half-natuurlijke graslanden). Tegenwoordig komen dergelijke graslanden bijna uitsluitend in natuurgebieden voor. Gemiddeld genomen gaan dagvlinders sinds 1992 in half-natuurlijke graslanden sterk achteruit.

Ontwikkeling in overig agrarisch gebied

Ook in het agrarisch gebied gaan de dagvlinders achteruit. De soorten leven hier in grazige vegetaties op dijken, perceelsranden en wegbermen; op de agrarische graslanden zelf komen dagvlinders nog maar weinig voor.

Oorzaken

De oorzaken van de achteruitgang in het overig grasland zijn vermesting, verdroging, het intensievere gebruik van dijken en wellicht de versnippering. Daarnaast blijken dagvlinders erg gevoelig voor het gebruik van insecticiden op nabij gelegen percelen. Deze factoren spelen deels ook in de half-natuurlijke graslanden.
Enkele dagvlinders van graslanden staan op de Rode Lijst van dagvlinders.

Referenties

  • Groenendijk, D., M. van Mannekers, M. Vaal en M. van den Berg (2002). Butterflies and insecticides: a review and risk analysis of modern Dutch practice. Proc. Section Exper. Appl. Entomol. of the Netherlands Entomological Society (13): 29-34.
  • Swaay, C.A.M. van, D. Groenendijk en C. Plate (2006). Vlinders en libellen geteld: jaarverslag 2005. Rapport VS2006.020. De Vlinderstichting. Wageningen.

Relevante informatie

Technische toelichting

Technische toelichting

De Soortgroep Trend Index (STI) betreft de gemiddelde index van de volgende dagvlinders (1992 = 100 voor elke soort en tussen haakjes de trend sinds 1992):Halfnatuurlijke graslanden: argusvlinder (matige afname), bruin blauwtje (tweede generatie, onzeker), bruin zandoogje (matige toename), geelsprietdikkopje (stabiel), groot dikkopje (sterke afname), hooibeestje (matige toename), icarusblauwtje (matige toename), klein geaderd witje (matige toename), kleine parelmoervlinder (matige afname), kleine vuurvlinder (matige toename), koevinkje (matige toename), oranjetipje (stabiel), oranje zandoogje (matige afname), spiegeldikkopje (matige afname) en zwartsprietdikkopje (matige afname). Overig agrarisch gebied: argusvlinder (sterke afname), bruin blauwtje (tweede generatie, sterke afname), bruin zandoogje (matige toename), geelsprietdikkopje (sterke afname), groot dikkopje (sterke afname), hooibeestje (onzeker), icarusblauwtje (onzeker), kleine vuurvlinder (matige toename), kleine parelmoervlinder (onzeker), klein geaderd witje (matige toename), koevinkje (matige afname), oranjetipje (matige toename), oranje zandoogje (stabiel), spiegeldikkopje (sterke afname) en zwartsprietdikkopje (matige afname). De cijfers zijn afkomstig uit het landelijk meetnet dagvlinders van het Netwerk Ecologische Monitoring. Als half-natuurlijke graslanden zijn hier de meetpunten genomen die in natuurgebieden liggen en graslanden betreffen.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2006). Dagvlinders van graslanden (indicator 1181, versie 05 , 4 september 2006 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.