Compendium voor de Leefomgeving
465 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend dagvlinders van graslanden, 1992-2014

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Kenmerkende dagvlinders van graslanden zijn de laatste tijd zowel in agrarisch gebied als in natuurgebieden sterk achteruitgegaan.

Ontwikkeling in grasland agrarisch gebied

Graslanden zijn het leefgebied van een aantal soorten dagvlinders. In het agrarisch gebied gaan de dagvlinders verder achteruit. De soorten leven hier voornamelijk nog in de grazige vegetaties op dijken, in perceelsranden en in wegbermen; op de agrarische graslanden zelf komen dagvlinders nog maar weinig voor. De meeste vlinders komen vooral voor in niet of weinig bemeste graslanden, de zogenaamde half-natuurlijke graslanden. Tegenwoordig komen dergelijke graslanden vrijwel uitsluitend in natuurgebieden voor.

Oorzaken achteruitgang

De oorzaken van de achteruitgang in grasland in het agrarische gebied zijn vermesting, verdroging en het intensievere gebruik van dijken. Daarnaast blijken dagvlinders erg gevoelig voor het gebruik van insecticiden op nabij gelegen percelen. Deze factoren spelen deels ook in de half-natuurlijke graslanden.

Referenties

  • Groenendijk, D., M. van Mannekers, M. Vaal en M. van den Berg (2002). Butterflies and insecticides: a review and risk analysis of modern Dutch practice. Proc. Section Exper. Appl. Entomol. of the Netherlands Entomological Society (13): 29-34.
  • Swaay, C.A.M. van, K. Veling, J. Kok & A. van Strien (2015). 25 jaar vlinders tellen. Rapport VS2015.002. De Vlinderstichting, Wageningen.
  • Swaay, C.A.M. van, A.J. van Strien en C.L. Plate (2011). Europese indicator toont achteruitgang graslandvlinders. Landschap jrg. 28 (1): 4-14.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Dagvlinders van graslanden

Omschrijving

Ontwikkeling van dagvlinder in graslanden in natuurgebieden en agrarisch gebied

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Soortenselectie en data
De trend van deze indicator betreft de gemiddelde index van de volgende 15 soorten dagvlinders (1992 = 100): argusvlinder, bruin blauwtje (tweede generatie), bruin zandoogje, geelsprietdikkopje, groot dikkopje, hooibeestje, icarusblauwtje, klein geaderd witje, kleine parelmoervlinder, kleine vuurvlinder, koevinkje, oranje zandoogje, oranjetipje, spiegeldikkopje en zwartsprietdikkopje. De cijfers zijn afkomstig uit het landelijk meetnet dagvlinders van het Netwerk Ecologische Monitoring. Als half-natuurlijke graslanden zijn hier de meetpunten genomen die in natuurgebieden liggen en graslanden betreffen.Indexberekening per soort

Per soort zijn jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM).

Indicator
De trendlijn en het betrouwbaarheidsinterval zijn berekend met een twee-staps Monte Carlo-methode (Soldaat et al. subm.). Eerst zijn 1000 datasets gesimuleerd op basis van de indexen en standaardfouten van de individuele soorten. Ontbrekende indexen zijn in iedere gesimuleerde dataset bijgeschat met behulp van een ketting-indexmethode. Na standaardiseren op het basisjaar zijn de indexen meetkundig gemiddeld tot Soortgroep Trend Indexen (STI) met standaardfouten. Op basis van deze dataset zijn 1000 STI's gesimuleerd en door elke STI is een gesmoothde trend berekend. Het gemiddelde van de 1000 trends is de lijn in de grafiek. Met de standaardfout van de 1000 trends is het betrouwbaarheidsinterval berekend. Door deze aanpak zijn de betrouwbaarheidsintervallen van de indicator gebaseerd op de betrouwbaarheidsintervallen van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten.

Vergelijking methode trendberekening met LPI internationaal
De gebruikte methode komt grotendeels overeen met die van de internationale Living Planet Index (LPI) van WWF (WWF, 2014). Ook bij de LPI worden indexcijfers van de afzonderlijke soorten meetkundig gemiddeld. En net als bij de LPI wordt de invloed van sterk fluctuerende soorten gereduceerd door indexcijfers die meer dan een factor 10 verschillen van die in het voorgaande jaar niet mee te nemen (pers. comm. Loh & McRae, 2014). Er zijn echter ook enkele statistische verschillen tussen de Nederlandse en de internationale LPI: (1) De statistische methode om indexcijfers per soort te bepalen is anders. Bij de Nederlandse LPI wordt een GLM toegepast, bij de WWF-LPI een GAM. Daarmee wordt de WWF-LPI al op het niveau van de afzonderlijke soorten "gesmoothd" (gladgestreken). Bij de NL-LPI gebeurt dat pas nadat de indexen van de soorten gemiddeld zijn. (2) Bij de NL-LPI wordt het laatste jaar van sterk toenemende soorten en het eerste jaar van sterk afnemende soorten op 100 gezet. De jaren waarvoor de index vervolgens onder de 1 komt, worden vastgezet op 1. Dit beperkt de invloed van de beginjaren van een sterk toenemende en de eindjaren van een sterk afnemende soort. (3) De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator verschillen. Bij de Nederlandse LPI wordt ook de onzekerheid van de indexen per soort meegenomen zoals hierboven beschreven; bij de WWF-LPI is dat niet het geval.

Basistabel

De indexen van de individuele soorten met hun trend op basis van ontwikkelingen in respectievelijk verspreiding en aantallen zijn te vinden in de basistabel via de link in de hoofdtekst.

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Van Swaay, C.A.M., Termaat, T., Kok, J., Huskens, K. en Poot, M. (2016). Vlinders en libellen geteld. Jaarverslag 2015. Rapport VS2016.001, De Vlinderstichting, Wageningen.
WWF (2014). Living Planet Report (2014), Species and spaces, people and places. WWF, Gland, Zwitserland.
WWF Nederland (2015). Living Planet Report Nederland, staat van biodiversiteit/natuur. WWF, Zeist.

Opmerking

Deze indicator is één van de subindicatoren van de Living Planet Index fauna Nederland. De soortenlijst is afgestemd in relatie tot de indicator Trend landfauna en de daaronder vallende indicator Trend agrarisch.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2016). Trend dagvlinders van graslanden, 1992-2014 (indicator 1181, versie 12 , 31 mei 2016 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.