Compendium voor de Leefomgeving
520 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend van libellen, 1991-2017

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De libellen namen sinds 1991 aanvankelijk flink toe, maar de laatste jaren is juist weer sprake van afname.

Libellen toename omgebogen

Sinds 1991 is de libellenfauna in Nederland sterk vooruitgegaan in verspreiding (zie tabblad Verspreiding). In 2007 is een piek bereikt, waarna de trend ombuigt: er is in recente jaren juist sprake van een matige afname.

Rode Lijst Indicator

De toename over de langere termijn van veel soorten libellen heeft geleid tot minder bedreigde soorten op de Rode Lijst voor libellen (zie tabblad Rode Lijst Indicator). Omdat in de laatste jaren de toename van libellen is gestopt is er ook in de Rode Lijst in de laatste jaren geen verdere verbetering. In 2017 is zowel de RLI-lengte als de RLI-kleur toegenomen, wat een verslechtering t.o.v. voorgaande jaren weergeeft.

Soortspecifieke ontwikkelingen

Bij een nadere beschouwing van de soortspecifieke ontwikkelingen (zie download data: indexcijfers per soort) blijkt dat veel soorten gestaag zijn toegenomen tot 2007 en daarna stabiliseren of afnemen. Er zijn slechts enkele soorten die over de gehele periode sinds 1991 afnemen of toenemen.

Oorzaken: waterkwaliteit en klimaatverandering

Een aantal soorten libellen, zoals de beekjuffers, heeft geprofiteerd van verbeteringen van de waterkwaliteit en de natuurvriendelijker inrichting en beheer van wateren. Ook zijn er soorten in opkomst door de klimaatverandering, bijvoorbeeld tengere pantserjuffer, kleine roodoogjuffer, grote keizerlibel en vuurlibel. Dat libellen niet meer verder toenemen komt onder meer doordat de chemische kwaliteit van veel wateren nog onvoldoende is (zie onderstaande link). Daarnaast gaan sommige algemene, weinig kritische soorten de laatste jaren achteruit, zoals lantaarntje en gewone oeverlibel. In sommige gebieden is dat een gevolg van toegenomen concurrentie van of predatie door soorten die profiteren van waterkwaliteitsverbetering en klimaatverandering (Termaat & Van Strien 2015). In sommige delen van het land lijkt het echter door een verslechtering van de habitat te komen.

Habitatrichtlijn

Negen soorten libellen staan op de Habitatrichtlijn.

Referenties

  • Van Swaay, C.A.M., Bos, G., Van Grunsven, R.H.A., Kok, J., Huskens, K., Van Deijk,  J.R. & Poot, M. (2018). Vlinders en libellen geteld. Jaarverslag 2017. Rapport  VS2018.006, De Vlinderstichting, Wageningen.
  • Termaat, T. & A. van Strien (2015). Libellen: is de grootste winst voorbij? Vlinders 2: 10-12.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Trend van libellen

Omschrijving

Ontwikkelingen in verspreiding en aantallen van libellen als groep

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Verspreiding

Vrijwel alle inheemse soorten libellen zijn in de indicator opgenomen. De indicator bevat 57 soorten; daarin ontbreken de zeer zeldzame soorten waarvan geen verspreidingstrends zijn te bepalen.

Verspreidingsgegevens komen uit de Nationale Databank Flora en Fauna en uit het NEM meetprogramma libellen. Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over verspreiding (het aantal bezette kilometerhokken) bepaald met behulp van occupancy modellen (Van Strien et al., 2013).

Om de verspreidingsindicator te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over verspreiding meetkundig gemiddeld over alle soorten (Van Strien et al., 2016).

Van een aantal soorten zijn in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar (zie tabel met indexcijfers per soort, klik op 'download data'). Deze ontbrekende indexcijfers zijn eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Vervolgens zijn de indexen per jaar meetkundig gemiddeld. Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.

Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen. In zo'n geval liggen de meeste of zelfs alle jaarcijfers van de indicator binnen het betrouwbaarheidsinterval.

Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn. In dat geval kan een heel betrouwbare trend berekend worden en liggen veel jaarcijfers buiten het betrouwbaarheidsinterval.

Uit de betrouwbaarheidsintervallen zijn trendklassen afgeleid.

Rode Lijst Indicator

De Rode Lijst Indicator, 1995-2017 (derde tabblad) is gebaseerd op het aantal soorten op de Rode Lijst per jaar (RLI-Lengte). De variant RLI-kleur telt ook de verschuivingen tussen de categorieën op de Rode Lijst mee (Van Strien et al., 2014).

Basistabel

De indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staan onder het tabblad afzonderlijke soorten onder download data.

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

CBS (2018). Meetprogramma's voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458.

Soldaat, L., J. Pannekoek, R. Verweij, C. van Turnhout en A. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.

Van Strien, A.J., A.W. Gmelig Meyling, J.E. Herder, H. Hollander, V.J. Kalkman, M.J.M. Poot, S. Turnhout, B. van der Hoorn, W.T.F.H. van Strien-van Liempt, C.A.M. van Swaay, C.A.M. van Turnhout, R.J.T. Verweij en N.J. Oerlemans (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50.

Strien, A. van, R. Verweij, M. de Zeeuw, L. van Duuren en L. Soldaat (2014). Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De Levende Natuur (115) 5: 208-211.

WWF Nederland (2015). Living Planet Report Nederland, staat van biodiversiteit/natuur. WWF, Zeist.

Opmerking

In de huidige versie zijn geen aantalstrends opgenomen. Dit zal in een volgende versie waarschijnlijk wel weer het geval zijn voor een beperkt aantal soorten. Voor aantalstrends van HR-soorten, zie CLO-indicator over Libellen van de Habitatrichtlijn.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schattingen van de trends in verspreiding zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen die met een geavanceerde statistische methode zijn geanalyseerd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2018). Trend van libellen, 1991-2017 (indicator 1387, versie 13 , 18 mei 2018 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.