Ecosystemen

Vegetatie van halfnatuurlijke graslanden, 1999-2014

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

In halfnatuurlijke graslanden nemen de houtige gewassen en ruigtekruiden toe.

Halfnatuurlijke graslanden

Halfnatuurlijke graslanden is de verzamelnaam voor diverse typen van grazige onbemeste soortenrijke vegetaties zoals blauwgraslanden en dotterbloemhooilanden op natte bodems en heischrale- en kalkgraslanden op drogere bodems. De halfnatuurlijke graslanden liggen verspreid over het land en beslaan nog ongeveer 35.000 ha.

Dichtgroeien graslanden

Veel ontwikkelingen spelen in zowel droge als vochtige graslanden. De meest in het oog springende verandering is de toename van bomen, struiken en ruigtesoorten (eerste en tweede tabblad), zowel in droge als vochtige graslanden. Bomen en struiken komen slechts in een kwart van de meetpunten voor en bovendien met een bedekking van slechts enkele procenten. Ruigtesoorten komen echter in twee derde van de meetpunten voor en ook met een hogere bedekking. Ruigtesoorten die toenemen zijn bijvoorbeeld boerenwormkruid, gewone berenklauw, bramen, koninginnekruid en grote kattenstaart. Al deze verschijnselen wijzen op het dichtgroeien van graslanden. Dat is een natuurlijk proces dat wordt versneld door voedselrijke omstandigheden (vermesting) en wordt tegengegaan met beheersmaatregelen als begrazing en maaien.
Tegenover het dichtgroeien staat een afname van pionierplanten.

Rode Lijst soorten en kenmerkende soorten

Het totale soortenaantal in de meetpunten is niet veranderd. Maar in de droge graslanden is tot 2011 wél een achteruitgang van het aantal en de bedekking van de Rode Lijst soorten te zien. Na 2011 treedt wel weer herstel in de bedekking op, waardoor deze over de periode als geheel geen achteruitgang meer laat zien. Maar het aantal Rode Lijst soorten blijft ook ná 2011 dalen, zij het minder sterk dan daarvóór. In vochtige graslanden blijft het aantal en de bedekking van Rode Lijst soorten min of meer gelijk (derde tabblad).
Ook kenmerkende soorten nemen af, zowel in droge als in vochtige graslanden. Dit komt tot uitdrukking in de afnemende indexwaarde van deze groep soorten (vierde tabblad). Kenmerkende soorten die achteruitgaan zijn bijvoorbeeld hoornbloemen, timoteegras en zachte dravik in droog grasland en geknikte vossenstaart, pinksterbloem en mannagras in vochtig grasland (vijfde tabblad).

Verzuring, vermesting en verdroging

De indicatoren voor milieuomstandigheden wijzen niet op (verder) toenemende verdroging, vermesting of verzuring. Er zijn wél aanwijzingen dat de situatie iets verbetert, vooral ten aanzien van de verzuring en vermesting, maar de verandering is niet groot (zie de indicator over de ver-thema's). De vermindering van de verzuring is te zien aan de afname van indicatorsoorten van zure bodems en toename van indicatorsoorten voor basische bodems, zowel in droge als vochtige graslanden. Verder nemen indicatorsoorten voor voedselarme bodems in beide graslandtypen toe en indicatorsoorten voor voedselrijke bodems in vochtig grasland af. Indicatiewaarden voor vermesting, verzuring en verdroging die gebaseerd zijn op alle in de vegetatieopnamen voorkomende soorten wijzigen echter nauwelijks.

Referenties

  • Cáceres, M. de en P. Legendre (2009). Associations between species and groups of sites: indices and statistical inference. Ecology 90 (12): 3566-3574.
  • Wamelink, G.W., M.H.C. van Adrichem, H.F. van Dobben, J.Y. Frissel, M. den Held, V. Joosten, A.H. Malinowska, P.A. Slim & R.M.A. Wegman, 2012. Vegetation relevés and soil measurements in the Netherlands: the Ecological Conditions Database (EC). Biodiversity & Ecology 4, 2012 p 125-132.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Flora graslanden

Omschrijving

Veranderingen in de flora van halfnatuurlijke droge en vochtige graslanden. Een klein deel van de betrokken graslanden betreft ook graslanden met verschralend beheer en cultuurgraslanden met een natuurlijke inslag (zie IPI 240 en 413, Van Duuren, 2004).

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Alle trends in deze indicator zijn gebaseerd op vegetatieopnamen van het Landelijk Florameetnet (LMF). De berekende trends zijn gebaseerd op totaal aantal aangetroffen soorten, aantal aangetroffen soorten binnen onderscheiden soortgroepen, de sombedekking van de planten binnen onderscheiden soortgroepen en gemiddelde indicatorwaarden van de soorten in een vegetatieopname.
Ook zijn trends in de bedekking bepaald van in totaal 59 afzonderlijke plantensoorten. Daarbij is gekozen voor soorten die in voldoende mate in de opnamen vertegenwoordigd zijn en die behoren tot a: soorten van habitattypen van de Habitatrichtlijn (12 soorten), b: Rode Lijst soorten (10 soorten) c: ruigtesoorten (10 soorten), d: kenmerkende soorten voor droog en vochtig grasland (34 soorten), en e: exoten (4 soorten). Kenmerkendheid voor de graslandtypen is daarbij m.i.v. 2013 bepaald m.b.v. de Indval-methode (Dufrêne & Legendre, 1997).

Basistabel

Zie Download figuurdata

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Opmerking

Voor deze versie van de indicator zijn bij het bepalen van ruigtesoorten in de beide graslandtypen de bedekkingen van ruigtesoorten van droge én vochtige omstandigheden bij elkaar genomen.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2015). Vegetatie van halfnatuurlijke graslanden, 1999-2014 (indicator 1548, versie 03 , 11 december 2015 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.