Versterkte Broeikasgaswerking, 1950-2023

De versterkte broeikasgaswerking van alle broeikasgassen in de atmosfeer kan worden aangegeven door middel van de ‘stralingsforcering’. Dit is een maatstaf voor de verstoring van de energiebalans van de aarde, uitgedrukt in watt per vierkante meter (W/m2). Deze forcering van alle broeikasgassen in de atmosfeer samen is tot en met 2023 verder toegenomen en bedraagt ruim 2,9 watt per vierkante meter (W/m2). Dit is een stijging van 0,5 W/mten opzichte van 2014 (tien jaar trend) en van 2,6 W/mten opzichte van 1950. Sinds 1970 stijgt de stralingsforcering gestaag. Fluctuaties in de jaarlijkse toename zijn vooral het gevolg van variaties in biologische processen, zoals veenafbraak. 

Inleiding versterkte broeikasgaswerking

Door broeikasgassen in de atmosfeer wordt er warmtestraling vanuit het aardoppervlak vastgehouden. Dit broeikasgaseffect beïnvloedt het weer en het klimaat. Veel broeikasgassen, zoals koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), en lachgas (N2O), komen ook van nature voor in de atmosfeer en worden uitgestoten of gevormd en afgebroken of opgenomen door natuurlijke processen. Zonder dit natuurlijke broeikaseffect zou de temperatuur aan het aardoppervlak ongeveer 33 °C lager liggen dan dat we nu gewend zijn. Broeikasgassen zijn dus van groot belang voor het leven op aarde zoals we dat kennen. 

Door menselijk handelen, met name het gebruik van fossiele brandstoffen en ontbossing, worden steeds meer broeikasgassen uitgestoten. Hierdoor neemt de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer toe, wordt er meer warmte aan het aardoppervlak vastgehouden en verandert het klimaat op aarde. Deze versterkte broeikasgaswerking van alle broeikasgassen kan worden aangegeven door middel van de ‘stralingsforcering’. Dit is een maatstaf voor de verstoring van de energiebalans van de aarde, uitgedrukt in watt per vierkante meter (W/m2).

Totale forcering afhankelijk van verschillende broeikasgassen

De versterkte broeikasgaswerking is de som van de stralingsforcering van verschillende broeikasgassen. Om de ontwikkeling te begrijpen is het belangrijk om individueel naar deze gassen factoren te kijken. CO2 is het belangrijkste gas in de atmosfeer met betrekking tot de versterkte broeikasgaswerkingNaast CO2 gaat het ook om 47 andere stoffen, waaronder gassen die meegenomen zijn in het Klimaatverdrag (CH4, N2O en verschillende fluorkoolwaterstoffen) en het Montreal-protocol (stoffen die primair de ozonlaag aantasten, maar die ook het klimaat beïnvloeden). Verder zijn er processen en factoren die niet in deze protocollen worden meegenomen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om deeltjes of aerosolen, zoals sulfaat, roet en nitraat, en ozon (IPCC, 2013). Sommige van deze aerosolen hebben een negatieve forcering, oftewel een verkoelend effect. 

De stralingsforcering van deze broeikasgassen en processen wordt uitgedrukt in watt per vierkante meter (W/m2). Dit is de hoeveelheid extra energie die per seconde op een vierkante meter aardoppervlak valt (zie ook detailinformatie).

Totale stralingsforcering neemt verder toe

De stralingsforcering door alle broeikasgassen samen, inclusief koelende deeltjes, bedroeg in 2023 ruim 2,9 Watt per m2 (op basis van NOAA, 2025 en AGAGE, 2025). Dit is een stijging van 0,5 W/m2 ten opzichte van 2014 en van 2,6 W/mten opzichte van 1950. De snelheid waarmee de forcering toeneemt, fluctueert. Tot de jaren ’80 van de vorige eeuw was de toename beperkt, mede doordat ontwikkelingen van individuele gassen elkaar compenseerden. Daarna was de toename tussen de 0,05 en 0,06 W/m2 per jaar in respectievelijk de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw, rond de 0,07 W/m2 per jaar tussen 2011 en 2020, en weer circa 0,05 W/m2 per jaar sinds 2021. Variaties in biologische processen zoals veenafbraak (wat leidt tot methaanemissies) zijn de belangrijkste oorzaak in de jaar-tot jaar variaties (Michel et al, 2024, Yuan et al, 2024). 

Bijdrages (groepen) broeikasgassen onder het Klimaatverdrag en Montreal Protocol aan de stralingsforcering

In 2023 was de stralingsforcering van CO2 rond de 2,2 W/m2. Daarmee draagt  CO2 voor 75% bij aan de totale forcering (2,9 W/m2, zie boven). De forcering van CH4 en N2O was in 2023 respectievelijk 0,7 W/m2 (22%) en 0,2 W/m2 (7%). Hoewel de concentratie van CH4 stijgt, daalt de relatieve bijdrage aan de totale forcering. Dit komt doordat de concentratie en forcering van andere broeikasgassen gemiddeld sneller stijgt, mede doordat CH4 weer relatief snel wordt afgebroken (gemiddeld 12 jaar).  

De fluorhoudende koolwaterstoffen onder het Klimaatverdrag hadden in 2023 een stralingsforcering van circa 0,07 W/m2, en daarmee is de bijdrage beperkt (ruim 2% van totale stralingsforcering).

De bijdrage van de 18 gehalogeneerde koolwaterstoffen onder het Montreal-protocol (met name CFK's en HCFK’s) is groter. In 2023 was hun bijdrage aan de totale forcering circa 0,3 W/m2 (12%). Hun bijdrage aan de totale werking is wel gaan dalen sinds 2008 (absoluut en relatief) als gevolg van het in werking treden van het Montreal-protocol (UNEP, 1987) en het daarmee samenhangende stopzetten van de CFK-productie.

Stralingsforcering van aerosolen en overige factoren

Naast de bovengenoemde gassen uit het Klimaatverdrag en Montreal Protocol is er ook een categorie van ’overige factoren’ met daarin onder meer aerosolen/deeltjes (sulfaat, nitraat en roet), ozon en waterdamp. 

De invloed van aerosolen op het klimaat is complex. Sommige aerosolen hebben een verkoelende werking (bijvoorbeeld sulfaat- en nitraatdeeltjes), doordat zij het zonlicht reflecteren. Andere aerosolen (bijvoorbeeld roetdeeltjes) hebben een opwarmende werking, doordat zij juist het zonlicht absorberen. Daarnaast zijn aerosolen/stofdeeltjes in de atmosfeer ook condensatiekernen voor water en hebben ze daardoor een effect op de wolkenvorming, en zo indirect een dalende stralingsforcering. 

In 2023 was de totale forcering van deze ‘overige factoren’ -0,5 W/m2, oftewel netto een verkoelende werking. Als zodanig compenseren deze stoffen voor bijna 16% van de forcering in 2023. Aerosolen hebben hierin het grootste aandeel aan het afkoelende effect (bijna -1,0 W/m2), terwijl ozon weer een versterkend effect veroorzaakt (+0,5 W/m2). De koelende werking van deze categorie ‘overige broeikasgassen’ is afgenomen met 0,2 W/m2 ten opzichte van 10 jaar geleden, en met ruim 0,6 W/m2 ten opzichte van de hun piek in de jaren ’80 van de vorige eeuw. Dit komt met name door beleid gericht op schonere lucht, waardoor er minder deeltjes in de atmosfeer terecht komen. 

Klimaatbeleid om extra stralingsforcering te beperken

Het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties uit 1992 heeft als doel gesteld om de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren tot op een niveau waarbij een gevaarlijke menselijke beïnvloeding van het klimaat wordt vermeden (UNFCCC, 1993). Tijdens de Klimaatconferentie in Parijs (2015) is hier een vervolg op gegeven door temperatuurdoelstellingen voor de lange termijn te formuleren. Het voorkomen van een ‘gevaarlijke beïnvloeding van het klimaat’ is tijdens deze conferentie vertaald naar een maximale opwarming van de aarde tot ruim onder 2 graden ten opzichte van het pre-industriële klimaat, met 1,5 graad als streefwaarde (UNFCCC, 2015). Tijdens recente Klimaatconferenties in Glasgow (2021), Sharm el-Sheikh (2022) en Dubai (2023) is dit aangescherpt tot “inspanningen moeten worden geleverd om de temperatuurstijging tot 1,5 °C te beperken.” Om dit te bereiken moeten de mondiale emissies van broeikasgassen in de komende decennia sterk worden gereduceerd (tot netto nul emissies rond 2050-2060), waardoor concentraties en forcering kunnen stabiliseren of zelfs dalen. 

Met huidige ontwikkelingen is kans op het halen van het +1,5oC doel extreem klein 

Wetenschappers hebben diverse scenario’s ontwikkeld die de maximale concentratie en totale werking van broeikasgassen in de atmosfeer weergeven (zie tabel), afhankelijk van het temperatuurdoel (+1,5 oC of +2,0 oC) en de waarschijnlijkheid om langdurig onder dit doel te blijven (zie vooral IPCC 2018). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een piekconcentratie en daarmee een piek in de stralingsforcering tussen nu en 2100, en een maximale waarde die in 2100 bereikt moet zijn. Verder wordt er een onderscheid gemaakt tussen het wel of niet accepteren van een tijdelijke overschrijding van de temperatuurdoelen, c.q. of de temperatuur in atmosfeer tijdelijk wel of niet meer dan 1,5 en 2 graden gestegen mag zijn om daarna onder die grenswaarden terug te keren. Als men een tijdelijke overschrijding accepteert, kan de totale broeikasgaswerking eerst tijdelijk hoger uitkomen, maar moet het daarna ook sterker dalen. 

Waarschijnlijkheid dat temperatuur onder grenswaarden blijftAcceptatie tijdelijke temperatuur overschrijding+1,5 °C +2,0 °C 
  Piek werking (in W/m2)2100 werkingPiek werking.2100 werking
> 67% 
(‘waarschijnlijk’)1
Nee2,7 (2,5-3,0)2,1 (1,8-2,3)3,2 (2,8-3,6)2,9 (2,7-3,1)
 Ja3,0 (2,8-3,2)2,0 (1,7-2,3)3,4 (3,2-3,6)2,8 (2,5-2,9)
50%Nee3,0 (2,8-3,2)2,5 (2,3-2,5)3,6 (3,3-3,7)3,4 (3,1-3,5)
 Ja3,4 (3,3-3,6)2,3 (2,1-2,4)3,7 (3,6-3,9)3,2 (2,9-3,5)
< 33%
('onwaarschijnlijk')1
Nee3,1 (2,9-3,5)2,8 (2,5-2,9)3,9 (3,7-4,3)3,8 (3,5-4,2)
 Ja3,5 (3,2-3,7)2,6 (2,3-2,7)4,1 (3,8-4,5)3,6 (3,2-3,9)
Bron: Afgeleid uit IPCC, 2018
1 Uitspraak van IPCC, 2018 over waarschijnlijkheden
 

De meest voorzichtige invulling van het +1,5 oC en +2 oC-doel is gedefinieerd als een kans van twee derde of groter (67%) dat het temperatuurdoel niet wordt overschreven en waarbij een tijdelijke temperatuuroverschrijding niet wordt geaccepteerd, zoals beschreven in de bovenste regel in bovenstaande tabel en onderstaande figuur. De stralingsforcering mag dan deze eeuw niet hoger worden dan 2,7 (2,5 tot 3,0) W/m2, en moet dan terugzakken naar 2,1 W/m2 rond 2100. Voor het +2 oC-doel liggen deze waardes op respectievelijk 3,2 (2,8-3.6)W/m2 en 2,9 W/m2. De stralingsforcering gekoppeld aan de temperatuurdoelen is onzeker, wat terugkomt in de bandbreedte. Daarvoor zijn verschillende redenen (zie technische toelichting). 

De stralingsforcering door alle broeikasgassen en aerosolen was in 2023 ruim 2,9 W/m2, met een toename van 0,05 W/m2 per jaar. Met deze huidige waarde en snelheid van verandering en de meest voorzichtige invulling van >67% waarschijnlijkheid is het halen van het +1,5 oC-doel zeer onwaarschijnlijk; de middenwaarde van 2,7 W/m2 is al overschreden, maar de bovenkant van de bandbreedte van 2,5 tot 3 W/m2 nog niet, zie boven. Om bij de meest voorzichtige invulling van  het +2 oC-doel onder de grenswaarden te blijven moet de stralingsforcering pieken tussen 2028 en 2031, afhankelijk van of men een tijdelijke overschrijding accepteert (zie Figuur ‘Versterkt broeikaseffect van broeikasgassen’). Als men een minder voorzichtig uitgangspunt accepteert (50% of zelfs 33% waarschijnlijkheid op het halen van de doelen), dan worden de termijnen voordat grenswaarden overschreden worden langer (zie Figuur ‘Versterkt broeikaseffect van broeikasgassen). 

Bronnen

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Versterkte broeikasgaswerking

Omschrijving

-

Verantwoordelijk instituut

PBL, Jelle van Minnen, Mathijs Harmsen

Berekeningswijze

De versterkte broeikasgaswerking wordt berekend uit de concentratieverhoging van broeikasgassen (in ppm) en de daarmee samenhangende stralingsforcering (in W/m2) ten opzichte van de preïndustriële periode, gedefinieerd als het gemiddelde over de periode 1750-1850. 

De Versterkte Broeikasgaswerking hangt af van de effectiviteit voor het uitstralen van warmtestraling door de atmosfeer. Die effectiviteit verschilt per broeikasgas en wordt voor sommige broeikasgassen ook beïnvloed door de concentraties van de andere broeikasgassen. De som van de bijdragen van de verschillende gassen is de stralingsforcering en wordt uitgedrukt in de eenheid W/m2. Dit is de hoeveelheid extra energie die per seconde op een vierkante meter aardoppervlak valt.

Basistabel

-

Geografische verdeling

CO2, CH4, N2O en gehalogeneerde koolwaterstoffen zijn mondiale broeikasgassen, die door een lange levensduur – doorgaans tientallen jaren of meer - goed gemengd zijn in de atmosfeer. De mondiaal gemiddelde concentraties kunnen uitgerekend worden op basis van een beperkt aantal meetpunten.

De concentratie in de atmosfeer van de andere gassen en deeltjes varieert meer over de aarde. Door het meten op verschillende stations kan toch een mondiaal gemiddelde concentratie gegeven worden.

De meetstations staan op verschillende geografische breedtes. De locaties zijn zo gekozen dat ze (i) ver verwijderd zijn van de bronnen waardoor ze representatief zijn voor een groot gebied; (ii) evenwichtig verdeeld zijn over de wereld, bijvoorbeeld over noordelijk en zuidelijk halfrond. De mondiaal gemiddelde concentratie is berekend als gemiddelde van de meetresultaten over deze locaties.

Andere variabelen

De broeikasgaswerking of “stralingsforcering”, uitgedrukt in W/m2 in combinatie met temperatuurdoelen is onzeker. Dit komt door 1) Thermische inertie: het klimaatsysteem van de aarde, met name de oceanen, fungeert als een warmtebuffer die tientallen of zelfs eeuwen nodig heeft om een evenwicht te bereiken; 2) klimaatfeedbacks: de stralingsforcering bepaalt de initiële energie, maar feedbackloops zoals ijs-albedo en wolken kunnen de temperatuur verder beïnvloeden; en 3) Broeikasgassen en aerosolen hebben daarnaast verschillende "efficiënties" voor het veranderen van de temperatuur, onder andere door een verschillende verdeling over de atmosfeer

Verschijningsfrequentie

tweejaarlijks

Betrouwbaarheidscodering

-

Archief van deze indicator

Actuele versie
versie‎
13
Bekijk meer Bekijk minder
versie‎
12
versie‎
11
versie‎
10
versie‎
09
versie‎
08
versie‎
07
versie‎
06
versie‎
05
versie‎
04
versie‎
03

Referentie van deze webpagina

CLO (2026). Versterkte Broeikasgaswerking, 1950-2023 (indicator 0225, versie 13, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.