Landbouw en milieu

Duurzame stallen, 2001-2016

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Begin 2016 bedroeg het aandeel integraal duurzame stallen 13%. Daarmee is het doel van 12% gerealiseerd.

Ontwikkeling van het aandeel duurzame stallen

In de Nota Dierenwelzijn (2007) is als ambitie opgenomen dat in 2011 5% van de stallen in de veehouderij integraal duurzaam zou moeten zijn. Jaarlijks is in de begroting van Economische Zaken een streefwaarde opgenomen voor het lopende jaar. Voor begin 2016 (EZ 2015) is dit 12% en voor 2017 is dit 14% (Van der Peet et al. 2016).
In de loop der jaren is het aandeel integraal duurzame stallen toegenomen. De groei treedt vooral op door de bouw van stallen die voldoen aan de criteria uit de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) en het Beter Leven keurmerk (Van der Peet et al. 2016).
De toename van het aandeel komt niet alleen door de toename van het aantal duurzame stallen maar ook door een afname van het totaal aantal stallen door schaalvergroting. Met een realisatie van integraal duurzame stallen op 1 januari 2016 van 33% in de pluimveehouderij, ruim 24% in de varkenshouderij en ruim 7% in de rundveehouderij is de doelstelling van 12% integraal duurzame stallen op peildatum 1 januari 2016 gehaald. De trend van schaalvergroting betekent dat het aandeel integraal duurzame stallen lager is dan het aandeel dieren in deze stallen, dat op de peildatum 34% (pluimveehouderij), 35% (varkenshouderij) en bijna 20% (rundveehouderij) bedroeg.

Door de lage melkprijzen als gevolg van het afschaffen van het melkquotum vanaf april 2015 en onzekerheden over de derogatie van de Nitraatrichtlijn en de invoering van fosfaatrechten op 1 januari 2017 is de verwachting dat na 2016 de groei in het aantal integraal duurzamere melkveestallen terugloopt (Van der Peet et al. 2016).

Grote verschillen tussen sectoren

Belangrijke drijvende krachten voor de bouw van nieuwe stallen zijn milieuregels en welzijnsregels geweest die in 2010 (vleeskuikens), 2012 (leghennen) en 2013 (zeugen) van kracht zijn geworden. Daarnaast spelen verleende fiscale voordelen en subsidies een rol. Een andere factor die bijdraagt aan de groei van het aandeel duurzame stallen zijn lokale eisen voor vergunningverlening die te maken hebben met ruimtelijke ordening (bouwblokgrootte), natuurbescherming, geurhinder en de uitstoot van fijn stof. Voor de meeste melkveebedrijven was er tot 2015 geen regelgeving die grote aanpassingen aan stallen vereiste. In de rundveehouderij is ruim 7% van de stallen aan te merken als 'integraal duurzaam' (Van der Peet et al. 2016) en daarmee blijft deze sector achter bij het gemiddelde in de veehouderijsector. Een tweede verklaring voor het achterblijven van de rundveesector is dat bij melkvee het aantal bedrijven en daarmee het aantal stallen vanaf het jaar 2000 minder snel is afgenomen in vergelijking met de varkens- en pluimveehouderij. Verder hebben rond 2010 melkveehouderijen nog fors geïnvesteerd in stallen die niet emissie-arm zijn (Arcadis 2013). Deze stallen hebben een ruime (over)capaciteit. Deze ruimte is gecreëerd om in te spelen op de uitbreiding die vanaf 1 april 2015 mogelijk is geworden door het afschaffen van het Europese melkquotum. Vanwege het voornemen om vanaf 2015 de emissie-eisen voor nieuwe melkveestallen aan te scherpen (onder invloed van het PAS-beleid), hebben melkveehouders hun investeringen in stallen vervroegd.

Duurzame stallen in Noord Brabant en Limburg

Voor de gehele varkens- en pluimveesector in Noord Brabant en Limburg was er bovendien al vanaf 2010 sprake van aangescherpte ammoniakeisen voor nieuwe stallen via provinciale verordeningen. Anders dan in de melkveehouderij was het daar al verplicht om 85% ammoniakreductie te realiseren ten opzichte van traditionele stallen. Daar komt bij dat het voor varkens- en pluimveehouderijen relatief eenvoudiger en/of goedkoper was om te voldoen aan bovenwettelijke eisen voor ammoniak. Bij varkens kan dat via toegevoegde technieken, zoals (combi)luchtwassers en is dus geen stalvervanging nodig. Bovendien zijn hier subsidies voor beschikbaar gesteld. Bij legkippen was het mogelijk om via goedkopere volièrestallen te voldoen aan de bovenwettelijke eisen ten aanzien van ammoniak. De varkenshouderij heeft verder de mogelijkheid om een deel van de integraal duurzame stallen die uitgerust is met combiluchtwassers te salderen met niet-emissie-arme stallen; volgens definitie in de MDV is dat integraal duurzaam, en op bedrijfsniveau is het een manier om aan de wettelijke eisen te voldoen. Deze mogelijkheid bestaat niet in de rundveehouderij.

Definitie integraal duurzame stallen

Bij de monitoring (Van der Peet et al. 2016) zijn integraal duurzame stallen gedefinieerd als:

  • stallen van biologische - door Skal gecertificeerde - bedrijven of
  • stallen waarvoor veehouders gebruik hebben gemaakt van de fiscale regelingen Vamil (willekeurige afschrijving milieu-investering) en MIA (milieu-investeringsaftrek); om deze regelingen te mogen toepassen, moeten de veehouders op de zogenaamde Maatlat Duurzame Veehouderij een minimumaantal punten halen voor ammoniak, dierenwelzijn, voor energie en diergezondheid (sinds 2009); voor fijn stof en inpassing in de omgeving (sinds 2011) en brandveiligheid (sinds 2014) of
  • milieukeurstallen, die voldoen aan bovenwettelijke eisen voor milieu (energiegebruik, mestproductie en ammoniakemissie) en dierenwelzijn inclusief diergezondheid;
  • stallen die meedoen aan de Investeringsregeling integraal duurzame stallen; veehouders kunnen sinds 2008 jaarlijks op deze regeling inschrijven en een commissie selecteert de meest duurzame stallen uit de inschrijvingen of
  • Veehouderijen met het Beter Leven Keurmerk sinds 2014. Dit keurmerk is ontwikkeld door de Dierenbescherming. De nadruk ligt op dierenwelzijn en minder op stalinrichting of
  • Veehouderijen met het keurmerk Keten Duurzaam Varkensvlees sinds 2014. Dit keurmerk is ontwikkeld door samenwerking in de keten van Nederlandse varkenshouders tot slagers, retail en cateraars.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Duurzame stallen

Omschrijving

Percentage gerealiseerde integraal duurzame stallen excl. het aantal aanvragen voor stallen in voorbereiding per sector.

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving

Berekeningswijze

De cijfers voor het aantal stallen zijn overgenomen uit van der Peet et al., 2016.

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Tweejaarlijks

Betrouwbaarheidscodering

Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2016). Duurzame stallen, 2001-2016 (indicator 0401, versie 05 , 15 september 2016 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.