Trend in Bospaddenstoelen, 1994-2024
Bospaddenstoelen gaan sinds 2010 weer achteruit, na een periode van toename vanaf midden jaren negentig
Trend van bospaddenstoelen
Paddenstoelen vervullen belangrijke functies in onze bossen. Ze zijn te verdelen in houtafbrekers (hout-parasitaire en -saprotrofe soorten), strooiselafbrekers (saprotrofe bodembewoners), en symbionten (ectomycorrhiza-soorten). De eerste groep leeft vanzelfsprekend in hout, de twee andere leven in de bodem of in strooisel en verschijnen op de bosbodem. Alle drie de groepen paddenstoelen in de bossen op de zandgronden zijn in de laatste vijftien à twintig jaar achteruit gegaan na een aanvankelijke toename vanaf midden jaren negentig (eerste tabblad). Van de drie groepen vertoont de groep van ectomycorrhiza-soorten de grootste schommelingen in de tijd.
Meeste ectomycorrhiza-vormende paddenstoelen zijn stikstofgevoelig
Paddenstoelen zijn de vruchtlichamen van schimmels. Een bepaalde groep van schimmelsoorten leeft samen met bomen door verbindingen tussen schimmeldraden en fijne boomwortels. Die verbindingen heten (ecto-)mycorrhiza, de groep schimmels die dit doet worden ectomycorrhiza-vormende soorten genoemd. Voorbeelden van ectomycorrhiza-soorten zijn Hanenkam, Vliegenzwam en Eekhoorntjesbrood. De samenwerking bestaat eruit dat de boom suikers aan de schimmel levert in ruil voor stikstof en andere voedingsstoffen waar de schimmel beter bij kan. Zo hebben ze er beide voordeel aan: symbiose (nog preciezer: mutualisme). Deze soorten zijn stikstofgevoelig, d.w.z. dat bij een overmaat aan stikstof de boom minder in wortels en schimmelpartners investeert, en meer in de boomkroon. Voor de schimmel is dit nadelig, want die krijgt minder suikers. Maar veel van deze schimmels hebben nog meer last van de toename van stikstof rechtstreeks in de bodem. Dit heeft een direct negatief effect op de vorming van paddenstoelen.
Groep van ectomycorrhiza-soorten reageert op niveau van stikstofdepositie
Veel van deze bospaddenstoelen zijn in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw sterk achteruitgegaan. Deze achteruitgang wordt toegeschreven aan de hoge niveaus van stikstofdepositie in die periode, afkomstig van met name de landbouw en het verkeer (Termorshuizen & Schaffers 1991). Vanaf eind jaren tachtig zijn er diverse milieumaatregelen genomen, waardoor de landelijke stikstofdepositie sinds 1994 geleidelijk afnam van gemiddeld 36,8 kg stikstof per hectare in 1994 tot 20,6 kg per hectare in 2010. De trend van ectomycorrhiza-soorten vertoonde tussen 1994 en 2010 een toename, vooral de stikstofgevoelige soorten gingen in die periode vooruit (zie tweede tabblad). Doordat juist de meest stikstofgevoelige soorten toenamen, ligt het voor de hand om de toename te verklaren a.d.h.v. de verminderde stikstofdepositie. Ook het feit dat de verbetering vooral plaatsvond in de regio met de laagste stikstofdepositie wijst daarop (Van Strien et al. 2017). Na 2010 is de afname van de stikstofdepositie afgeremd en bedroeg in 2024 nog altijd 19,5 kg per hectare. Daarnaast waren er in de periode na 2010 enkele zeer droge jaren. Vermoedelijk hebben die een negatief effect op de trend tot gevolg gehad. Het is in de praktijk niet altijd mogelijk de effecten van beide factoren te scheiden. Veranderingen in het klimaat kunnen de gevolgen van stikstofdepositie versterken.
Bodem- en houtpaddenstoelen
De houtafbrekers lijken enigszins te hebben geprofiteerd van veranderd bosbeheer waardoor veel meer dood hout in de bossen blijft liggen. Ook het natuurlijker worden van het bos, met bomen en hout van verschillende leeftijden, zal daar aan hebben bijgedragen. Maar ook bij die groep daalt de trend vanaf 2010.
De strooiselafbrekers bereiken al rond 2004 hun piek, waarna een afname ingezet is die nog niet is gestuit. De strooiselafbrekers hebben het vermoedelijk moeilijk omdat teveel stikstof zorgt voor ongunstige chemische eigenschappen van de bodem. Hierdoor wordt de strooisellaag slechter afgebroken waardoor deze te dik wordt voor veel soorten (Ozinga en Kuyper, 2015). Slechtere omstandigheden leiden tot afname van vruchtlichamen en vervolgens ook tot afname van schimmeldraden.
Bronnen
- Van Strien et al. (2017). Woodland ectomycorrhizal fungi have benefitted from large scale reduction of nitrogen deposition in the Netherlands. Journal of Applied Ecology, DOI: 10.1111/1365-2664.12944.
- Ozinga, W. en Kuyper, T. (2015). Functionele diversiteit mycorrhizaschimmels onder druk door stikstofdepositie. Natuur Bos Landschap 117: 20-22.
- Termorshuizen, A. en A. Schaffers (1991). The decline of carpophores of ectomycorrhizal fungi in stands of Pinus sylvestris L. in The Netherlands: possible causes. Nova Hedwigia 53: 267-289.
Relevante informatie
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Bospaddenstoelen
- Omschrijving
Ontwikkeling populaties van groepen bospaddenstoelen
- Verantwoordelijk instituut
Centraal Bureau voor de Statistiek
- Berekeningswijze
De indicator is gebaseerd op verspreidingsgegevens van 119 goed in het veld herkenbare soorten bospaddenstoelen, verdeeld over 3 functionele groepen: ectomycorrhiza-vormende soorten (n=67), bodembewonende saprotrofe soorten (n=22) en houtpaddenstoelen (zowel hout saprotrofe als houtparasitaire soorten; n=30). Binnen de ectomycorrhiza-vormende groep is nog een onderscheid gemaakt in stikstofgevoelige soorten (n=37) en stikstoftolerante soorten (n=8).
De gegevens zijn afkomstig van niet gestandaardiseerde karteringen van de Nederlandse Mycologische Vereniging en gestandaardiseerde monitoring binnen het NEM-meetnet in bossen op zandgronden. Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over verspreiding (het aantal bezette kilometerhokken) bepaald met behulp van List Length-analyse (Szabo 2010; Van Strien et al. 2017).
Omdat de gegevens gedeeltelijk zonder vast meetprotocol zijn verzameld, is gecorrigeerd voor variatie in waarnemersinspanning. Dat is gedaan door het aantal soorten dat per kilometerhok in een jaar is genoteerd, op te vatten als maat voor de waarnemersinspanning in een hok. Omdat deze methode niet alle bronnen van vertekening kan ondervangen, zijn de data vóór analyse gefilterd om vertekening in de trends te voorkomen.
Om de indicator te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over het aantal bezette kilometerhokken per soort meetkundig gemiddeld over alle soorten per functionele groep, voor de periode 1994-2024. De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator zijn gebaseerd op de betrouwbaarheidsintervallen van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al. 2017).
- Basistabel
De indexen van de individuele soorten op basis van ontwikkelingen in verspreiding zijn te downloaden onder Download Data.
- Geografische verdeling
Nederland
- Andere variabelen
Zie tabel indexen individuele soorten onder Download data
- Verschijningsfrequentie
driejaarlijks
- Achtergrondliteratuur
- Van Strien et al. (2017). Woodland ectomycorrhizal fungi have benefitted from large scale reduction of nitrogen deposition in the Netherlands. Journal of Applied Ecology, DOI: 10.1111/1365-2664.12944.
- Ozinga, W. en Kuyper, T. (2015). Functionele diversiteit mycorrhizaschimmels onder druk door stikstofdepositie. Natuur Bos Landschap 117: 20-22.
- Szabo, J.K., Vesk, P.A., Baxter, P.W.J. en Possingham, H.P. (2010). Regional avian species declines estimated from volunteer-collected long-term data using List Length Analysis. Ecological Applications 20: 2157–2169.
- Soldaat, L.L., J. Pannekoek, R.J.T. Verweij, C.A.M. van Turnhout en A.J. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.
- Somhorst,I. en Verweij, R. (2024). Onlosmakelijk verbonden: paddenstoelen in het bosecosysteem. Natuur, Bos, Landschap 205: 21-24
- Betrouwbaarheidscodering
C. Schattingen van trends in verspreiding zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen die met een geavanceerde statistische methode zijn geanalyseerd.
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2026). Trend in Bospaddenstoelen, 1994-2024 (indicator 1390, versie 13, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.