Mondiaal landgebruik door Nederlandse consumptie, 1990-2024
De hoeveelheid land die nodig is om in de Nederlandse consumptie te voorzien wordt ook wel de landvoetafdruk genoemd; deze wordt geschat op ongeveer driemaal het landoppervlak van Nederland. Ruim 80 procent van de landvoetafdruk ligt in het buitenland, waarvan circa de helft binnen de EU.
Verschillende methodes
Het landgebruik door onze consumptie omvat zowel die van huishoudens (particuliere consumptie zoals bijvoorbeeld voedsel) als die van de overheid (publieke consumptie zoals bijvoorbeeld papier). De informatie in deze voetafdruk-indicator is gebaseerd op een zogenaamde bottom-up methode, terwijl de voetafdruk van de CLO-indicator Nederlandse landvoetafdrukken is gebaseerd op een zogenaamde top-down methode. In de technische toelichting leest u meer over de verschillen.
Landgebruik Nederlandse consumptie weer afgenomen
Door minder gebruik van hout en opbrengstverhogingen in de landbouw is de landvoetafdruk van onze consumptie sinds de eeuwwisseling in eerste instantie afgenomen. Sinds 2013 is deze echter weer toegenomen met een vrij sterke toename na 2019 tot 12,8 miljoen hectare in 2021. Voor 2024 is weer een daling te zien naar 11,5 miljoen hectare, vooral door een afname van het gebruik van hout als brandstof. Ook in het verloop van de voetafdruk per persoon is ongeveer dezelfde trend te zien, de voetafdruk per persoon bedraagt anno 2024 0,64 hectare (figuur Trend en Hectare per persoon).
Deze stijgingen en dalingen komen vooral door het variabele houtgebruik sinds 2000. Vooral hout dat wordt gebruikt als brandstof (brandhout, bijvoorbeeld in haarden, kachels en biomassacentrales, als blokken, pellets of chips) varieert, bijvoorbeeld door hoge gasprijzen, koude of warme winters of subsidies voor hernieuwbare energie (zie figuur Gebruik van brandhout in Nederland). Daarnaast fluctueert ook het gebruik van hout in de bouw en het gebruik van papier en karton over de jaren. Het landgebruik voor voedsel is daarentegen vrij stabiel, en neemt licht af sinds 1995.
Meer dan 80% van het Nederlandse landgebruik ligt in het buitenland
Het meeste land is nodig voor het produceren van hout (49%) en voedsel (33%), de rest betreft landgebruik voor het produceren van non-food producten, en het ruimtebeslag van woonwijken en infrastructuur (figuur Productgroepen). Door de grote rol van import van grondstoffen voor onze consumptie is de voetafdruk voor ruim 80% gelegen in het buitenland. Het betreft bijvoorbeeld landgebruik voor graan uit Frankrijk, soja uit Brazilië, hout uit Scandinavië, katoen uit Turkije en wol uit Australië. West-Europa en Zuid-Amerika zijn de belangrijkste regio’s waar land gebruikt wordt voor producten voor de Nederlandse consumptie (figuur Kaart).
Nederland heeft ondanks hoge welvaart een relatief beperkt landgebruik
Ondanks het relatief hoge welvaart- en consumptieniveau in Nederland ligt het landgebruik per inwoner relatief laag. Een internationale vergelijking (voor het jaar 2015) laat zien dat de gemiddelde Nederlander een 15% lagere landvoetafdruk heeft dan de gemiddelde Europeaan (Wilting, 2021), terwijl het BBP per capita (gecorrigeerd voor prijsverschil) 30% boven het EU gemiddelde lag (Eurostat, 2024). De gemiddelde Noord-Amerikaan heeft op zijn beurt een ruim tweemaal zo hoge landvoetafdruk als de gemiddelde Europeaan (Wilting, 2021). Indien ons voedsel zou worden geproduceerd met mondiaal gemiddelde landbouwopbrengsten zou ons beslag op landbouwgronden voor voeding bijna driemaal zo hoog liggen (Nijdam et al, 2018). Deze waarde gold voor 2013, een herberekening voor 2024 laat een lichte daling zien (2,7 maal zo hoog). De mondiale gemiddelde opbrengsten groeien dus sneller dan de (grotendeels Europese) opbrengsten voor de Nederlandse consumptie. Een dergelijke voetafdrukberekening met mondiale gemiddelden is ook onderdeel van de zogenaamde ‘ecological footprint’ van het Global Footprint Network (GFN, 2026). Dit – en het feit dat er ook landgebruik wordt ingecalculeerd voor visgronden en CO2 compensatie - is de reden dat de ecological footprint veel hoger uitkomt dan de hier berekende 0,64 hectare per persoon. Voor 2022 bedraagt deze ecological footprint per Nederlander bijvoorbeeld 3,6 global-hectare (GFN, 2026).
We gebruiken beschikbare gronden op een intensieve manier
Hoewel het Nederlandse consumptiepatroon relatief veel vlees en zuivel bevat, dat meer land vergt dan plantaardige producten, zijn deze producten overwegend afkomstig uit relatief efficiënte Nederlandse veehouderijsystemen, met veevoer uit intensieve akkerbouw en ruwvoer van intensief beheerde graslanden. Onze groenten komen voor een groot deel uit kassen, die een zeer hoge productie per hectare hebben. Aardappelen, granen, fruit en suiker komen ook overwegend uit relatief productieve (Europese) landbouw.
Deze intensieve landbouwsystemen worden gekenmerkt door een hoge input van energie, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en hoge opbrengsten per hectare. De hoge opbrengsten gaan echter in het algemeen gepaard met een hoge milieudruk, een lage biodiversiteit van het agrarisch areaal, en effecten op biodiversiteit elders door vervuiling, bijvoorbeeld NH3 depositie in natuurgebieden. Zulke effecten komen niet tot uiting in de landvoetafdruk, daarvoor is de biodiversiteitsvoetafdruk-indicator ontwikkeld.
Voor voeding gebruiken we bijna tweemaal het Nederlandse landbouwareaal
Het landgebruik voor de consumptie van voedsel ligt op ruim 0,2 hectare per persoon. De belangrijkste voedselproducten hierin zijn rundvlees, zuivel en varkensvlees. Veel landbouwgrond is nodig voor de productie van veevoer (voornamelijk granen en soja) en voor gebruik als weiland. Het totale landgebruik voor onze voedselconsumptie in 2024 (3,8 miljoen hectare) bedroeg ruim meer dan tweemaal het agrarisch areaal van Nederland (1,6 miljoen ha) (CLO-indicator Agrarisch grondgebruik). Dat er toch bijna 80% van het landgebruik voor onze voedselconsumptie in het buitenland ligt komt doordat er op het Nederlandse agrarisch areaal ook veel voor de export wordt geproduceerd.
In 1990 bedroeg het landgebruik voor voedselconsumptie nog 4,7 miljoen hectare. Ondanks een bevolkingsgroei van 20% sinds 1990 is het totale ruimtebeslag voor voeding dus 20% afgenomen. Dit komt vooral door toegenomen opbrengsten in de landbouw. Zo lag bijvoorbeeld voor granen de mondiaal gemiddelde opbrengst per hectare in 2024 circa 65 % hoger dan in 1990. In West-Europa was die stijging veel lager (13%) (FAO, 2026).
Biobrandstoffen voor transport relatief nieuwe element in het landgebruik
Het gebruik van vloeibare biobrandstoffen in het wegtransport, zoals biodiesel en bio-ethanol is langzaam in opkomst sinds 2007. Voor de teelt van grondstoffen voor deze brandstoffen, zoals palmolie en rietsuiker, is ook land nodig, tenzij het laagwaardige afvalproducten betreft die anders niet of nauwelijks nuttig zouden worden gebruikt. Momenteel is het landgebruik voor biodiesel en bio-ethanol nog beperkt van omvang (ruim 154 duizend hectare, ofwel 1,3 % van de voetafdruk in 2024 (figuur Productgroepen). In Nederland gold in 2021 een verplichting tot het bijmengen van biobrandstoffen voor het wegverkeer van 17,5% in het kader van de Renewable Energy Directive (RED). In 2024 lag dit doel op 28,4 %. Dit doel is ruim gehaald (NEA, 2025), met name door het gebruik van zogenaamde ‘dubbeltellende’ brandstoffen (90% van het totaal). Dit zijn brandstoffen die zijn gemaakt van restproducten of afvalstoffen. Voor biodiesel wordt bijvoorbeeld veel oud frituurvet (UCO, used cooking oil) en POME (Palm Oil Mill Effluent) gebruikt, die vooral uit Azië worden geïmporteerd. Daarnaast worden ook andere secundaire grondstoffen gebruikt, zoals voedselafval en zetmeelslurry (NEA, 2025). Door de dubbeltelling is het werkelijke -fysieke- aandeel van hernieuwbare brandstoffen in onze benzine en diesel veel lager (circa 16%). Aan deze dubbeltellende grondstoffen is geen landgebruik toegekend, uitzondering hierop is UCO, waaraan de helft van het landgebruik van reguliere olieproductie is toegekend vanwege de hoge marktwaarde en het feit dat deze grondstof voorheen ook al veel nuttig werd toegepast. Om deze reden mag er maximaal 10% UCO worden ingezet volgens de RED. Ook wordt een deel van de biobrandstoffen nog gemaakt van conventionele grondstoffen zoals mais, tarwe en plantaardige oliën. Aan deze grondstoffen is het volledige landbeslag van productie toegekend. Indien alle biobrandstoffen zouden zijn gemaakt van dergelijke conventionele grondstoffen zou het aandeel van biobrandstoffen in onze voetafdruk veel groter zijn; bijna 5% van ons totaal landgebruik.
Verbruik van hout varieert
De totale houtconsumptie in Nederland daalde volgens statistieken van de Stichting Probos van ruim 17 miljoen m3 rondhout-equivalenten in 2000 naar ruim 13 miljoen m3 in 2013. Deze daling had vooral te maken met de bouwcrisis die volgde op de bankencrisis. Daarna nam het houtverbruik weer sterk toe, tot 21,7 miljoen m3 in 2021. Deze stijging had te maken met herstel van de bouw en de opkomst van hout als brandstof door de hoge gasprijzen, bijvoorbeeld voor elektriciteitsproductie (bijstook in kolencentrales) of in verwarmingsketels bij bedrijven (zie ook figuur gebruik van brandhout). Ook de opkomst van online bestellingen -waar veel verpakkingspapier en -karton voor nodig is- droeg hier mogelijk aan bij. Na deze piek daalde het verbruik weer naar 17,6 miljoen m3 (Probos, 2026), waarschijnlijk vooral door de normalisering van de gasprijzen. Van het totale houtverbruik in 2024 werd 31% ingezet als energiehout (vooral bij bedrijven), 28% als pulp voor papierproductie, 22% als gezaagd hout, 15% als plaatmateriaal, en 4% als overig (zaagsel/strooisel, viscose, verpakkingsmateriaal, etc.) (Probos, 2026). Voor de inzet van oud-papier is in de berekening geen landgebruik meegeteld omdat het een secundaire grondstof betreft.
Veel hout gebruikt in energiecentrales en biomassaketels
Het aandeel van vaste houtige brandstoffen (blokken, pellets en chips), zowel voor haarden, kachels, biomassaketels als voor bijstook in kolencentrales bedraagt circa 14% van de totale landvoetafdruk in 2024. Bijstook in kolencentrales kwam sterk op na de eeuwwisseling, nam weer sterk af sinds 2012 maar nam na 2018 weer sterk toe met een piek in 2021 en 2022. Hoge gasprijzen en beschikbaarheid van subsidies droegen hier aan bij. Houtstook door huishoudens nam zeer licht toe sinds de jaren 90 en bedraagt anno 2024 bijna 1,2 megaton. Het gebruik van houtige biomassa in ketels bij bedrijven nam sinds de eeuwwisseling sterk toe en bedroeg in 2024 ruim 2,7 megaton (CBS, 2026) (figuur Energiehout).
Landgebruik voor hout is lastig te bepalen
Het landgebruik voor hout en papier wordt voornamelijk berekend op basis van langjarige opbrengsten van bos in landen die een grote rol spelen in onze houtimporten, zoals Duitsland, Zweden, België, de VS en Finland (Probos, 2024). Het betreft gerealiseerde en op basis van bijgroei berekende opbrengsten van productiebossen en plantages. Bosbouw kent in het algemeen lange rotatiecycli, afhankelijk van bosbeheer, boomsoort, geografie en klimaat. Plantages worden gekenmerkt door snelgroeiende aangeplante soorten en relatief korte rotatiecycli (ca 20-30 jaar), terwijl in meer natuurlijke productiebossen de eindkap tot 100 jaar op zich kan laten wachten. De kapopbrengsten per hectare lopen daardoor sterk uiteen voor verschillende houtsoorten en hun toepassingen.
In een duurzaam volledig op productie gericht bos wordt circa 80% van de bijgroei geoogst. Dit kan geschieden met kaalkap van hele bospercelen (al dan niet na diverse uitdunningsrondes) of selectieve kap, waarbij alleen bepaalde bomen worden geoogst. Een bosbouwer kan - in tegenstelling tot een landbouwer - ervoor kiezen om de oogst nog een paar jaar te laten staan in afwachting van betere marktprijzen. Soms ook moeten er grote percelen (voortijdig) worden gekapt om plagen te beheersen.
Veel bossen - met name in Europa – hebben een multifunctioneel karakter, waarbij veel minder geoogst wordt dan de bijgroei. Natuur en recreatie zijn hier vaak even belangrijk als houtopbrengst. Al deze aspecten maken het lastig om aan onze houtconsumptie een bepaald areaal te verbinden.
Door gebruik te maken van langjarige duurzame oogstintensiteiten uit volledig op productie gericht bosbeheer vertegenwoordigt de houtvoetafdruk het benodigd areaal aan productiebos. Natuur- en recreatief bos telt daarin niet mee omdat het niet primair ten dienste staat van de fysieke consumptie. De gemiddelde opbrengst van productiebos dat het merendeel van onze importen levert bedroeg in 1990 circa 3,0 m3/ha/jaar en liep langzaam op naar circa 3,3 m3/ha/jaar in 2020 (berekend met data van de Stichting Probos). Deze toename in opbrengst heeft een dempend effect gehad op de groei van de houtvoetafdruk. Door de lange rotatiecycli en fluctuatie in herkomstlanden zijn deze cijfers echter met een vrij grote onzekerheidsmarge omgeven. Mogelijk heeft de trendmatige toename in opbrengsten te maken met efficiëntere oogstmethoden en intensivering van de bosbouw, bijvoorbeeld door meer gebruik van plantages in plaats van bos met natuurlijke regeneratie. Het is nog onduidelijk of klimaatverandering leidt tot hogere bosopbrengsten.
Soms wordt hout, met name houtige brandstof, aangeduid als restproduct van landschapsbeheer en bosbouw; in de berekeningen is er echter geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten hout en hun toepassingen, en is al het verbruik meegeteld in de voetafdruk. Aan binnenlands (postconsumer) afvalhout en oud papier is echter geen landgebruik toegekend. Door de genoemde onzekerheid in de opbrengstcijfers en de gehanteerde aannames en uitgangspunten dienen de voetafdrukken, met name het berekende bosareaal, als indicatief te worden beschouwd.
Bronnen
- CBS (2026). Statline, Tabel Biomassa; verbruik en energieproductie uit biomassa per techniek
- Eurostat (2024). GDP per capita in PPS
- FAO (2026). Food and Agriculture Organization of the United Nations, online database production of crops
- GFN (Global Footprint Network) (2026). Ecological footprint open data platform
- NEA (2025). Rapportage energie voor Vervoer in Nederland 2024
- Nijdam et al (2018). Land use related to Dutch consumption, 1990-2013
- Probos (2026). Kerngegevens Bos en Hout in Nederland, Stichting Probos, Wageningen
- Wilting (2021). Trends in Nederlandse voetafdrukken: een update
Relevante informatie
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Mondiaal landgebruik door Nederlandse consumptie
- Omschrijving
Het totale landgebruik in binnen- en buitenland als gevolg van Nederlandse consumptie. De consumptie omvat zowel die van huishoudens (particuliere consumptie) als die van de overheid (publieke consumptie). De landvoetafdruk beschrijft hiermee het totale landgebruik langs productieketens voor de Nederlandse consumptie.
- Verantwoordelijk instituut
Planbureau voor de Leefomgeving
- Berekeningswijze
Het mondiale landgebruik van Nederlandse consumptie is berekend met een zogenaamde bottom-up methode waarbij wordt gerekend vanuit gedetailleerde fysieke informatie van individuele producten. De berekening is gebaseerd op informatie over de plaats van de productie van grondstoffen en producten voor Nederlandse consumptie, in combinatie met specifieke regio-opbrengsten. De landvoetafdruk is berekend met het LUC (Land Use for Consumption) model van het PBL. Hierin worden gegevens over consumptie gecombineerd met opbrengsten van gewassen in de akkerbouw en bosbouw en van dierlijke producten in de veehouderij (Nijdam et al, 2018). Er wordt alleen gekeken naar eerste orde landbeslag, dat wil zeggen dat bijvoorbeeld bij de inzet van biomassa als energiedrager niet wordt gekeken of die energie wordt geëxporteerd of gebruikt voor een product dat wordt geëxporteerd, dan wel geïmporteerd. Naar verwachting is dit tweede orde effect relatief klein en compenseren im- en export elkaar hierin grotendeels.
- Basistabel
-
- Geografische verdeling
Wereldregio's
- Verschijningsfrequentie
Onregelmatig
- Achtergrondliteratuur
Methodiek omschreven in artikel in Land use policy 2018: Land use related to Dutch consumption, 1990–2013
- Opmerking
Er zijn in de afgelopen jaren diverse studies verschenen met uitkomsten voor de ontwikkeling van de landvoetafdruk van Nederland. Aangezien er nog geen standaard is voor het gebruik van methoden en databases voor de berekening zijn er verschillen in de uitkomsten voor zowel de absolute niveaus als de trends (Wilting et al., 2015).
Voor deze indicator is de zogenaamde bottom-up methode gebruikt om landvoetafdrukken te berekenen.Hierbij wordt gerekend vanuit gedetailleerde fysieke informatie van individuele producten. De berekening is verder gebaseerd op informatie over de plaats/land van de productie van grondstoffen en producten voor Nederlandse consumptie. Met deze methodiek is het mogelijk detailanalyses te doen zoals dieetveranderingen van consumenten, gebruik van meer circulaire producten of een andere herkomst van producten.
Een alternatieve methode is de zogenaamde top-down methode, waarbij mondiale arealen worden verdeeld over landen met behulp van monetaire data via een input-output tabel. De CLO-indicator 3018 (landvoetafdrukken) is op een dergelijke methode gebaseerd. Met deze methodiek is het mogelijk trends over de jaren goed in beeld te brengen.
Beide hebben verschillende productcategorie-indelingen, waardoor de resultaten sterk kunnen verschillen
Voor nadere informatie hierover wordt verwezen naar (Wilting, 2021).
De landvoetafdruk is niet vergelijkbaar met de zogenaamde ecologische voetafdruk waarin consumptie gerelateerd wordt aan de draagkracht van de aarde (Wackernagel en Rees, 1996; WWF, 2012). De ecologische voetafdruk is een samengestelde indicator waarin milieudrukken zijn gewogen. Het bevat naast landgebruik onder andere een virtuele landgebruikscomponent in de vorm van de hoeveelheid groeiend bos ter compensatie van de CO2-emissies van het fossiele energiegebruik tijdens de productie van consumptiegoederen. Bij de ecologische voetafdruk worden alle consumptieve behoeften (inclusief energie en vis) omgerekend naar zogenoemde global hectares, gebruik makend van weegfactoren voor verschillende soorten landgebruik.
- Betrouwbaarheidscodering
Schatting
De landvoetafdruk is berekend met het LUC (Land Use for Consumption) model van het PBL. Verder gebaseerd op een aantal metingen, expert judgement, een aantal relevante feiten of gepubliceerde bronnen ter zake.
In de gebruikte statistieken (voorzieningsbalansen en opbrengstgegevens) zit een mate van onzekerheid. Zo worden er grondstoffen, halffabricaten en eindproducten internationaal verhandeld, wat het lastig maakt om het finale binnenlandse verbruik van een grondstof te berekenen. Verder is het lastig om de precieze herkomst van grondstoffen te traceren en wordt gerekend met gemiddelde gewasopbrengsten per (wereld)regio, bijvoorbeeld de EU. Binnen een regio kunnen er echter grote verschillen zijn.
De onzekerheid in de opbrengstcijfers van de bosbouw en de gebruikte data uit levenscyclusanalyses worden groter ingeschat door de auteurs. De voetafdrukken hebben, ondanks de aangegeven onzekerheden een belangrijke signaalfunctie, zeker omdat de Nederlandse voetafdruk 3 maal groter is dan de oppervlakte van ons land.
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2026). Mondiaal landgebruik door Nederlandse consumptie, 1990-2024 (indicator 0075, versie 13, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.