Compendium voor de Leefomgeving
468 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Milieubeleid en milieumaatregelen

Deeltjesvormige luchtverontreiniging: beleid

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

Het beleid voor fijn stof (PM10) en de fijnere fractie van fijn stof (PM2.5) is zowel nationaal als in de Europese Unie in beweging. Er zijn twee beleidsinstrumenten om de negatieve effecten van fijn stof en de fijnere fractie van fijn stof te verminderen. De eerste richt zich op de beperking van hoge concentraties onder andere door de vaststelling van grenswaarden. Het tweede beoogt de vermindering van de directe deeltjesuitstoot en van de uitstoot van gassen waaruit stofvormige luchtverontreiniging wordt gevormd. Dit gebeurt door de vaststelling van nationale emissieplafonds en door emissiereducties bij voertuigen en in productieprocessen.

Vier sporen voor het nationale luchtkwaliteitsbeleid

Nederland doet grote moeite om te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Deze grenswaarden zijn ingesteld voor de bescherming van de gezondheid. Daarnaast zijn in 2008 via de nieuwe EU-richtlijn voor de luchtkwaliteit ook normen voor de fijnere fractie van fijn stof (PM2.5) vastgesteld. Deze grenswaarden worden van kracht in 2015; vanaf 2010 geldt een streefwaarde. De huidige concentratieniveaus van fijn stof leiden tot gezondheidseffecten en levensduurverkorting. Het niet voldoen aan de grenswaarden voor fijn stof (en stikstofdioxide) heeft in Nederland ook geleid tot het stilleggen van de uitvoering van bouwplannen. Het nationale luchtkwaliteitsbeleid richt zich daarom op: verbetering van de luchtkwaliteit, voldoen aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden en oplossing van de problemen rond de realisatie van bouwplannen.
 
Vier hoofdsporen zijn daarbij te onderscheiden:

  • Ten eerste heeft de rijksoverheid hoofdzakelijk bronmaatregelen getroffen bij verkeer, waaronder de subsidiëring van roetfilters. Daarnaast omvat het maatregelenpakket ook bronmaatregelen bij de landbouw en de industrie, lokale maatregelen bij rijkswegen en financiële ondersteuning voor maatregelen van regionale en lokale overheden.
  • Ten tweede is de nationale wetgeving rond luchtkwaliteit in 2007 herzien. Dit was gericht op de flexibilisering van de koppeling tussen het realiseren van bouwplannen en het voldoen aan luchtkwaliteitsgrenswaarden. In navolging van de nieuwe EU richtlijn luchtkwaliteit 2008 liggen wijzigingsvoorstellen van nationale wetgeving ter tafel met het oog op: de nieuwe normen voor fijnere fractie van fijn stof en het verzoek om later te mogen voldoen aan de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide.
  • Ten derde dringt het kabinet in internationaal verband aan op strengere normen voor de uitstoot van personenauto's, vrachtauto's en schepen.
  • Ten vierde treffen provincies en gemeenten regionale en lokale maatregelen, vooral bij verkeer. Deze maatregelen maken onderdeel uit van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Wet Milieubeheer 2007

De Europese luchtkwaliteitsrichtlijnen zijn omgezet in de Nederlandse wetgeving; aanvankelijk via het Besluit luchtkwaliteit 2001 en later via het Besluit luchtkwaliteit 2005. In deze besluiten luchtkwaliteit waren strikte eisen opgenomen voor het toetsen van bouwplannen aan de grenswaarden. Sinds november 2007 zijn de EU-richtlijnen omgezet in de nationale wetgeving via de Wet Milieubeheer. Grote bouwprojecten die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren, kunnen worden opgenomen in een nationaal programma. De effecten van deze bouwprojecten worden hierin gecompenseerd via maatregelen voor de verbetering van de luchtkwaliteit. Bouwprojecten die minder bijdragen aan de luchtverontreiniging, hoeven niet meer expliciet getoetst te worden aan de grenswaarden. De beoordeling van grote bouwprojecten en de compensatie met maatregelen gebeurt integraal in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het kabinet beoogt met dit programma een meer integrale en efficiënte aanpak van de luchtkwaliteitsproblemen in Nederland. Ook wil men hiermee tijdig en overal in Nederland voldoen aan de grenswaarden.
 
Naar verwachting zal het aantal knelpunten met overschrijdingen van de PM10-grenswaarden in de komende jaren sterk afnemen. De totale blootstelling aan PM10 neemt verder af, waardoor ook de risico's voor de volksgezondheid verminderen. Ook onder de grenswaarden treden echter gezondheidseffecten op. De huidige kennis rond PM2.5 is nog beperkt vergeleken met die rond PM10. De nieuwe grenswaarden voor PM2.5 zijn waarschijnlijk minder stringent dan die voor PM10. De PM2.5 streefwaarden, daarentegen, zijn waarschijnlijk weer moeilijker haalbaar dan de normen voor PM10.

EU-richtlijn voor de luchtkwaliteit

In 2008 is de nieuwe EU-richtlijn voor de luchtkwaliteit van kracht geworden. Deze richtlijn is een samenvatting van de Kaderrichtlijn Lucht uit 1996 en de daaruit voortvloeiende 1e, 2e en 3e Dochterrichtlijn en een Beschikking van de Raad uit 1997. Zo zijn bestaande normen voor een reeks van stoffen opnieuw in samenhang vastgelegd. Ook zijn nieuwe normen geïntroduceerd, namelijk voor de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5). De belangrijkste zaken uit de nieuwe richtlijn zijn de volgende:

  • Bestaande grenswaardenvoor fijn stof (PM10; 40 µg/m³ voor het jaargemiddelde en niet meer dan 35 dagen met een daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³) blijven ongewijzigd.
  • Het is onder bepaalde voorwaarden mogelijk om later dan de voorgeschreven datum van 1 januari 2005 te voldoen aan de grenswaarden voor fijn stof. In 2009 heeft de Europese Commissie Nederland voor de zone Midden en de agglomeraties Amsterdam/Haarlem, Utrecht en Rotterdam/Dordrecht uitstel (derogatie) verleend op basis van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Nederland moet nu uiterlijk 11 juni 2011 aan de richtlijn hebben voldaan.
  • Tot 11 juni 2011 geldt voor alle zones en agglomeraties in Nederland een verhoogde grenswaarde voor het daggemiddelde: niet meer dan 35 dagen met een daggemiddelde concentratie van 75 µg/m³. Voor de beoordeling of in 2011 wordt voldaan aan de grenswaarde wordt tot 11 juni 2011 het aantal dagen met een daggemiddelde boven 75 µg/m³ en daarna het aantal dagen met een daggemiddelde boven 50 µg/m³ geteld. De beide aantallen worden vervolgens gecumuleerd tot een jaartotaal, dat onder de 35 moet liggen.
  • Tot 11 juni 2011 geldt voor de zone Midden en de agglomeraties Amsterdam/Haarlem, Utrecht en Rotterdam/Dordrecht een verhoogde grenswaarde van 48 µg/m³ voor de jaargemiddelde fijnstofconcentratie. Voor de beoordeling of in 2011 wordt voldaan aan de grenswaarde wordt voor het gehele kalenderjaar getoetst aan de waarde van 48 µg/m³. Voor de zones en agglomeraties die buiten de derogatie vallen, geldt de normale grenswaarde van 40 µg/m³.
  • Introductie van luchtkwaliteitsnormen voor de fijnere fractie van fijn stof. Voor de termijn om aan deze normen te voldoen kan geen uitstel worden verkregen.
  • Bij herziening van de nieuwe richtlijn in 2013, als er meer gegevens beschikbaar zijn, zal de Europese Commissie bekijken of de streefwaarden voor de de fijnere fractie van fijn stof juridisch bindend moeten worden gemaakt.
  • Aftrek van de bijdrage van natuurlijke bronnen bij de beoordeling of aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit wordt voldaan. De Europese Commissie publiceert richtsnoeren voor het aantonen en in mindering brengen van overschrijdingen die toe te schrijven zijn aan natuurlijke bronnen bij het van kracht worden van de richtlijn.

Emissiedoelen voor 2020

De bestaande doelen voor de uitstoot per land van ammoniak, zwaveldioxide, stikstofoxiden en vluchtige koolwaterstoffen zijn vastgesteld voor het jaar 2010 (EU, 2001, UNECE, 1999). Herziening van deze wetgeving richt zich met emissieplafonds op het jaar 2020. In EU-kader vindt er een herziening plaats van de EU-richtlijn met nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (de NEC-richtlijn). Ook wordt het Gotenburg-protocol herzien (UNECE kader) dat ook nationale emissie plafonds vastgelegd. Hierbij worden naast nieuwe emissieplafonds voor de genoemde stoffen ook emissiedoelstellingen voorgesteld voor de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5). Het staat ter discussie of hiervoor relatieve emissiereducties in plaats van absolute emissieplafonds per land worden vastgesteld, omdat de emissies van primair fijn stof erg onzeker zijn. Het herzieningsproces van de NEC-richtlijn is vertraagd; voorstellen worden verwacht per 2013. De herziening van het Gotenburg-protocol staat gepland voor 2012.
 
Naast beperking van de rechtstreekse uitstoot van stof wordt fijn stof ook impliciet bestreden door het staande bronbeleid in EU- en UNECE-kader. De vorming van secundair fijn stof wordt bestreden via de verplichte emissiedoelstellingen (EU 2001, UNECE, 1999; VROM 2001). Het huidige beleid dat leidt tot bestrijding van de directe uitstoot van fijn stof bestaat uit een Europees en een nationaal deel.

  • De EU emissienormstelling voor wegverkeer. Hierdoor is de uitstoot van primair fijn stof door het wegverkeer met 45% afgenomen sinds 1990 ondanks een groei van het wegverkeer met 30%.
  • Het nationale beleid voor de bestrijding van primair fijn stof wordt gevormd door lokale milieuvergunningen en door de normen die aan installaties worden gesteld via onder andere het Besluit Emissie-Eisen Stookinstallaties (BEES) en de Nederlandse emissie Richtlijn (NeR). Door dit beleid zijn de emissies van primair fijn stof bij bedrijven in Nederland sinds 1990 met 60% gedaald.
  • Het Nationaal Samenwerkingprogramma Lucht (NSL) is gebaseerd op de aangepaste Wet Milieubeheer. Het bevat een pakket van nationale emissiebeperkende maatregelen. Dit zijn deels bestaande maatregelen, zoals het Prinsjesdagpakket 2005, en deels nieuw maatregelen voor industrie, landbouw en verkeer.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Deeltjesvormige luchtverontreiniging: beleid

Omschrijving

Toelichting op het Nederlandse en Europese beleid op het terrein van de deeltjesvormige luchtverontreiniging

Verantwoordelijk instituut

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Berekeningswijze

Niet van toepassing

Basistabel

Niet van toepassing

Geografisch verdeling

Niet van toepassing

Andere variabelen

Niet van toepassing

Verschijningsfrequentie

Eenmaal per 1-2 jaar

Achtergrondliteratuur

Zie bij Referenties

Opmerking

Geen

Betrouwbaarheidscodering

Niet van toepassing

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2011). Deeltjesvormige luchtverontreiniging: beleid (indicator 0530, versie 05 , 10 mei 2011 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.