Compendium voor de Leefomgeving
461 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Landbouw en milieu

Agrarisch grondgebruik (1980-2009)

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De totale oppervlakte aan agrarisch grondgebruik is 1980 en 2009 met ruim 5% geslonken. Het aantal land- en tuinbouwbedrijven daalde veel sneller dan het agrarisch grondgebruik. Van 1980 tot 2009 nam het aantal agrarische bedrijven met bijna 50% af. Het resultaat is een flinke schaalvergroting.

Ruim helft landbouwgrond is grasland

Het aandeel grasland (tijdelijk, blijvend en natuurlijk grasland) nam vanaf 1980 af, maar blijft de grootste uit vier categorieën. In 2009 was er 1.017.00 hectare grasland. Het ging hierbij om 190.000 hectare tijdelijk grasland (19%), 785.000 blijvend grasland (77%) en 42.000 hectare natuurlijk grasland (4%). De oppervlakte akkerbouw (inclusief de braakliggende grond, maar exclusief het tijdelijk grasland) nam in de jaren 1980 tot 2000 toe, bleef daarna enkele jaren stabiel en daalde sinds 2005 met 5% tot ruim 800.000 hectare in 2009. De oppervlakte voor opengrondse tuinbouw bleef in de periode van 1980 tot 2000 vrijwel gelijk en steeg daarna in de periode van 2000 tot 2009 met 9% tot 87.000 hectare. De oppervlakte tuinbouw onder glas steeg van 1980 tot 2000 met ruim 20%, om in de jaren 2000 tot 2009 met 2% te dalen tot ongeveer 10.300 hectare in 2009.

Grondsoort bepalend voor grondgebruik

Het type agrarisch grondgebruik verschilt sterk per provincie. Voor een belangrijk deel wordt dit bepaald door de grondsoorten die er voorkomen. Zo worden er op de kleigronden van Flevoland en Zeeland relatief veel akkerbouwgewassen geteeld. Op de zandgronden van Oost-Gelderland, Zuidoost-Noord-Brabant en Noord-Limburg wordt relatief veel maïs verbouwd, vaak voer voor de kippen en varkens die er worden gehouden. De glastuinbouw heeft zijn grootste concentratie in het Westland, waar de (opengrondse) tuinbouw al vroeg floreerde vanwege de goede bodemgesteldheid, het lokale klimaat (relatief warm en zonnig) en de nabijheid van een groot afzetgebied. De provincies Friesland, Gelderland, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland hebben relatief veel grasland (voor het melkvee) op de veen- en zandgronden.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Agrarisch grondgebruik (1980-2009)

Omschrijving

Ontwikkeling van het agrarisch grondgebruik in vier categorieën: akkerbouw, grasland, opengrondtuinbouw en glastuinbouw.
Relatieve verdeling van het agrarisch grondgebruik per provincie (1 april 2009) naar negen categorieën: aardappelen, bieten, bloembollen, boomgaarden, glastuinbouw, granen (exclusief maïs), gras, maïs en overige gewassen.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

Zie CBS-Landbouwtelling

Basistabel

Ontwikkeling van oppervlakte agrarisch gebied (1980-2000).
Ontwikkeling van oppervlakte agrarisch gebied (2000-2009).
Verdeling van agrarisch ruimteverbruik per provincie (2009).

Geografisch verdeling

Nederland, provincies en groepen van landbouwgebieden

Andere variabelen

Gewassen, dieren en grondgebruik

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Zie voor de methodenbeschrijving de tabeltoelichting van de landbouwtellingstabellen op StatLine

Opmerking

De teeltoppervlaktes van de gewassen hebben als peildatum 15 mei van het referentiejaar.
Met ingang van 1986 is de volgende inhoudelijke wijziging doorgevoerd:
De uien en erwten (groen te oogsten) vanaf 1986 opgenomen onder de akkerbouw.
Met ingang van 2000 zijn de volgende inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd:
Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer worden niet meer tot de populatie van de Landbouwtelling gerekend. Reden hiervoor is dat deze bedrijven geen agrarische productie leveren.
De afzonderlijke producten (dieren, gewassen) worden voor de bedrijfstypering en presentatie ingedeeld in productgroepen. Bij deze producttoedeling is volledig aangesloten op de EU-richtlijnen. De oude tabel week op een (beperkt) aantal punten hiervan af. Hierdoor treden enkele verschuivingen op, de belangrijkste is dat braak en tijdelijk grasland nu bij akkerbouwgewassen worden geteld; tot 2000 waren deze als afzonderlijke onderwerpen bij grondgebruik ondergebracht.
Groenten werden voor 2006 verdeeld in akkerbouwmatig en tuinbouwmatig geteelde groenten (afhankelijk van de vruchtwisseling en de verdere verwerking). Tot 2006 golden voor een aantal groenten daarom twee verschillende bss-normen, afhankelijk van areaalgrootte. Met ingang van 2006 worden groenten ingedeeld naar akkerbouwgroenten en tuinbouwgroenten komen te vervallen. De akkerbouwmatige geteelde groenten zijn opgenomen bij de akkerbouw. Het betreft hier suikermaïs, tuinbonen (groen te oogsten), boerenkool, knolselderij, koolraap, kroten, kruiden, wortelgewassen, schorseneren, spinazie, stamsperciebonen, waspeen, winterpeen en witlofwortelen. In de basistabel voor 2000-2009 is deze wijziging ook voor de jaren 2000-2005 doorgevoerd. Er wordt in de betreffende basistabel dus geen onderscheid meer gemaakt tussen groenten akkerbouwmatig en groenten tuinbouwmatig.

Betrouwbaarheidscodering

A (Integrale enquête)

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2010). Agrarisch grondgebruik (1980-2009) (indicator 2119, versie 01 , 13 augustus 2010 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.