Broeikasgas en CO2-intensiteit bedrijven, 1995-2024

De broeikasgasintensiteit is de laatste 30 jaar gedaald, wat betekent dat bedrijven hun milieu-efficiëntie met betrekking tot de uitstoot van broeikasgassen hebben verbeterd.

Intensiteit broeikasgassen sterkst gedaald in de overige diensten, industrie en mijnbouw

De broeikasgasintensiteit is een belangrijke indicator voor de milieu-efficiëntie van het productieproces met betrekking tot de uitstoot van broeikasgassen. In de economie is de broeikasgasintensiteit sinds 1995 gedaald met 58 procent. In de overige diensten, industrie en mijnbouw is de daling ook meer dan 45 procent. Deze sectoren hebben de intensiteit teruggebracht door energiebesparing en andere maatregelen. Opvallend is de sterke daling van de broeikasgasintensiteit in de chemische basisproductenindustrie. De chemiesector heeft dit vooral weten te realiseren door het terugdringen van procesemissies (N2O) bij de productie van salpeterzuur. In de landbouw en visserij is de intensiteit teruggebracht door onder andere energiebesparing en vermindering van de stikstofbemesting in de landbouw. In de vervoersector is de broeikasgasintensiteit verbeterd door regels van de Europese Unie voor schonere motoren.

CO2-intensiteit het hoogst voor aardolie-industrie

De aardolie-industrie heeft in 2024 de hoogste CO₂-intensiteit, gevolgd door de luchtvaart en de basismetaalindustrie. Afvalverbranding veroorzaakt eveneens veel CO₂-uitstoot, terwijl de economische opbrengst relatief beperkt is. Toch vervult deze sector een belangrijke maatschappelijke functie, omdat afvalverwerking onmisbaar is voor een goed functionerende samenleving. De CO₂-intensiteit bij vervoer over land ligt aanzienlijk lager dan bij vervoer over water of door de lucht.

Bronnen

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Milieurekeningen: Broeikasgasintensiteit bedrijven

Omschrijving

Index (1995=100), berekend volgens het berekeningsconcept van Nationale Rekeningen, over de hoeveelheid geëmitteerde kooldioxide per euro gecreëerde toegevoegde waarde.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

De milieurekeningen worden opgesteld volgens de concepten en definities van de nationale rekeningen. Voor de fysieke materiaalstromen betekent dit dat alle stromen worden beschreven die direct zijn gerelateerd aan de Nederlandse economie. De materiaalstromen worden geregistreerd voor de afzonderlijke economische activiteiten op de plek waar deze daadwerkelijk plaatsvinden (het zogenaamde ‘ingezetenenprincipe’). Bijvoorbeeld worden de luchtverontreinigende emissies naar Nederlandse transporteurs voor Nederland meegenomen en de emissies voor buitenlandse voertuigen binnen het Nederlandse grondgebied niet worden meegenomen. Dit in tegenstelling tot de overige gegevens in het Milieu- en Natuurcompendium, waar wordt uitgegaan van het ‘grondgebiedprincipe’.
Meer informatie over de berekeningswijze geeft de korte onderzoekbeschrijving Milieurekeningen (CBS, 2025b).

Geografische verdeling

Nederland

Andere variabelen

Activiteiten ingedeeld volgens de Standaard Bedrijfsindeling 2008 van het CBS.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Korte onderzoekbeschrijving Milieurekeningen (CBS, 2025b).

Opmerking

De CO2-intensiteit van een bedrijfstak is gedefinieerd als de CO2-emissie per eenheid toegevoegde waarde. In de figuur is de ontwikkeling van de CO2-intensiteit weergegeven als indexcijfers, waarbij 1995 gelijk is aan 100. In de bijbehorende tabel worden ook de twintig bedrijfstakken met de hoogste CO2-intensiteit in 2024 gepresenteerd.

Betrouwbaarheidscodering
Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Referentie van deze webpagina

CLO (2025). Broeikasgas en CO2-intensiteit bedrijven, 1995-2024 (indicator 0542, versie 17, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.