Compendium voor de Leefomgeving
461 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Lokale leefomgeving

Geurhinder per bron, 1990-2002

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Het aantal Nederlanders dat hinder ondervindt van geur neemt nog steeds langzaam af Zowel CBS als TNO onderzoeken de door de bevolking ervaren geurhinder. Door verschillende vraagstelling en definitie van de bronnen van geurhinder, leveren de CBS-enquête en het vragenlijstonderzoek van TNO verschillende resultaten.

Geurhinder (CBS)

  1990 1995 1998 1999 2000 2001 2002
 
  %            
Verkeer en/of industrie 23 18 15 15 15 15 13
w.v. Verkeer 10 8 7 7 7 7 7
  Industrie 17 12 9 10 10 10 9
               
Landbouw . 16 12 11 11 10 10
Open haarden en/of              
allesbranders . 11 10 9 9 9 8
               
Bron: CBS (2003). CBS/MC/nov03/0290
N.B. Geurhinder bij personen van 18 jaar en ouder.
Geurhinder (definitie CBS) is gedefiniëerd als het last hebben of soms last hebben van stank, zoals gevraagd wordt in het Permanent Onderzoek Leefsituatie (CBS, 1995). Geurbronnen waarnaar gevraagd wordt zijn wegverkeer, industrie of bedrijven, landbouw en open haarden/allesbranders.

Uit een jaarlijkse enquête van het CBS naar de waardering van de leefomgeving blijkt dat in 2002 13% van de bevolking in Nederland was gehinderd door stank van wegverkeer en/of industrie. Begin jaren negentig was dat nog 23%. Personen die van beide bronnen last hebben zijn hierbij maar één keer meegeteld. Industrie wordt in 2002 door 9% van de respondenten genoemd als bron van geurhinder; het verkeer wordt minder vaak (7%) als bron genoemd.De overlast van geur van open haarden of allesbranders lijkt de laatste jaren iets minder te zijn geworden. Ook de geurhinder veroorzaakt door de landbouw is de laatste jaren gedaald van 16% in 1995 tot 10% in 2002. In het onderzoek van het CBS wordt niet naar de geurhinder door riolering gevraagd.

Ernstige geurhinder (TNO)

Volgens het TNO vragenlijstonderzoek was in 1993 12% van de Nederlandse bevolking ernstig gehinderd door stank; in 1998 was dit 14% (De Jong en Steenbekkers, 1999). Uit het TNO onderzoek blijkt verder dat in 1998 riolering de grootste bron van geurhinder is (19% hinder en 11% ernstige hinder), gevolgd door het Wegverkeer (16% respectievelijk 8%), fabrieken en (middenstands) bedrijven (9% respectievelijk 4%), het vliegverkeer (8% respectievelijk 5%) en agrarische bedrijven en het uitrijden van mest (8% respectievelijk 5%). Ernstige geurhinder (definitie TNO) is gebaseerd op de vraag uit de periodieke hinderenquête van TNO in welke mate mensen een bepaalde bron in de woonomgeving als hinderlijk ervaren op basis van een 10-puntsschaal van 1 (helemaal niet hinderlijk) tot 10 (heel erg hinderlijk). Mensen die 8, 9 of 10 antwoorden worden getypeerd als zijnde 'ernstig gehinderd'.Het vragenlijstonderzoek van TNO is voor het laatst in 1998 is gehouden.

Beleidsdoel

Het beleidsdoel uit het Tweede Nationale Milieubeleidsplan (NMP2) was, dat in het jaar 2000 maximaal 12% van de Nederlandse bevolking geurhinder zou ondervinden door wegverkeer en industrie, waarbij landbouw onder industrie wordt gerekend (VROM, 1993). Het percentage van 12% heeft betrekking op de geurhinder zoals vastgesteld door het CBS. Naast de doelstelling voor geurhinder in het jaar 2000, mag in het jaar 2010 geen ernstige geurhinder meer onder de Nederlandse bevolking voorkomen. Deze doelstelling heeft betrekking op de ernstige geurhinder, vastgesteld volgens de TNO-methode. In het NMP4 (VROM, 2001) zijn geen nieuwe doelen geformuleerd. De doelstelling voor 2010 voor ernstige hinder is gehandhaafd.

Methodiek

De cijfers van hinder en ernstige hinder zijn niet zonder meer te vergelijken. Dit heeft te maken met de verschillende vraagstelling en definitie van de bronnen. Hierdoor leveren de CBS-enquête en het vragenlijstonderzoek van TNO verschillende resultaten.

Referenties

  • CBS (2003). Statline. Permanent Onderzoek Leefsituatie. Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen.
  • Jong de R.G., J.H.M. Steenbekkers en H. Vos (2000). Hinder en andere zelf-gerapporteerde effecten van milieuverontreiniging in Nederland, Inventarisatie Verstoringen 1998. TNO-PG, Delft.
  • VROM (1993). Nationaal Milieubeleidsplan 2. Ministerie van VROM, Den Haag.
  • VROM (2001). Nationaal Milieubeleidsplan 4. Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid. Ministerie van VROM, Den Haag.

Relevante informatie

  • VROM (1995). Brief aan de Tweede Kamer: Herziene nota stankbeleid, voorbereiding algemeen overleg stank, 31 januari 1995. Ministerie van VROM, Den Haag.
  • Gegevens over geurhinder uitgesplitst naar een aantal bevolkingskenmerken, zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, sociaal-economische groep, samenstelling van het huishouden en stedelijkheid van de woongemeente, vindt u in de CBS-database Statline.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2003). Geurhinder per bron, 1990-2002 (indicator 0290, versie 04 , 3 november 2003 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.