Broeikasgas en CO2-intensiteit bedrijven, 1995-2017

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De broeikasgasintensiteit is de laatste 23 jaar gedaald. Dat betekent dat de milieuefficiency met betrekking tot de uitstoot van broeikasgassen van bedrijven is verbeterd.

Intensiteit broeikasgassen sterkst gedaald in de overige diensten, industrie en mijnbouw

De broeikasgasintensiteit is een belangrijke indicator voor de milieuefficiency van het productieproces met betrekking tot de uitstoot van broeikasgassen. In de economie is de broeikasgasintensiteit sinds 1995 gedaald met ruim 40 procent. In de overige diensten, industrie en mijnbouw is de daling ook ruim 40 procent. Deze sectoren hebben de intensiteit teruggebracht door energiebesparing en andere maatregelen. Opvallend is de sterke daling van de broeikasgasintensiteit in de chemische basisproductenindustrie. De chemiesector heeft dit vooral weten te realiseren door het terugdringen van procesemissies (N2O) bij de productie van salpeterzuur. In de landbouw en visserij is de intensiteit teruggebracht door onder andere energiebesparing en vermindering van de stikstofbemesting in de landbouw. In de vervoersector is de broeikasgasintensiteit verbeterd door regels van de Europese Unie voor schonere motoren.

CO2-intensiteit het hoogst voor afvalbeheer

Afvalbeheer heeft de hoogste CO2-intensiteit, gevolgd door de elektriciteitsbedrijven en aardolie-industrie. De afvalverbranding veroorzaakt veel CO2-emissies, terwijl er relatief weinig geld aan wordt verdiend. De intensiteit bij vervoer over land is een stuk lager dan bij vervoer over water of door de lucht. Opvallend is ook de hoge CO2-intensiteit voor de visserij. In de visserij wordt relatief veel diesel en stookolie gebruikt per euro toegevoegde waarde (zie de downloaddata achter de grafiek).

Bronnen

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven
Milieurekeningen: Broeikasgasintensiteit bedrijven
Omschrijving
Index (1995=100), berekend volgens het berekeningsconcept van Nationale Rekeningen, over de hoeveelheid geëmitteerde kooldioxide per euro gecreëerde toegevoegde waarde.
Verantwoordelijk instituut
Centraal Bureau voor de Statistiek
Berekeningswijze
De milieurekeningen worden opgesteld volgens de concepten en definities van de nationale rekeningen. Voor de fysieke materiaalstromen betekent dit dat alle stromen worden beschreven die direct zijn gerelateerd aan de Nederlandse economie. De materiaalstromen worden geregistreerd voor de afzonderlijke economische activiteiten op de plek waar deze daadwerkelijk plaatsvinden (het zogenaamde 'ingezetenenprincipe'). Bijvoorbeeld worden de luchtverontreinigende emissies naar Nederlandse transporteurs voor Nederland meegenomen en de emissies voor buitenlandse voertuigen binnen het Nederlandse grondgebied niet worden meegenomen. Dit in tegenstelling tot de overige gegevens in het Milieu- en Natuurcompendium, waar wordt uitgegaan van het 'grondgebiedprincipe'.
Meer informatie over de berekeningswijze geeft de korte onderzoekbeschrijving Milieurekeningen (CBS, 2018).
Geografische verdeling
Nederland
Andere variabelen
Activiteiten ingedeeld volgens de Standaard Bedrijfsindeling 2008 van het CBS.
Verschijningsfrequentie
Jaarlijks
Achtergrondliteratuur
Korte onderzoekbeschrijving Milieurekeningen (CBS, 2018).
Opmerking
De CO2-intensiteit van een bedrijfstak is gedefinieerd als de CO2-emissie per eenheid toegevoegde waarde. In de figuur is de ontwikkeling van de CO2-intensiteit weergegeven als indexcijfers, waarbij 1995 gelijk is aan 100. In de bijbehorende tabel worden ook de twintig bedrijfstakken met de hoogste CO2-intensiteit in 2017 gepresenteerd.
Betrouwbaarheidscodering
Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2024). Broeikasgas en CO2-intensiteit bedrijven, 1995-2017 (indicator 0542, versie 11,

) www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.