Compendium voor de Leefomgeving
482 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend fauna stad, 1990-2014

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De broedvogels en dagvlinders in de stad laten een gestage afname zien vanaf 1990.

Gemiddelde afname per soort 30 procent

Terwijl het Nederlandse bebouwde landoppervlak toeneemt, gingen tussen 1990 en 2014 de broedvogels en dagvlinders in de bebouwde kom erop achteruit met een gemiddelde afname van 30 procent. Vlinderpopulaties gingen gedurende de hele periode achteruit, terwijl bij vogels de situatie de laatste tien jaar stabiel bleef.

Oorzaken

Hoewel er een toenemende aandacht is voor de stad als biotoop en voor groen in de stad, profiteren de soorten nog niet. Een belangrijke oorzaak daarvan is de voortschrijdende verdichting van de bebouwing waardoor braakliggende landjes met onkruid en ruigtes verdwijnen. Daarnaast vervangen tuinbezitters steeds vaker het groen voor tegels en worden plantsoenen aangeharkt. Zo worden de voedselbronnen (zaden, insecten) voor vogels minder en is het aanbod van nectarplanten en waardplanten voor vlinders kleiner.

Vogels

De vogels die in en rond het huis broeden, zoals huismus en spreeuw, gaan tevens in aantal achteruit door het verlies van nestplaatsen als gevolg van renovatie, isolatie en sneldekpannen. Voor de specifieke trend van stadsvogels zie de volgende link:

Vlinders

Vlinders zijn geheel aangewezen op de groengebieden in de stad en het beheer daarvan is bepalend voor hun voortbestaan. Het gangbare beheer houdt in dat plantsoenendiensten gazons en grasbermen vaak maaien, het maaisel in stukjes hakken en laten liggen, zodat voedingsstoffen zich ophopen in de bodem. Ook wordt onkruid verwijderd of worden oude planten soms vervangen door nieuwe, waarmee ook eitjes, rupsen en poppen van vlinders worden afgevoerd. Bij ecologisch beheer wordt pas na de bloei van planten eenmaal gemaaid en blijft een deel van de vegetatie staan. Eitjes, rupsen en poppen blijven dan gespaard. Ook wordt het maaisel afgevoerd waardoor de bodem niet verder verrijkt. Als het groen ecologisch wordt beheerd, nemen sommige vlinders weer toe, zie de volgende link:

Referenties

  • Boele A., van Bruggen J., Hustings F., Koffijberg K., Vergeer J.W. & van der Meij T. (2015). Broedvogels in Nederland in 2013. Sovon-rapport 2015/04. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
  • Crick, H.Q.P., R.A. Robinson, G.F. Appleton, N.A. Clark en A.D. Rickard (Eds.) (2002). Investigation into the causes of the decline of the starlings and house sparrows in Great Britain. BTO-Research report no 290. BTO, Thetford.
  • Heij, C.J. (2001). Mussen in de knel. Natura, 98 (3): 76-78.
  • Hole, D.G., M.J. Whittingham, R.B. Bradbury, G.Q.A. Anderson, P.L.H. Lee, J.D. Wilson en J.R. Krebs (2002). Whitespread local house-sparrow extinction. Nature 418: 931.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Stadsvogels en vlinders

Omschrijving

Ontwikkeling populaties kenmerkende stadsvogels en vlinders

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Soortenselectie en data

In de deze indicator zijn 37 inheemse soorten voorkomend in steden opgenomen van broedvogels (12 soorten) en vlinders (25 soorten), allen gebaseerd op ontwikkelingen in populatie-aantallen. Gegevens over populatie-aantallen zijn ontleend aan de landelijke meetnetten in het Netwerk Ecologische Monitoring voor broedvogels (Sovon) en vlinders (Vlinderstichting). Met die data zijn voor elke soort jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met GLM-Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM).
De selectie van de twaalf meest algemene stadsvogels is deels gebaseerd op de negen vogelsoorten die in alle tuinvogeltellingen van 2003 tot en met 2006 in de top10 van meest algemene soorten voorkwamen (merel, pimpelmees, koolmees, kauw,spreeuw, huismus, vink, houtduif en Turkse tortel). De overige drie vogelsoorten zijn broedvogels die specifiek in of bij huizen tot broeden komen. Het betreft zwarte roodstaart, gierzwaluw en huiszwaluw.
Ten aanzien van de soortselectie bij vogels is nog op te merken dat Vogelbescherming Nederland en Sovon elk jaar in de winter een nationale tuinvogeltelling organiseren, waarbij vrijwilligers gedurende een uur de aantallen vogels in hun tuin tellen. De hier gepresenteerde trends betreffen alleen de resultaten van het broedvogelmeetnet van SOVON en CBS. De tuinvogeltelling die éénmalig in de winter wordt gehouden, is niet gebruikt, omdat in de winter van sommige soorten ook veel vogels uit noordelijke en oostelijke streken hier overwinteren, zodat de trends in de winter veelal anders zijn dan alleen van de hier broedende vogels.
De cijfers over de dagvlinders zijn gebaseerd op 25 soorten die gemonitord zijn via het landelijke meetnet van het Netwerk Ecologische Monitoring. Het gaat hierbij om trajecten van circa 1 kilometer die wekelijks worden geteld van 1 april tot 1 september. Er zijn 101 trajecten in het stedelijke gebied.

Berekeningswijze

De indicator is berekend door de jaarlijkse indexcijfers over de populatie-aantallen meetkundig te middelen over alle 37 betrokken soorten met indexwaarde 1990 = 100 voor de broedvogelsoorten, behalve van de gierzwaluw waarvan alleen voldoende data aanwezig zijn vanaf 2007. Voor de dagvlinders geldt indexwaarde 1992 = 100, behalve voor de koninginnenpage en sleedoornpage waarvan alleen voldoende data aanwezig zijn vanaf 1998.
Over de jaren heen is een smoothing algoritme toegepast om flexibele trends te bepalen en daaruit zijn trendklassen afgeleid. De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator zijn gebaseerd op de betrouwbaarheidsintervallen van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al. in voorb.).
De gebruikte methode voor de indicator is grotendeels ontleend aan die van de internationale Living Planet Index van WWF (WWF, 2014). Dat houdt in dat de jaarlijkse indexcijfers van de afzonderlijke soorten meetkundig worden gemiddeld en dat dezelfde regel wordt gehanteerd om de invloed van sterk fluctuerende soorten te reduceren. Dat laatste houdt in dat indexcijfers die meer dan een factor 10 verschillen van die in het voorgaande jaar niet meedoen in de LPI (pers. comm. Loh & McRae, 2014). Er zijn echter ook enkele statistische verschillen tussen de Nederlandse en de internationale LPI: (1) De statistische methode om indexcijfers per soort te bepalen is anders. Bij de Nederlandse LPI wordt een GLM toegepast, bij de WWF-LPI een GAM. (2) Om de LPI minder te laten fluctueren van jaar op jaar wordt een smoothing algoritme toegepast. Bij de internationale LPI gebeurt dat met een GAM per afzonderlijke soort. Bij de Nederlandse LPI gebeurt dat pas bij het meetkundig middelen van alle soorten. (3) De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator verschillen. Bij de Nederlandse LPI wordt ook de onzekerheid van de indexen per soort opgenomen; bij de WWF-LPI is dat niet het geval.

Basistabel

De trends van de afzonderlijke soorten is te vinden via de link Tabel trend afzonderlijke soorten

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Boele A., van Bruggen J., Hustings F., Koffijberg K., Vergeer J.W. & van der Meij T. (2015). Broedvogels in Nederland in 2013. Sovon-rapport 2015/04. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2015). Trend fauna stad, 1990-2014 (indicator 1585, versie 01 , 29 oktober 2015 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.