Compendium voor de Leefomgeving
461 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Landbouw en milieu

Land- en tuinbouw: ruimtelijke spreiding, grondgebruik en aantal bedrijven, 1980-2011

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Ruim de helft van de totale oppervlakte van Nederland wordt voor de land- en tuinbouw gebruikt. In de periode 1980-2011 heeft er in de land- en tuinbouw een flinke schaalvergroting plaatsgevonden. Terwijl het aantal bedrijven halveerde, nam de oppervlakte landbouwgrond maar met een tiende af.

Grondsoort bepalend voor regionale verdeling

De ruimtelijke spreiding van bedrijfstypen hangt samen met de lokale grondsoort, maar ook historische of economische redenen kunnen een belangrijke rol spelen. Veel akkerbouw is te vinden op de vruchtbare kleigronden langs de kust van Friesland en Groningen, in de IJsselmeerpolders, op de Zuid-Hollandse eilanden, in Zeeland en in het westen van Noord-Brabant. Melkveehouderij is te vinden op de minder vruchtbare klei- en veengronden van het Friese weidegebied, het Groene Hart en West-Friesland. Bollenteelt vindt plaats op de geestgronden achter de Noord-Hollandse en Zuid-Hollandse duinen, maar ook op de kleigronden rond Den Helder en Enkhuizen. Glastuinbouw heeft zijn grootste concentratie in het Westland omdat daar de (opengrondse) tuinbouw al vroeg floreerde. Dit kwam vanwege de goede bodemgesteldheid, het lokale klimaat (relatief warm en zonnig) en de nabijheid van een groot afzetgebied. Andere bedrijfstypen zijn minder grondgebonden, maar hebben zich om historische of economische redenen in bepaalde gebieden geconcentreerd, zoals de kippen- en varkensbedrijven in de Gelderse Vallei en in het zuidoosten van Noord-Brabant.

Graasdierbedrijven in meerderheid

In sommige provincies domineert een bepaald bedrijfstype, terwijl in andere juist een mix van bedrijfstypen voorkomt. In 2011 waren de graasdierbedrijven met 53% van de in totaal 70.392 bedrijven het meest voorkomende bedrijfstype. Graasdierbedrijven zijn in de helft van alle provincies in de meerderheid. In Friesland hebben graasdierbedrijven met 86% veruit het grootste aandeel. Akkerbouwbedrijven zijn in de meerderheid in Flevoland (54%) en Zeeland (59%). Tuinbouwbedrijven hebben het grootste aandeel in Noord-Holland (32%) en Zuid-Holland (45%). Relatief veel combinatiebedrijven hebben Flevoland (13%), Zeeland (10%) en Limburg (9%). Zeeland heeft met 9% ook relatief veel blijvende teeltbedrijven.

Ruim de helft van de landbouwgrond is grasland

Het aandeel grasland (tijdelijk, blijvend en natuurlijk grasland) neemt vanaf 1980 af, maar blijft met 53% veruit de grootste van de acht categorieën gewassen: grasland, aardappelen, granen, suikerbieten, overige akkerbouwgewassen, groenvoedergewassen, tuinbouw open grond en tuinbouw onder glas. Het areaal blijvend grasland is sinds 1980 met ruim een derde afgenomen, terwijl het areaal tijdelijk grasland bijna vervijfvoudigde. In 2011 was er 995.000 hectare grasland, waarvan 172.000 hectare tijdelijk grasland (17%), 766.000 hectare blijvend grasland (78%) en 50.000 hectare natuurlijk grasland (5%). Het areaal akkerbouw (inclusief de braakliggende grond) nam in de jaren 1980 tot 2000 met ruim 10% toe en daalde daarna met 16% tot 535.000 hectare in 2011. Het areaal opengrondse tuinbouw daalde in de periode van 1980 tot 2000 met ruim 16% en steeg daarna in de periode van 2000 tot 2011 met 9% tot 89.000 hectare. Het areaal tuinbouw onder glas steeg van 1980 tot 2000 met ruim 20%, om in de jaren 2000 tot 2011 met 3% te dalen tot ongeveer 10.200 hectare in 2011.

Aantal land- en tuinbouwbedrijven blijft afnemen tussen 2000 en 2011

Het aantal land- en tuinbouwbedrijven is gestaag gedaald van 300.000 in 1960 tot 72.000 in 2011. Van de 72.000 bedrijven in 2011 zijn de meeste (43.000) veehouderijbedrijven. Bij alle bedrijfstypen is een forse afname van het aantal bedrijven zichtbaar. In de periode 2000-2011 was de afname 18% voor de graasdierbedrijven, 19% voor de akkerbouwbedrijven, 42% voor de tuinbouwbedrijven, 42% voor de hokdierbedrijven, 53% voor de combinatiebedrijven en 24% voor de blijvende teeltbedrijven. De gemiddelde teeltoppervlakte per bedrijf nam toe van 13,9 hectare in 1980 tot 26,4 hectare in 2011. Een soortgelijke schaalvergroting heeft zich ook voor de dieren voorgedaan in de veehouderij.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Land- en tuinbouw: ruimtelijke spreiding, grondgebruik en aantal bedrijven, 1980-2011

Omschrijving

Locatie van individuele land- en tuinbouwbedrijven, waarbij zes hoofdbedrijfstypes worden onderscheiden: akkerbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven, blijvende teeltbedrijven, graasdierbedrijven, hokdierbedrijven en combinatiebedrijven.
Verdeling van het aantal land- en tuinbouwbedrijven naar hoofdbedrijfstype per provincie (2011), waarbij zes hoofdbedrijfstypes worden onderscheiden: akkerbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven, blijvende teeltbedrijven, graasdierbedrijven, hokdierbedrijven en combinatiebedrijven.
Ontwikkeling van het aantal land- en tuinbouwbedrijven naar hoofdbedrijfstype 2000-2011, waarbij zes hoofdbedrijfstypes worden onderscheiden: akkerbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven, blijvende teeltbedrijven, graasdierbedrijven, hokdierbedrijven en combinatiebedrijven.
Relatieve verdeling van het agrarisch grondgebruik per provincie (1 april 2011) naar acht categorieën gewassen: grasland, aardappelen, granen, suikerbieten, overige akkerbouwgewassen, groenvoedergewassen, tuinbouw open grond en tuinbouw onder glas.
Ontwikkeling van het agrarisch grondgebruik in acht categorieën gewassen: grasland, aardappelen, granen, suikerbieten, overige akkerbouwgewassen, groenvoedergewassen, tuinbouw open grond en tuinbouw onder glas.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

Zie CBS-Landbouwtelling voor algemene informatie.
Voor het bepalen van de locatie van bedrijven is gebruikt gemaakt van de postcode-huisnummer-combinaties van de administratieve adressen (aanschrijfadressen) van de land- en tuinbouwbedrijven in de Landbouwtelling (LBT-NAW-bestand). De X- en Y-coördinaten (in het Rijksdriehoeksstelsel) zijn vervolgens overgenomen uit het ACN-bestand van het Kadaster (ACN = Adrescoördinaten Nederland). Het ACN-bestand bevat de X- en Y-coördinaten van alle postafgiftepunten van TNT Post.
Aan administratieve adressen buiten Nederland en aan postbus-adressen konden op deze manier geen X- en Y-coördinaten toegekend worden.
Het ACN-bestand bevat alle postadressen in Nederland, maar heeft nog geen complete dekking. Waar mogelijk zijn ontbrekende X- en Y-coördinaten geïmputeerd door te "hotdecken", waarbij in dit geval de ontbrekende coördinaten werden vervangen door het gemiddelde van de coördinaten van de adressen van de directe buren, die dan wel dezelfde postcode moeten hebben.

Basistabel

Aandeel van land- en tuinbouw in bodemgebruik van Nederland:
Statline: Bodemgebruik; naar gebruiksvorm en gemeente

Spreiding van land- en tuinbouwbedrijven naar hoofdbedrijfstype: combinatie van Landbouwtelling met ACN-bestand (ACN = Adrescoördinaten Nederland)
Verdeling van het aantal landbouwbedrijven naar hoofdbedrijfstype per provincie (2011): Statline: Landbouw; gewassen, dieren en grondgebruik naar hoofdbedrijstype, regio
Ontwikkeling van het aantal landbouwbedrijven naar hoofdbedrijfstype (2000-2011): Statline: Landbouw; gewassen, dieren en grondgebruik naar hoofdbedrijfstype, regio
Verdeling van agrarisch ruimtegebruik per provincie (2011): Statline: Landbouw; gewassen, dieren en grondgebruik naar hoofdbedrijfstype, regio
Ontwikkeling van het agrarisch ruimtegebruik (1980-2000): Statline: Landbouw; gemeente, 1980-2000
Ontwikkeling van het agrarisch ruimtegebruik (2000-2011): Statline: Landbouw; gewassen, dieren en grondgebruik naar hoofdbedrijfstype, regio

Geografisch verdeling

Nederland, provincies, landbouwgebieden, gemeenten

Andere variabelen

Aantallen bedrijven, gewassen, grondgebruik

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Zie voor de methodenbeschrijving de tabeltoelichting van de landbouwtellingstabellen op StatLine

Opmerking

De teeltoppervlaktes van de gewassen hebben als peildatum 15 mei van het referentiejaar.
Met ingang van 1986 is de volgende inhoudelijke wijziging doorgevoerd:
De uien en erwten (groen te oogsten) vanaf 1986 opgenomen onder de akkerbouw. Voor 1986 werden deze opgenomen onder tuinbouw open grond.
Met ingang van 2000 zijn de volgende inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd:
Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer worden niet meer tot de populatie van de Landbouwtelling gerekend. Reden hiervoor is dat deze bedrijven geen agrarische productie leveren.
De afzonderlijke producten (dieren, gewassen) worden voor de bedrijfstypering en presentatie ingedeeld in productgroepen. Bij deze producttoedeling is volledig aangesloten op de EU-richtlijnen. De oude tabel week op een (beperkt) aantal punten hiervan af. Hierdoor treden enkele verschuivingen op, de belangrijkste is dat braak en tijdelijk grasland nu bij akkerbouwgewassen worden geteld; tot 2000 waren deze als afzonderlijke onderwerpen bij grondgebruik ondergebracht.
Groenten werden voor 2006 verdeeld in akkerbouwmatig en tuinbouwmatig geteelde groenten (afhankelijk van de vruchtwisseling en de verdere verwerking). Tot 2006 golden voor een aantal groenten daarom twee verschillende bss-normen, afhankelijk van areaalgrootte. Met ingang van 2006 worden groenten ingedeeld naar akkerbouwgroenten en tuinbouwgroenten. De akkerbouwmatige geteelde groenten zijn opgenomen bij de akkerbouw. Het betreft hier suikermaïs, tuinbonen (groen te oogsten), boerenkool, knolselderij, koolraap, kroten, kruiden, wortelgewassen, schorseneren, spinazie, stamsperziebonen, waspeen, winterpeen en witlofwortelen. In de basistabel voor 2000-2011 is deze wijziging ook voor de jaren 2000-2005 doorgevoerd. Er wordt in de betreffende basistabel dus geen onderscheid meer gemaakt tussen groenten akkerbouwmatig en groenten tuinbouwmatig.
De peildatum is 15 mei (van het referentiejaar) voor de gewassen en 1 april (van het referentiejaar) voor de dieren en overige variabelen.

Betrouwbaarheidscodering

A (Integrale enquête)

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2012). Land- en tuinbouw: ruimtelijke spreiding, grondgebruik en aantal bedrijven, 1980-2011 (indicator 2119, versie 03 , 12 juni 2012 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.