Compendium voor de Leefomgeving
461 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Sustainable Development Goals

Rode Lijst Indicator, 1995-2019

Tussen 1950 en 1995 is het aantal bedreigde soorten sterk toegenomen. In de 24 jaar daarna zijn veranderingen in bedreigde soorten beperkter geweest. Het aantal bedreigde soorten is sindsdien nog licht gestegen, maar het gemiddelde niveau van bedreiging is wel afgenomen.

Bedreigde en niet-bedreigde soorten

Het percentage soorten dat in Nederland op de Rode Lijst van bedreigde soorten staat is één van de kernindicatoren voor de toestand van de Nederlandse biodiversiteit (zie Samenhang biodiversiteitsindicatoren). De indicator op het eerste tabblad geeft het jaarlijkse percentage van een vaste set van 1771 soorten uit 7 soortgroepen weer, dat op basis van de trend en toestand in aantallen of verspreiding een bedreigde status heeft als berekend volgens de Nederlandse Rode Lijst methodiek. Hoe meer soorten bedreigd zijn, des te slechter staat de natuur ervoor en andersom. Tussen 1950 en 1995 is het aantal bedreigde soorten sterk toegenomen (zie eerste tabblad). Méér dan een derde van alle soorten is in die periode op de Rode Lijst geplaatst.
Tot het jaar 2005 liep het aantal bedreigde soorten nog licht op, maar in de 10 jaar daarna herstelden populaties van een aantal planten- en diersoorten enigszins en werden de Rode Lijsten iets korter. Ook nam de gemiddelde bedreiging wat af. De recente stijging in het aantal bedreigde soorten laat zien dat het herstel nog broos en beperkt is.

RLI-lengte en RLI-kleur

De Rode Lijst Indicator (RLI) weerspiegelt veranderingen in het aantal soorten op de Rode Lijst en de mate van bedreiging. De RLI omvat twee aanvullende componenten: RLI-lengte en RLI-kleur. De RLI-lengte (zie tweede tabblad) geeft de veranderingen in het aantal soorten op Rode Lijsten geïndexeerd weer, met 1995 als referentiejaar (=100). Als de Rode Lijst langer wordt (dus meer soorten bedreigd) ten opzichte van het referentiejaar, dan komt de waarde boven de 100. Neemt het aantal bedreigde soorten af ten opzichte van 1995, dan daalt de RLI-lengte naar een waarde onder de 100. Met andere woorden, hoe lager de RLI-lengte, hoe "korter" de (virtuele) Rode Lijst, hoe beter.
Soorten op een Rode Lijst worden ingedeeld naar hun mate van bedreiging (Gevoelig, Kwetsbaar, Bedreigd, Ernstig Bedreigd, Verdwenen uit Nederland). Hoe ernstiger de bedreiging, hoe donkerder de (denkbeeldige) rode kleur is van die soort. De RLI-kleur neemt ook verschuivingen tussen deze RL-categorieën mee (zie derde tabblad). Voor deze component van de RLI geldt: hoe lager de waarde, hoe "minder rood" de bedreigingstatus van soorten, hoe beter. De figuur laat zien dat van 1995 tot 2015 de mate van bedreiging is afgenomen, maar recent weer iets is opgelopen.

Soortgroepen

Veranderingen in Rode Lijst-status zijn niet in elke soortgroep hetzelfde. Vooral hogere planten, libellen en zoogdieren zijn gemiddeld minder bedreigd sinds 1995 (zie vierde tabblad), al heeft in recente jaren een aantal libellensoorten een ernstiger bedreigde status gekregen. Ook zijn een aantal plantensoorten de laatste jaren afgenomen in verspreidingsgebied, met een (negatieve) verandering in Rode Lijst-status tot gevolg. De overige soortgroepen laten ten opzichte van 1995 geen herstel zien, al is het aantal dagvlinders met een bedreigde status sinds 2005 wel afgenomen, en is de gemiddelde bedreiging van zowel dagvlinders als reptielen t.o.v. 2005 iets lager.
Van de bedreigde soorten is na 2005 een aantal soorten ernstiger bedreigd geraakt, maar er zijn meer die vooruitgingen. Van de "kwetsbare" en "gevoelige" soorten zijn er 36 die verbeterden en 32 die verslechterden. Negen soorten die "ernstig bedreigd" of "bedreigd" waren in 2005 zijn in de periode t/m 2019 verder verslechterd, maar 45 soorten met deze classificaties zijn juist verbeterd. Juist de meest bedreigde soorten zijn er dus wat op vooruitgegaan. Daarbij komt dat er na 2005 meer soorten zijn teruggekomen (12) dan dat er zijn verdwenen (5).

Relevantie voor het natuurbeleid

De afgelopen drie decennia is veel beleid gevoerd om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. Niet alleen zijn op grote schaal emissies van milieubelastende stoffen teruggedrongen, maar ook zijn veel gebieden op de schop genomen om natuurwaarden te herstellen (PBL, 2016). Het areaal beschermde natuur is gegroeid, en milieu- en watercondities zijn verbeterd.
Deze verbeteringen zullen eraan hebben bijgedragen dat een aantal soorten in Nederland is teruggekeerd. Zo heeft het herstel van de waterkwaliteit van rivieren de terugkeer van de rivierrombout mogelijk gemaakt en heeft het herstel van kalkgraslanden waarschijnlijk mede geleid tot de terugkeer van de veldparelmoervlinder. Andere soorten zijn teruggekomen doordat ze zijn geherintroduceerd, zoals otter en pimpernelblauwtje.
Na vele jaren waarin achteruitgang van de biodiversiteit is gemeld - of op zijn gunstigst een afvlakking van de achteruitgang - is er in Nederland de laatste jaren voorzichtige verbetering in de bedreiging van soorten te zien. Echter de recente schommelingen laten zien dat het herstel fragiel is.

Representativiteit en beleidsmatige inkadering

De zeven soortgroepen van de RLI zijn de groepen waarop natuurbeleid en terreinbeheer zich vooral richten en waarvoor het grootste draagvlak bestaat bij het grote publiek. Een beperking is dat deze soortgroepen vooral de land-natuur vertegenwoordigen. Mariene soorten missen zelfs geheel, op een paar zeezoogdieren na.
De Rode Lijst Indicator sluit aan op de internationale verdragen die Nederland heeft geratificeerd, met name het Bern-verdrag, het Biodiversiteitsverdrag en de EU-biodiversiteitsdoelstelling. Deze verdragen moeten tegengaan dat inheemse soorten uit Nederland verdwijnen. De RLI wordt sinds een aantal jaren in de rijksbegroting opgenomen als maat voor veranderingen in de algehele biodiversiteit in Nederland.

Referenties

  • PBL (2016). Balans van de Leefomgeving 2016. Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag.
  • Strien, A.J. van, R.J.T. Verweij, M.P. de Zeeuw, L. van Duuren en L.L. Soldaat (2014). Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De Levende Natuur 115 (5): 208-211.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Rode Lijst Indicator, 1995-2019

Omschrijving

Verandering in aantal soorten en de mate van bedreiging op de Rode Lijst van 7 soortgroepen

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

De Rode Lijst Indicator (RLI) is opgesteld met gegevens van zeven soortgroepen: zoogdieren, broedvogels, reptielen, amfibieën, dagvlinders, libellen en hogere planten. Per soortgroep is voor elke soort de categorie van bedreiging vastgesteld. Als een soort niet bedreigd wordt geldt de categorie "Thans Niet Bedreigd". Een soort die steeds meer achteruitgaat, in aantal individuen dan wel in verspreiding, valt achtereenvolgens in de categorie "Gevoelig", "Kwetsbaar", "Bedreigd", "Ernstig Bedreigd" en "Verdwenen uit Nederland". Verdwenen soorten blijven op de Rode Lijst staan. De zeldzaamheid wordt bepaald op basis van de populatiegrootte dan wel het aantal 5 bij 5 km-hokken (atlashokken) waarin een soort voorkomt. De trend vanaf 1950 is de populatietrend, de trend in verspreiding, of een combinatie van beide. Rode Lijsten hanteren namelijk 1950 als referentie.

Veel monitoringgegevens komen uit de meetprogramma's van het Netwerk Ecologische Monitoring. Omdat er niet voor alle soortgroepen goede monitoringgegevens zijn, is ook veel gebruik gemaakt van niet-gestandaardiseerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. Dat zijn geen monitoringgegevens, maar losse waarnemingen van één soort of soortenlijsten van een locatie. Om uit die gegevens betrouwbare trendschattingen te berekenen zijn occupancy modellen toegepast (MacKenzie et al., 2006; Van Strien et al., 2013).

Om veranderingen in de RLI te meten, vergelijken we de actuele situatie met die van rond 1995 en 2005 zoals beschreven in de officiële Rode Lijsten uit die twee perioden. De verzameling soorten waar naar gekeken wordt is gelijk aan de verzameling soorten die in 1995 beoordeeld zijn voor de officiële Rode Lijsten uit die periode. Veranderingen in de Rode Lijststatus van soorten zijn gevalideerd door de soortenexperts van de diverse soortenorganisaties.

Het percentage niet-bedreigde soorten is het aantal beschouwde soorten dat niet op de Rode Lijst staat gedeeld door het totaal aantal beschouwde soorten.

De lengte van de Rode Lijsten opgeteld over alle soortgroepen en geïndexeerd met 1995 als referentiejaar (=100%), levert de "RLI-lengte" op. Ter verduidelijking: waar voor het opstellen van de Rode Lijsten 1950 als referentiejaar genomen is, is 1995 het referentiejaar van de RLI. Elke soort telt daarbij even zwaar mee.

Inheemse soorten die na 1950 in Nederland terug zijn van weggeweest - zoals de Kraanvogel en de Bever- zouden op basis van hun zeldzaamheid bij aankomst meteen als "Gevoelig" op de Rode Lijst terecht komen. Tenzij ze als "Verdwenen" op de Rode Lijst stonden, zou hun terugkeer daarmee ogenschijnlijk tot verslechtering van de toestand van de Nederlandse biodiversiteit leiden. Maar die terugkeer is eerder een winstpost dan een verliespost. Daarom zijn dergelijke nieuwkomers voor de RLI genegeerd.

De RLI-lengte geeft alleen weer hoeveel soorten op de Rode Lijst staan ten opzichte van referentiejaar 1995 en houdt geen rekening met verbetering of verslechtering van soorten die op de Rode Lijst blijven staan. De "RLI-kleur" doet dat wel; die sommeert over alle soorten het aantal categorieën dat een soort is verwijderd van "Thans Niet Bedreigd". Een "Ernstig bedreigde" soort is vier categorieën verwijderd van "Thans Niet Bedreigd" en een "Gevoelige" soort slechts 1 categorie. Als een soort bijvoorbeeld verschuift van "Bedreigd" naar "Ernstig bedreigd" wordt de RLI-kleur 1 punt hoger ("roder"), als een soort verschuift van "Ernstig Bedreigd" naar "Kwetsbaar" wordt de RLI-kleur 2 punten lager ("minder rood"), etc.

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

MacKenzie, D. I. (Ed.). (2006). Occupancy estimation and modeling: inferring patterns and dynamics of species occurrence. Academic Press. Strien, A.J. van, R.J.T. Verweij, M.P. de Zeeuw, L. van Duuren en L.L. Soldaat (2014). Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De Levende Natuur 115 (5): 208-211. Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en C.A.M. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458.

Betrouwbaarheidscodering

A. Integrale waarneming.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2020). Rode Lijst Indicator, 1995-2019 (indicator 1521, versie 13 , 1 mei 2020 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.