Compendium voor de Leefomgeving
487 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Energie en milieu

Brandstofverbruik en netto elektriciteitsproductie door elektriciteitscentrales, 1990-2006

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

In 2006 is zowel de netto elektriciteitsproductie alsook het daaraan gerelateerde brandstofverbruik door elektriciteitscentrales licht gedaald. Er is meer elektriciteit ingevoerd vanuit het buitenland.

  1990 1995 2000 2004 2005 2006
             
  PJ          
Brandstofverbruik 484 488 431 544 514 490
w.v. Steenkool 1) 231 258 232 248 234 226
  Stookolie 2,0 1,5 0,2 0,8 0,7 0,5
  Aardgas 2) 251 229 198 294 279 263
  Chemisch restgas 3) . 0 0,5 0,3 0,5 0,2
             
  PJ          
Elektriciteitsproductie 216 210 195 243 238 231
             
  TWh          
Elektriciteitsproductie 60 58 54 68 66 64
             
Bron: CBS. CBS/MNC/jan08/0019
1) M.i.v. 1995 incl. hoogovengas en cokesovengas.
2) Alleen in 1990 incl. hoogovengas, cokesovengas en chemisch restgas.
3) In 1990 is chemisch restgas bij aardgas geteld.

Afname elektriciteitsproductie zet door

Net als in 2005 is de netto elektriciteitsproductie door elektriciteitscentrales in 2006 gedaald. In 2006 gaat het om een daling van 2,9 procent. Het verbruik van elektriciteit is in 2006 met 1,4 procent toegenomen. Er is meer elektriciteit ingevoerd vanuit het buitenland.
Het brandstofverbruik laat in 2006 een daling zien van 4,7 procent. Voor de elektriciteitsproductie is hoofdzakelijk steenkool en aardgas ingezet.

Referenties

Relevante informatie

  • Meer informatie over het verbruik van energiedragers is te vinden in de databank StatLine van het CBS.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Brandstofverbruik en netto elektriciteitsproductie door elektriciteitscentrales.

Omschrijving

Ontwikkeling van de inzet van energiedragers bij de elektriciteitsproductie en ontwikkeling van de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit door elektriciteitscentrales.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek.

Berekeningswijze

Berekening op basis van enkele maand- en kwartaalenquêtes van het CBS en registraties van diverse instellingen als Tennet, Gasunie en EnergieNed.

Basistabel

StatLine: Energiebalans (CBS, 2007a).

Geografisch verdeling

Nederland.

Andere variabelen

Er zijn gegevens voor de diverse energiebalansposten (zoals: energie-aanvoer, energie-aflevering, energieverbruik, totale inzet bij omzettingen, inzet bij warmtekrachtopwekking) per energiedrager en per bedrijfstak.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks.

Achtergrondliteratuur

Het artikel Nederlandse energiehuishouding (NEH) (CBS, 2007b) geeft een korte beschrijving van de onderzoeksmethode.
CBS (2007c). Daling elektriciteitsproductie zet door in 2006. Webmagazine, 30 juli 2007. CBS, Voorburg/Heerlen.

Opmerking

Het brandstofverbruik van elektriciteitscentrales in deze indicator is hoger dan het energieverbruik door de sector energiebedrijven in de indicator Energieverbruik per sector, 2011-2016. In de laatstgenoemde indicator is in het energieverbruik de productie van elektriciteit, stoom en warm water verrekend met het verbruik van de hierboven genoemde fossiele brandstoffen.

Betrouwbaarheidscodering

A. (Integrale enquête).

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2008). Brandstofverbruik en netto elektriciteitsproductie door elektriciteitscentrales, 1990-2006 (indicator 0019, versie 08 , 25 januari 2008 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.