Compendium voor de Leefomgeving
482 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Luchtkwaliteit

Fijnstofconcentraties, daggemiddelde, 1994-2005/2006

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De norm voor kortdurende blootstelling aan fijn stof is in 2006 in Nederland alleen plaatselijk overschreden, bijvoorbeeld langs drukke straten of snelwegen.

Fijnstofconcentratie in groot deel van Nederland beneden de norm

De grenswaarde voor kortdurende blootstelling aan fijn stof is een daggemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) van 50 µg/m3 die niet vaker dan 35 keer per jaar mag worden overschreden. De achtergrondconcentraties van fijn stof overschrijden in het overgrote deel van Nederland deze norm niet. Alleen in verstedelijkte gebieden en in gebieden met veel agrarische activiteiten in het midden en zuiden van Nederland wordt de norm overschreden. Dit komt vooral door de bijdrage van lokale bronnen.
In het midden en zuiden van Nederland wordt de norm vaker overschreden dan in het noorden. Dit wordt veroorzaakt door een hogere uitstoot van fijn stof in het zuiden van Nederland en een grotere invloed van bronnen in het omringende buitenland.
Nieuwe inzichten in de gemeten fijnstofconcentraties op achtergrondlocaties en daarmee gepaarde gaande herkalibratie en hervalidatie van alle fijnstofmeetgegevens hebben begin 2007 geleid tot lagere concentraties dan tot dusver was gebleken uit de metingen. Het aantal dagen met normoverschrijding is op basis van de herziene meetreeks gemiddeld ongeveer 20% lager op regionale achtergrond stations (ongeveer 8 dagen) en ongeveer 30% lager op straat- en stadsachtergrond stations (ongeveer 15 dagen) ten opzichte van de in 2006 gerapporteerde meetreeks. Los van deze bijstelling is er een jaarlijkse variatie in het aantal dagen waarop de concentratie van 50 µg/m3 wordt overschreden. Deze variatie wordt vooral veroorzaakt door meteorologische verschillen tussen de jaren. Zo is het relatief grote aantal dagen met normoverschrijding in 2003 grotendeels ter herleiden tot specifieke ongunstige meteorologische omstandigheden van dat jaar.
Op basis van achtergrondconcentraties van fijn stof is in 2005/2006 minder dan 5% van de bevolking langer dan 35 dagen blootgesteld aan concentraties boven de 50 µg/m3. Deze cijfers zijn gebaseerd op berekende jaargemiddelde concentraties en een empirische relatie tussen overschrijdingen van de grenswaarden voor het daggemiddelde en het jaargemiddelde. Het berekende aantal blootgestelde mensen vormt een ondergrens, omdat de mogelijke verhoging van lokale fijnstofconcentraties als gevolg van bijvoorbeeld de verkeersbijdrage in straten niet in de berekeningen is verdisconteerd. De jaren 2005 en 2006 waren meteorologisch gezien niet uitzonderlijk. De fijnstofconcentraties lagen rond het gemiddelde van de afgelopen jaren.
De concentratie van 50 µg/m3 voor het daggemiddelde is in 2006 volgens de waarnemingen op 11 meetstations (8 straat- en 3 stadsachtergrondstations) met meer dan de 35 toegestane dagen overschreden. De meetstations met overschrijdingen van de norm voor het daggemiddelde liggen zowel in het noorden als het midden en zuiden van het land.

Zeezout en de grenswaarde voor daggemiddelde fijnstofconcentraties

De fijnstofdeeltjes die niet door menselijk handelen in de lucht worden gebracht, kunnen volgens de Kaderrichtlijn luchtkwaliteit - en ook in het voorstel voor de nieuwe Europese richtlijn luchtkwaliteit - bij de beoordeling van de luchtkwaliteit voor fijn stof buiten beschouwing worden gelaten. De Wet Milieubeheer staat toe dat bijdrage van zeezout van de finstofconcentraties wordt afgetrokken bij het vaststellen van de luchtkwaliteitsrapportages aan de Europese Unie. De aftrek is vastgelegd in de zogenoemde Meetregeling Luchtkwaliteit 2005. Aftrek van zeezout komt in de praktijk overal in Nederland neer op een versoepeling van de grenswaarde voor daggemiddelde fijnstofconcentraties met 6 dagen tot 41 dagen boven 50 µg/m3. Hoewel deze toegestane aftrek leidt tot minder overschrijdingen van de norm voor het daggemiddelde, is de mate van overschrijdingen in stedelijke gebieden vaak nog zo hoog dat de knelpunten hier blijven bestaan. In 2006 is het aantal stations, waar een overschrijding van de dagnorm wordt vastgesteld, ongeveer 25% lager als zeezoutaftrek wordt toegepast.

Fijn stof ingedeeld naar oorsprong

Fijn stof is een verzamelbegrip. Het bestaat uit een scala van stoffen die op verschillende wijze in de buitenlucht terechtkomen. Op basis hiervan wordt - onder andere met het oog op het beleid - een primaire en een secundaire fractie onderscheiden:

  • De primaire fractie bestaat uit deeltjes die direct door menselijk handelen en/of natuurlijke processen in de lucht worden gebracht. De belangrijkste door menselijk handelen veroorzaakte uitstoot komt van transport, industrie en landbouw. In kustgebieden vormt de zee een belangrijke natuurlijke bron voor fijn stof in de vorm van zeezoutdeeltjes. Opwaaiend bodemstof is ook onderdeel van deze fractie; het is deels van natuurlijke oorsprong.
  • De secundaire fractie bestaat uit deeltjes die in de atmosfeer worden gevormd na chemische reacties in de lucht. Hierbij spelen zowel gassen als reeds aanwezige deeltjes een rol. Ammoniak (NH3), stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2) en vluchtige organische koolwaterstoffen (VOS) zijn bij deze reacties de belangrijkste stoffen.

Gezondheidseffecten van fijn stof

Gezondheidskundige studies wijzen uit dat in Nederland jaarlijks enige duizenden mensen vroegtijdig overlijden samenhangend met kortdurende blootstelling aan fijn stof. De duur van deze levensverkorting is vermoedelijk kort: enkele dagen tot maanden. Dergelijke resultaten zijn niet alleen in Nederland, maar overal op de wereld gevonden en ze zijn vrij robuust.
Als bepaalde Amerikaanse studies over langdurende blootstelling geldig zijn voor Nederland, zouden mogelijk tienduizend tot enige tienduizenden mensen ongeveer tien jaar eerder overlijden. Deze uitkomsten zijn echter zeer onzeker.
Gezondheidseffecten zijn zowel voor fijn stof (PM10) als voor het voor het fijnere deel van fijn stof (PM2,5) gevonden. Welke chemische bestanddelen van fijn stof gezondheidskundig de oorzaak van de effecten zijn, is nog onbegrepen. Zeezout is vrijwel zeker van weinig belang voor de directe gezondseffecten. Iets vergelijkbaars geldt waarschijnlijk ook voor de sulfaat- en nitraatfractie in fijn stof. Het roetdeel uit verbrandingsprocessen speelt mogelijk een belangrijkere rol.
Er is in gezondheidskundige studies geen drempelwaarde voor de effecten van fijn stof waargenomen. Dit betekent dat er vooralsnog geen buitenluchtconcentratie is aan te geven waarbeneden geen gezondheidseffecten meer gevonden worden.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Technische toelichting

De trends van de jaargemiddelde fijnstofconcentraties op regio-, stad- en straatstations zijn gebaseerd op metingen in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) tot en met 2006. Het gemiddelde over de stations is berekend op basis van de in het specifieke jaar aanwezige aantal stations. Het aantal stations dat gebruikt is voor de berekening van het gemiddelde, kan daardoor per jaar verschillen. Het landsdekkende beeld voor de jaargemiddelde achtergrondconcentraties van fijn stof voor 2005 en 2006 is verkregen door combinatie van meetresultaten met modelberekeningen. Deze kaart is berekend voor het meest recente jaar waarvoor definitieve emissiegegevens beschikbaar zijn en dat is 2004.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2007). Fijnstofconcentraties, daggemiddelde, 1994-2005/2006 (indicator 0243, versie 07 , 26 oktober 2007 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.