Compendium voor de Leefomgeving
557 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Luchtkwaliteit

Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging: emissies, 1990 - 2016

De emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak, fijn stof (PM10/PM2.5) en NMVOS zijn sterk afgenomen sinds 1990. De emissies liggen in 2016 alle onder het Europese emissieplafond(NEC) van 2010.

Uitstoot van verzurende stoffen, NMVOS en fijn stof sterk gedaald

De emissies (uitstoot) van de verzurende stoffen ammoniak (NH3), stikstofoxiden (NOx) en zwaveldioxide (SO2) zijn fors afgenomen in de periode 1990-2000. Ook de emissies van fijn stof (PM10/PM2.5) en vluchtige organische stoffen (Niet-Methaan-VOS) zijn fors gedaald in deze periode. Na 2000 namen de emissies van de meeste stoffen nog steeds verder af, maar minder sterk dan in de periode daarvoor. De NOX-emissie daalde nog wel in hetzelfde tempo als de voorgaande periode. De SO2-emissie bleef tussen 2003 en 2007 stabiel en is na 2007 verder gedaald. In de onderstaande alinea's wordt de trend per stof verder toegelicht.

De emissies zijn hier weergegeven volgens de definities van de EU-richtlijn inzake Nationale Emissieplafonds (NEC-richtlijn), dus exclusief de bijdrage van de zeescheepvaart. Voor de luchtverontreinigende emissies van de zeescheepvaart zie:

Uitstoot stikstofoxiden met 62% afgenomen sinds 1990, en onder emissieplafond 2010

Gedurende de periode 1990-2016 zijn de NOx emissies gedaald van 607 kton naar 221 kton (-64%). Dit is vooral het gevolg door het stellen van emissie-eisen aan personenauto's en vrachtverkeer (Euro-normen) en genomen maatregelen, zoals SCR(Selectieve Catalytische Reductie) in de industrie, raffinaderijen en energiesector.
Ten opzichte van 2015 is de uitstoot van Stikstofoxiden (NOx) in 2016 met 14 kton afgenomen tot 221 kton. Hierdoor ligt de emissie circa 39 kton onder het emissieplafond van 260 kton vanaf 2010. De daling in 2016 is vooral het gevolg van de emissie-eisen aan personenauto's en vrachtverkeer (Euro-normen) en een daling van de emissies in de Energiesector.

Zwaveldioxide-uitstoot met 84% afgenomen en ruim onder het NEC-plafond

Tijdens de periode 1990-2016 zijn de SO2 emissies gedaald van 197,4 kton naar 27,8 kton (-86%). Dit is nog steeds ruim onder het emissieplafond voor SO2 dat 50 kton bedraagt vanaf 2010.
In de periode 1990-2007 zijn de SO2-emissies vooral gedaald door het Besluit Emissie-Eisen Stookinstallaties (BEES) voor de energiesector, raffinaderijen en industrie en het verzuringsconvenant met de energiesector. De maatregelen waarmee de reductie werd bereikt zijn:
- rookgasreiniging bij raffinaderijen, de industrie en de energiesector;
- overgang van olie- naar gasstook bij raffinaderijen en in de chemische industrie;
- inzet van kolen met een lager zwavelgehalte in de kolengestookte energiecentrales.
Naast de reductie in de bovengenoemde sectoren is de SO2-emissie van verkeer en vervoer afgenomen door de verlaging van het zwavelgehalte van de brandstoffen.
De lagere SO2-emissie in periode 2007-2012 is vooral het gevolg van een overschakeling van oliestook naar gasstook bij de raffinaderijen en door het verder aanscherpen van normen voor het maximaal zwavelgehalte van rode diesel die wordt gebruikt door de binnenvaart, visserij en mobiele werktuigen.
Ten opzichte van 2012 is de SO2 emissie in 2013 met circa 4 kton gedaald. De emissie bij raffinaderijen nam met name door het minder fakkelen met circa 4 kiloton af en bij de industrie was er een daling te zien van ruim 1 kiloton door een lagere productie. Daartegenover stond een toename van de emissie bij energiecentrales met ruim 1 kiloton door de inzet van meer steenkool. In 2014 is de SO2-emissie ten opzichte van 2013 gedaald met 0,6 kton en in 2015 ten opzichte van 2014 gestegen met 1,1 kton. Deze toename vond met name plaats bij de Raffinaderijen. In 2016 is de SO2-emissie ten opzichte van 2015 afgenomen met 2,7 kton. Deze afname vond met name plaats in de Energiesector door een lagere inzet van steenkool bij de elektriciteitsproductie.

Uitstoot ammoniak met 64% afgenomen; net onder het NEC-plafond

Sinds 1990 zijn de emissies van NH3 gedaald van 350,1 kton naar 127,4 kton in 2016 (-64%). en ligt hiermee onder het maximum dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald.
De afname tijdens de periode 1990-2013 is het gevolg van krimp van de veestapel, eiwitarm voer, afdekken van mestopslagen, emissiearm bemesten en emissiearme stallen. De grootste bijdrage levert emissiearme bemesting (De Haan et al., 2009). Bij emissiearm bemesten vervluchtigt er weinig ammoniak, waardoor er meer stikstof in de bodem beschikbaar komt voor het gewas en er minder kunstmest nodig is.
In 2014 is, na een jarenlange daling, de uitstoot van ammoniak (NH3) toegenomen. De twee belangrijkste oorzaken voor deze stijging zijn de groei van de melkveestapel en de veranderde voedselsamenstelling voor het vee. De lichte toename van de emissie in 2015 is het gevolg van het gebruik van meer kunstmest en in 2016 doordat er meer melk- en kalfkoeien gehouden worden. In zowel 2015 en 2016 wordt de stijging voor een deel afgezwakt door een dalende uitstoot als gevolg van schonere stalsystemen voor varkens en pluimvee

Uitstoot van vluchtige organische stoffen (NMVOS) ruim onder emissieplafond

De NMVOS-emissies zijn sinds 1990(497,9 kton) met 72% gedaald tot een niveau van circa 141,0 kton in 2016. Dit is ruim onder het emissieplafond voor NMVOS dat 185 kton bedraagt vanaf 2010.
De emissies zijn vooral gedaald door maatregelen in het kader van het Koolwaterstoffen 2000-programma en het Nationaal Reductieplan NMVOS (VROM, 2005). Daarnaast zijn de emissies in de verkeerssector gedaald doordat de emissie-eisen voor het wegverkeer (Euro-normen) regelmatig zijn aangescherpt.
Ten opzichte van 2014 zijn de NMVOS-emissies in 2015 afgenomen met bijna 4 kton. Deze daling vond met name plaats bij Verkeer door het stellen van emissie-eisen aan personenauto's en vrachtverkeer (Euro-normen). Door met name minder verfverbruik in de Bouw en de Industrie zijn de totale NMVOS-emissies ten opzichte van 2015 in 2016 afgenomen met ruim 8 kton.

Fijn stof (PM10/PM2.5) uitstoot flink gedaald sinds 1990

Sinds 1990 zijn de emissies van PM10 met circa 65% gedaald, van 74,9 kton in 1990 tot 26,3 kton in 2016. De uitstoot van de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5) daalde met 76% van 51,6 kton in 1990 tot 12,5 kton in 2016.
Alleen de emissies van PM2,5 vallen onder de herzienen NEC-richtlijn. De afname van de emissies van PM10 en PM2,5 heeft vooral plaatsgevonden bij de bedrijven en het (weg)verkeer. De afname bij de bedrijven (industrie, energiesector en raffinaderijen) is vooral te danken aan milieuregelgeving, waaronder het Besluit Emissie-Eisen Stookinstallaties (BEES) en de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (NER). Dit heeft geleid tot maatregelen zoals procesaanpassingen en een toename van het gebruik van filters. De daling bij het wegverkeer is het gevolg van de Europese emissie-eisen aan nieuwe auto's.
Ten opzichte van 2015 namen de PM10 en PM2,5 emissies in 2016 met respectievelijk 0,5 kton en 0,6 kton af. Deze daling zijn bij beide stoffen het gevolg van lagere emissies in de verkeerssector en bij Consumenten door het minder roken van sigaretten.

Nieuwe inzichten in emissiecijfers

Voor een volledig overzicht van alle wijzigingen, zie de website van de emissieregistratie:

Nieuwe emissiedoelen voor 2025/2030

Voor meer informatie zie:

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Uitstoot (emissie) van verzurende stoffen en uitstoot van stoffen die bijdragen aan grootschalige luchtverontreiniging

Omschrijving

Emissies van verzurende en grootschalige luchtverontreinigende stoffen (Zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), Fijn stof (PM10/PM2.5), ammoniak (NH3), vluchtige organische stoffen, exclusief methaan (VOS) volgens de NEC-richtlijn.

Verantwoordelijk instituut

RIVM, in samenwerking in de Emissieregistratie (RIVM, Centraal Bureau voor de Statistiek, Planbureau voor de Leefomgeving, Rijkswaterstaat-Waterdienst-Dienst Water en gebruik, Wageningen Universiteit-Alterra, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, TNO, Deltares).

Berekeningswijze

De emissiegegevens voor de verzurende en grootschalige luchtverontreiniging zijn gepresenteerd volgens de sectorindeling volgens de NEC-richtlijn. Voor de stationaire bronnen komt een deel van de emissiegegevens uit de individuele milieujaarverslagen van bedrijven. Het overige deel wordt bijgeschat op basis van statistische gegevens uit onder andere de energiestatistieken, productiestatistieken van het CBS. Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethoden wordt verwezen naar de methodebeschrijvingen op de website van de Emissieregistratie.

Basistabel

Alle data opvraagbaar op Emissieregistratie

Geografisch verdeling

Nederland, provincie, postcode, 5*5 km2 (kaart)

Andere variabelen

Belasting oppervlaktewater, bodem-emissies, emissies oppervlaktewater, lucht-emissies, lucht-emissies volgens IPCCIn totaal circa 300 stoffenCirca 1600 emissie-oorzaken en circa 1000 (individuele) puntbronnen

Verschijningsfrequentie

In februari definitieve cijfers; in augustus voorgaande jaar voorlopige cijfers. De hier gepresenteerde cijfers zijn de definitieve emissiecijfers voor de periode 1990-2015, zoals vastgesteld door de Emissieregistratie in februari 2017.

Achtergrondliteratuur

Methoden: op de website van Emissieregistratie achter Overzicht documenten, Begrippen: op de website van Emissieregistratie achter Begrippenlijst

Opmerking

Zie voor de NEC-indeling Samenstelling doelgroepen van het milieubeleid

Betrouwbaarheidscodering

Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2018). Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging: emissies, 1990 - 2016 (indicator 0183, versie 24 , 5 juli 2018 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.