Compendium voor de Leefomgeving
494 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Bodem en grondwater

Vermestende depositie, 1981-2011

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De vermestende depositie bedroeg in 2011, gemiddeld over Nederland, 2060 mol stikstof per ha. Hiermee is de depositie sinds 1981 met bijna 35 procent afgenomen.

Landelijk beeld in 2011

Regionaal komen grote verschillen voor in de depositie van vermestende stoffen. Vooral in gebieden met intensieve veehouderij, zoals de Peel en de Gelderse Vallei, kunnen stikstofdeposities voorkomen van meer dan 5.000 mol per hectare. Deze hoge depositie wordt vooral veroorzaakt door de bijdrage van de hoge ammoniakuitstoot (NH3) die afkomstig is van de intensieve veehouderij. Ammoniak wordt op geringe hoogte uitgeworpen en heeft een hoge depositiesnelheid. Deze combinatie zorgt ervoor dat veel ammoniak dicht bij de bron neerkomt. De hoge emissie van stikstofoxiden (NOx) in en nabij grote steden is de oorzaak van de hogere depositie in die gebieden.
 
De Nederlandse agrarische sector levert met 47% verreweg de grootste bijdrage aan de vermestende depositie in Nederland. Ongeveer 66% van de depositie is afkomstig uit Nederlandse bronnen.
 
De gevolgen van de stikstofdepositie voor de overschrijding van de kritische niveaus zie Overschrijding kritische stikstofdepositie op natuur.

Trend

De landelijk gemiddelde stikstofdepositie, ook wel vermestende depositie genoemd, lag tot halverwege de jaren 1990 tussen de 2.500 en 3.000 mol stikstof per hectare. Vanaf 1994 is een geleidelijke daling ingezet tot op het huidige niveau. Van jaar tot jaar voorkomende variaties in meteorologische omstandigheden kunnen, bij gelijke emissies, overigens tot fluctuaties in de depositie van de orde van grootte van 10% leiden.
 
De daling in stikstofdepositie sinds 1981 is het gevolg van lagere emissies van zowel stikstofoxiden als van ammoniak.

  • De emissie van stikstofoxiden in Nederland daalde sinds 1980 met 40%; in West-Europa met 30%. Deze daling is het resultaat van maatregelen bij het verkeer, zoals de invoering van de katalysator aan het eind van de jaren tachtig, bij de industrie en in de energiesector.
  • De emissie door agrarische bronnen in Nederland is sinds 1990 met 50% gedaald; in West -Europa met 10%. Vooral de laatste tien jaar hebben emissiebeperkende maatregelen in Nederland voor een daling gezorgd. Tot deze maatregelen behoren verbeterde voersamenstelling, het gebruik van emissiearme stallen, het afdekken van mestsilo's en het direct onderwerken van mest bij de aanwending.


Voor meer gedetailleerde informatie over de ontwikkeling van de emissies van vermestende stoffen in Nederland zie Verzurende stoffen: emissies per beleidssector (NEC), 1990-2009.

Beleid

Het Nederlandse beleid richt zich op de NEC-plafonds waarmee impliciet ook bepaalde depositieniveaus worden gerealiseerd. Daarnaast wordt specifiek beleid ontwikkeld voor duurzame instandhouding van Natura 2000-gebieden in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De PAS beoogt bovendien om duurzame economische ontwikkeling samen te laten gaan met de realisatie van de natuurdoelen voor Natura 2000.
 
In juni 2012 is het 'Monitoringsplan Programmatische Aanpak Stikstof op hoofdlijnen' verschenen. Dit betreft een operationeel monitoringsplan dat de uitvoering van maatregelen in de PAS en de gevolgen van het beleid zoals dat in de PAS is uitgestippeld moet gaan volgen. De PAS moet inzicht in de omvang van de stikstofproblematiek geven, de beschikbare ontwikkelruimte en de mogelijke verdeling daarvan over natuur, landbouw, verkeer en andere bronnen.. Het PAS-programma geeft ook, in combinatie met herstelstrategieën, richting aan het opstellen van beheerplannen die gemaakt moeten worden voor de Natura 2000-gebieden. De beheerplannen moeten ertoe dienen dat de natuurkwaliteit niet verder achteruitgaat en dat habitats in een goede staat van instandhouding gebracht worden.
 
Voor meer informatie over het beleid op het terrein van vermestende stoffen zie ook de indicator Vermesting en verzuring: beleid.

Effecten

De verzurende en vermestende stoffen kunnen de natuur beïnvloeden. Zo kunnen de stoffen planten en bomen vatbaarder maken voor ziekten, stormschade en droogte. Door verandering in bodemcondities kan ook de natuurlijke soortensamenstelling van de vegetatie veranderen. Voorbeelden zijn de vergrassing van heide en open duinen. Verzuring en vermesting verminderen ook de kwaliteit van het grondwater.
De risico's en de effecten van vermesting en verzuring worden tegenwoordig beoordeeld aan de hand van het begrip kritisch depositieniveau, ook wel aangeduid met kritische depositiewaarde of critical load. Een kritisch depositieniveau is gedefinieerd als de maximaal toelaatbare hoeveelheid atmosferische depositie waarbij, volgens de huidige wetenschappelijke kennis, negatieve effecten op de structuur en de functies van ecosystemen niet voorkomen.
 
Voor meer informatie over de effecten van vermestende stoffen zie ook de indicator Vermesting en verzuring: oorzaken en effecten.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Vermestende depositie

Omschrijving

Vermestende depositie in Nederland per 1 x 1 km.

Verantwoordelijk instituut

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Berekeningswijze

Zie rapportage over de uitkomsten van de GCN-berekeningen

Basistabel

Reken- en Informatiesysteem Lucht van het Centrum voor Milieumonitoring van het RIVM

Geografisch verdeling

De kaart en de trend zijn gebaseerd op de uitkomsten van de meest recente GCN-berekeningen.

Andere variabelen

Zuurdepositie

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2012. (Velders et al., 2011; zie bij 'Referenties').

Opmerking

De rekenmethodiek is gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten.

Betrouwbaarheidscodering

Kaart: C (Schatting met modelberekeningen, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd). Trend 1990-2009: C (Schatting met modelberekeningen, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd).

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2012). Vermestende depositie, 1981-2011 (indicator 0189, versie 11 , 20 september 2012 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.